Godsdienstvrijheid / Hulp ondanks vervolging

Via ontwikkelingshulp steunt Nederland ook islamitische regimes die de mensenrechten schenden en christenen belemmeren in hun geloofsbeleving. Daar wordt verschillend over gedacht.

De hele westerse wereld viel over Afghanistan heen, toen Abdul Rahman in maart terecht moest staan voor zijn bekering tot het christendom. Hij kon zelfs de doodstraf krijgen. Hoe kon een land waar de internationale gemeenschap zoveel in investeert – militair en economisch – de godsdienstvrijheid zo met de voeten treden? Uiteindelijk liep het met een sisser af. Rahman werd vrijgelaten omdat hij geestesziek zou zijn. Inmiddels heeft hij veiligheid gevonden in Italië.

Maar Afghanistan staat niet alleen in de vervolging van moslims die van hun geloof afvallen. Ook Saoedi-Arabië, Iran, Jemen, Soedan, Katar en Mauritanië hebben officieel de doodstraf voor afvalligen in de wetboeken staan. En in Pakistan is blasfemie of godslastering (als het betrekking heeft op de islam) een vergrijp dat bestraft kan worden met levenslang of met de dood.

Naast Afghanistan behoren ook Jemen en Pakistan tot de 36 landen waarmee Nederland een structurele bilaterale ontwikkelingsrelatie onderhoudt. De ophef die in Nederland ontstond naar aanleiding van de berechting van de Afghaan Rahman, is bij deze landen uitgebleven, hoewel ook daar vervolging in de praktijk plaatsvindt (zie kader).

Dat gaat anders in bijvoorbeeld de Verenigde Staten, waar een speciale Commissie voor Internationale Religieuze Vrijheid de Amerikaanse regering adviseert over haar betrekkingen met andere landen. Die schaart onder meer Pakistan, Eritrea en Vietnam in het rijtje landen dat grote zorgen oproept – allemaal landen waarmee Nederland een intensieve ontwikkelingsrelatie heeft. Zo kunnen in Eritrea militairen zware straffen krijgen als ze religieuze literatuur als bijbels bezitten en heeft het land alle openbare activiteiten verboden van religies die het niet officieel erkent. Vier godsdiensten worden erkend, waaronder een aantal stromingen binnen de christelijke kerk, maar aanhangers van bijvoorbeeld de Pinkstergemeente en de Evangelische Kerk moeten het wel ontgelden. Geregeld worden christenen vastgehouden en mishandeld, of gedwongen een verklaring te ondertekenen waarin ze beloofden geen kerkdiensten meer bij te wonen. Sommigen moesten hun geloof geheel afzweren.

Nederland heeft Eritrea en 35 andere landen uitgekozen voor een speciale ontwikkelingsrelatie, op basis van de gedachte dat het daar het meest kansrijk is om hulp effectief en efficiënt te besteden. Bovendien behoren ze tot de armste landen in de wereld en denkt Nederland juist in deze landen het verschil te kunnen maken. Vrijheid van godsdienst is een minder belangrijk criterium.

Veel deskundigen kunnen dat wel billijken. Volgens hoogleraar ontwikkelingsstudies Ruerd Ruben van de Radboud Universiteit Nijmegen blijft de belangrijkste doelstelling van ontwikkelingshulp armoedebestrijding. Daarnaast spelen good governance – goed bestuur – en naleving van de mensenrechten een rol. Volgens Ruben is het ministerie van buitenlandse zaken bij de toekenning van hulp kritisch, maar tracht het tegelijk respectvol te zijn voor andere culturen. Hij vindt de keuzes die gemaakt worden zo slecht nog niet.

Ook Menno Kamminga van de Rijksuniversiteit Groningen, gespecialiseerd in ethiek van de internationale betrekkingen, stelt dat armoedebestrijding het fundamentele doel van ontwikkelingshulp is en zelfs het eerste doel van de millenniumdoelstellingen van de Verenigde Naties. Hij stelt dat ontwikkelingssamenwerking maar een klein onderdeel is van het gehele buitenlandbeleid, en dat je de hulp niet afhankelijk moet maken van andere mensenrechten. „Armoedebestrijding is zelf namelijk een fundamenteel recht van de mens, of beter gezegd een leven zonder armoede. Daarnaast is de kans op respect voor de mensenrechten veel groter wanneer de welvaart stijgt.” Kamminga vindt dat Buitenlandse Zaken in zijn algemeenheid wel meer kan doen voor de mensenrechten, maar dat het Nederlandse ontwikkelingsbeleid al met al zeer goed verdedigbaar is.

Maar kritiek is er ook, bijvoorbeeld van Gerrie ter Haar van het Institute for Social Studies. „Er is heel weinig aandacht voor religie in ontwikkelingssamenwerking. Het is een blinde vlek in de optiek van veel organisaties. Aandacht voor de plaats van religieuze minderheden en relaties tussen religieuze stromingen krijgen nog altijd te weinig aandacht.” Ter Haar vindt dat Nederland veel scherper moet kijken naar de betrekkingen die het onderhoudt, en dan niet alleen in het veld van ontwikkelingssamenwerking. „We zouden eigenlijk ook naar de relatie met landen als Saoedi-Arabië moeten kijken. We moeten niet pas als we een afhankelijkheidsrelatie hebben het vingertje gaan heffen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden