Godsdiensthistorie / Johannes heeft Thomas de nekslag toegebracht

De Amerikaanse godsdienst historica Elaine Pagels weet het zeker: het Johannesevangelie is geschreven om het Thomas evangelie en de auteur ervan in diskrediet te brengen. En met succes. Johannes won in de strijd om de 'ware leer', het Thomasevangelie is als 'ketters' afgedaan. Een beperking, meent zij.

Toen Elaine Pagels als jong onderzoekster betrokken raakte bij de bestudering van de in 1945 in Egypte gevonden Nag-Hammadi-geschriften, ging er een wereld voor haar open. De voornamelijk vroeg-christelijke teksten, waaronder een volledige versie van het Thomasevangelie waarvan tot dan slechts fragmenten bekend waren, wierpen een verrassend nieuw licht op de christelijke beweging van de eerste eeuwen. Die bleek vele malen gedifferienteerder te zijn geweest dan zij altijd had aangenomen.

Tijdens haar studie had Pagels respect gekregen voor het werk van kerkvaders als Irenaeus, bisschop van Lyon (ca. 180), die dit soort 'geheime geschriften' had afgedaan als een 'afgrond van waanzin en lastering tegen Christus'. Ze verwachtte dan ook dat de nieuw ontdekte teksten verward, pretentieus en banaal zouden zijn, maar trof in enkele tot haar verrassing een grote spirituele kracht aan. In het Thomasevangelie stuitte ze op uitspraken, die niet zeggen wat we moeten geloven, maar die uitdagen te ontdekken wat in onszelf verborgen ligt.

Een eerste onderzoek naar de vondsten van Nag Hammadi mondde uit in de publicatie van haar wereldwijde bestseller 'De gnostische evangeliën' (1979; Ned. vertaling 1980). Vele jaren en studies van haarzelf en anderen later, zoekt zij nu in haar nieuwste boek naar een antwoord op de vraag hoe de canon van het Nieuwe Testament in die eerste eeuwen is vastgesteld en welke rol bepaalde christelijke leiders daarin hebben gespeeld. Waarom bijvoorbeeld is het evangelie volgen Johannes wél in de canon opgenomen maar dat van Thomas, dat er opvallend veel gemeen mee heeft, niet?

Met hun symbolische en poëtische interpretaties van Jezus' onderricht verschillen Johannes en Thomas van de evangeliën van Mattheüs, Marcus en Lucas. Ook lijken de eerste twee aan te nemen dat de lezer al op de hoogte is van de grote lijnen van het verhaal, zoals dat door de andere drie evangelisten is opgetekend, en beweren zij verder te gaan dan dat verhaal en de leer te onthullen die Jezus alleen aan zijn discipelen heeft verkondigd.

Toch zijn tegelijk de tegenstellingen tussen Johannes en Thomas onoverkomelijk, zegt Pagels, en staan hun boodschappen diametraal tegenover elkaar. Beiden spreken wel over Jezus als het goddelijke licht dat in de wereld komt en in Christus een menselijke vorm aanneemt. Maar in zíjn tek sten over het 'licht' zet Johannes zich onmiskenbaar af tegen de leer van Thomas, zo meent zij. Tot driemaal toe zegt hij dat het goddelijk licht niet is doorgedrongen in de duisternis waarin de wereld gedompeld was. Omdat het goddelijk licht niet beschikbaar was voor de mensen 'in de wereld', is uiteindelijk 'het Woord vlees geworden en heeft onder ons gewoond' in de gedaante van Jezus.

Terwijl de Jezus van Thomas zijn discipelen voorhoudt dat zij, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, op een individuele zoektocht met hun van God gekregen vermogens zelf het innerlijk licht kunnen ontdekken -'Er is licht in een mens van licht'- zegt de Jezus van Johannes daarentegen: 'Ik ben het licht der wereld', 'het waarachtige licht dat ieder mens verlicht', 'Wie mij volgt wandelt nimmer in duisternis'. Alléén bij Johannes verkondigt Jezus voortdurend zijn eigen goddelijkheid: 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven', 'Niemand komt tot de Vader dan door mij'.

Tegen iedereen die, net als Thomas, zegt dat wij zijn of kunnen worden als Jezus, zegt Johannes nadrukkelijk: nee, Jezus is eniggeboren, uniek. Hij weerspreekt niet dat mensen geschapen zijn naar Gods beeld, maar zegt wel dat de mensheid geen aangeboren vermogen heeft om God te kennen. We kunnen de goddelijke waarheid alleen vinden door te gelóven in Jezus -een uitspraak die de meerderheid van de christenen hem door de eeuwen heen zou nazeggen.

Wat elkaar aanvullende interpretaties van Gods aanwezigheid op aarde hadden kunnen zijn, werden, zo constateert Pagels met spijt, rivaliserende opvattingen. ,,Want door te zeggen dat alleen Jezus de belichaming van het goddelijk licht is, bestrijdt Johannes de bewering van Thomas dat dit licht in ieder mens aanwezig is.''

Pagels vond nog meer aanwijzingen bij Johannes die haar ervan overtuigden dat dit bewust geschreven is om de leer van Thomas te weerleggen. Alleen Johannes schetst een provocerend en kritisch portret van Thomas. Terwijl Marcus, Mattheüs en Lucas Thomas hem slechts vermelden als een van de 'twaalven', bestempelt Johannes Thomas in drie anecdotes tot de 'ongelovige' -de enige die niet begreep wie Jezus was en wat hij zei. Veel van Johannes' tijdgenoten vereerden Thomas als een heel bijzondere apostel, aan wie Jezus 'geheime woorden' had toevertrouwd, Johannes zet hem neer als een buitengewoon domme en trouweloze discipel.

In de beschrijving van Jezus' verschijning aan de discipelen, na zijn kruisdood, brengt Johannes volgens Pagels Thomas de genadeslag toe. Bij Lucas en Mattheüs verschijnt Jezus aan 'de elven', alle discipelen behalve Judas Iskariot. Maar Johannes zegt: 'Thomas (...) genaamd Didymus, was niet met hen, toen Jezus daar kwam. Een cruciale ontmoeting, want nadat Jezus de tien discipelen met een zegenwens had begroet, wees hij hen fomeel als zijn apostelen aan: 'Gelijk de Vader mij gezonden heeft, zend ik u ook'. Toen 'blies hij op hen en zeide tot hen: Ontvang de Heilige Geest' en ten slotte droeg hij zijn autoriteit om al dan niet zonden te vergeven op hen over.

De implicaties zijn duidelijk: Thomas was er niet bij, is géén apostel, heeft de heilige geest niet ontvangen en beschikt niet over de macht om zonden te vergeven. Als de anderen hem vervolgens vertellen over hun ontmoeting met Jezus, geeft hij een antwoord dat hem voorgoed tot ongelovige Thomas bestempelt: 'Indien ik in zijn handen niet zie het teken der nagels en mijn vinger niet steek in de plaats der nagels en mijn hand niet steek in zijn zijde, zal ik geenszins geloven'.

Pas als hij Jezus ziet, roept hij uit: 'Mijn Here en mijn God'. Eindelijk begrijpt Thomas het en de Jezus van Johannes waarschuwt de rest van de geschrokken discipelen: 'Omdat gij mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij die niet gezien hebben en toch geloven'. Johannes' boodschap over het ware geloof kon de Thomaschristenen niet ontgaan, denkt Pagels.

De verheven christologische visie van Johannes won uiteindelijk en heeft het christelijk denken definitief vormgegeven. In het daaraan voorafgaande proces van canon- en credovorming heeft de 2de-eeuwse kerkvader Irenaeus als de 'architect' daarvan een cruciale rol gespeeld. Hij wilde de christelijke beweging bijeenhouden, die geteisterd werd door vervolgingen en dreigde uiteen te vallen (Montanus, Valentinus, Marcion).

Er moest een richtsnoer komen, vond Irenaeus, voor de juiste leer, en dat moest het Johannesevangelie zijn. Omdat naar zijn mening alleen Johannes had begrepen wie Jezus werkelijk is -God in mensengedaante- noemde Irenaeus diens evangelie niet het vierde, maar het eerste en het belangrijkste evangelie. De andere drie moesten door de bril van Johannes gelezen worden, was zijn overtuiging.

Latere kerkvaders, tot en met de bisschoppen die in 325 in Nicea tot overeenstemming kwamen over zowel het 'vierledige evangelie' als over een gemeenschappelijke geloofsverklaring, volgden de lijn van Irenaeus en bepaalden zo het gezicht van de kerk van Rome. Met de 'canon van de waarheid' in de hand wezen zij de leer van Thomas en andere 'geheime en onwettige' geschriften af en deden ze een beroep op de gelovigen om zulke leringen te veroordelen als ketterij.

Maar net als in het hedendaagse christendom het geval is, waren er ook in de eerste eeuwen 'spirituele zoekers' voor wie die orthodoxe leer van Rome niet voldeed. De Egyptische monniken die destijds hun 'ketterse' schatten in het Nijlzand begroeven, zijn daarvan een voorbeeld. Wat vanuit de 'ware leer' gezien geringschattend ketters of gnostisch wordt genoemd, blijkt, aldus Pagels, na de vondst in Nag Hammadi ,,een vorm van christelijke leer te zijn die ons hoogstens onbekend is -juist als gevolg van het actieve en geslaagde verzet ertegen door christenen zoals Johannes.''

Elaine Pagels: Ketters en rechtgelovigen. De Strijd om de ware leer in het vroege christendom; Servire, ISBN 9021536803, € 19,99.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden