Gods stille wenking

(FOTO ANP)

De vaak veronderstelde kloof tussen geloof en wetenschap kent Antoine Bodar niet. Integendeel: juist de wetenschap voerde hem via een omweg terug tot God. Het „openen en nog eens openen van boeken” bracht hem via Plato bij Augustinus: „een geleerde van smaak, die het diepe verlangen naar God zo meesterlijk verwoordt.”

Voor mij is de kwestie tussen geloof en wetenschap niet klemmend. Ben ik een man van wetenschap? Ooit ben ik begonnen met studeren en ik ga daarmee voort. Wetenschap beschouw ik als ordening – orde brengen in chaos.

Ook houd ik mij voor gelovig, voor zover door Gods genade daarin geholpen. Houd ik mij ook voor wetenschappelijk? Eigenlijk niet, al is verwondering mij niet vreemd. Wellicht ben ik vertrouwder met altijd lege handen en met nimmer weten – én in de wetenschap én in het geloof. Niettemin ga ik ten slotte de voor mij enig te gane weg, omdat Hij mij heeft overreed en ik niet tegen Hem bleek opgewassen.

De Kerk heeft me tot God gebracht. Vage herinneringen heb ik aan kerkbezoek als kind. In de Vitus in Bussum, het dorp waar we als jong gezin even hebben gewoond. En in de kathedraal van Sint Jan in Den Bosch. Op mijn vijfde verjaardag verhuisden we van Bussum naar Amsterdam. Daar behoorden we tot de grote parochie van Sint Willibrord, de kathedraalachtige kerk van Pierre Cuypers aan de Amsteldijk. Daar, in die kerk, werd ik waarschijnlijk God voor het eerst gewaar. Daar ging ik iedere ochtend naar de Heilige Mis, daar werd ik als jongen van zes of zeven misdienaar, daar was ik te vinden alle uren dat ik niet met vriendjes of zusjes misje of schooltje speelde of aangenaam thuis zat bij mijn moeder. Daar, naast de kerk, ging ik school bij de broeders van Maastricht waar ik bleef tot ik naar het gymnasium ging van de paters jezuïeten, het Ignatiuscollege aan de Hobbemakade.

Het waren de karige jaren vijftig, toen tevredenheid troef was, soberheid een deugd, wellevendheid een gewoonte.

De liturgie heeft me tot Christus gebracht. Als kind ben ik die wereld binnengevoerd – waarschijnlijk toen wel vermoedend maar nog niet reflecterend dat in dat gezamenlijke kunstwerk de hemel de aarde kust. Geraakt door Gods verhevenheid, waaraan wij allen gezamenlijk op aarde alvast gestalte pogen te geven, wilde ik daaraan innig deel krijgen. Wat was er heerlijker? Nu alvast gelukkig zijn in Gods nabijheid en dan – na priester te zijn gewijd – op door Christus gegunde wijze in Hem te verdwijnen en zo in Zijn heilige Naam rond te gaan en mensen te troosten.

De toen ondergane schoonheid heeft mij als kind al thuis doen komen in de Kerk – in die hartelijke gemeenschap van gelijkgezindheid, van volhardend bidden en stemmingvol vieren, al naar gelang het liturgische jaar bepaalt.

Wat overkwam me als jonge jongen bij het betreden van het kerkgebouw? Christus’ aanwezigheid onder de gedaante van brood in het tabernakel dan wel van tijd tot tijd als zodanig onder het Lof in de monstrans. Gods stille wenking in de weidsheid van de architectuur, in de gebrandschilderde ramen, in de altaren en de kruiswegstaties, bovenal in de vlam van de godslamp bij het sacramentsaltaar. Voorts Gods spreken in de Heilige Schrift. Gods directe wenking in de Catechismus.

Hoe natuurlijk was het om dikwijls van school te worden weggeroepen en naast huwelijksmissen rouwmissen te dienen. Requiemmissen bewogen mij meer dan die bij een trouwerij. De laatste waren mij toen meer vreemd dan de eerste.

En wat dagelijks in en rond de kerk gebeurde, zette zich thuis voort in de verborgenheid van verbondenheid met Jezus, in vroomheid die vervreemdend moet zijn geweest – tot zorg van mijn ouders en tot spot van mijn grote broer.

Van alle ervaren schoonheid is de muziek mij altijd het meest troostend gebleven, al verkeerde later het hart steeds in droefheid om teloorgegaan geluk, in verlangen naar wat uitgewist leek, in heimwee naar wat mij in kindertijd ten deel was gevallen.

Zo veel geschenken van toen deden de hemel beleven. Zo veel alleenheid nadien deden de hemel voor onwerkelijk houden. Dat gebeurde nog niet in de gymnasiumtijd, maar later in de jaren zestig, toen talloze leeftijdgenoten de kop definitief bleken te hebben verloren.

Na de lagere school had ik naar het seminarie willen verhuizen om het gymnasium passend te combineren met de voorbereiding tot het priesterschap. Maar de broeder-onderwijzer van de zesde klas ried mijn ouders af daarvoor toestemming te geven. Kort nadien bleek hij uitgetreden. Ik bleef dus in Amsterdam.

Met jezuïeten ben ik sedertdien vergroeid geraakt – soms tot onvreugde, meestal tot vreugde – hoewel altijd iets van ongemakkelijkheid jegens hen is gebleven. De dagelijkse gang naar de kerk aan de Amsteldijk werd vervangen door de dagelijkse naar de kapel aan de Hobbemakade – geheel in overeenstemming met de toen door jezuïeten opgelegde opvoedingsmethode. Alles in collegeverband tot sport en kerkbezoek toe. Ik blijf de jezuïeten van toen dankbaar. Mijn vroomheid hebben ze gelaten en begeleid.

Het priesterschap wenkte, al bleef ik zelf verlangen naar de beslotenheid van het seminarie. Daartoe kreeg ik toestemming vanaf de tweede klas. Ik kwam terecht bij assumptionisten in Boxtel – geen juiste keuze. Na anderhalf jaar werd ik ziek, vermoedelijk als gevolg van te streng betrachte ascese, armoede, kou, slecht voedsel, het buitenleven dat niet overeenkwam met mijn mate van robuustheid. Om aan te sterken werd ik naar een jeugdboerderij op de Veluwe gestuurd, waarschijnlijk geleid door salesianen. Daarvan herinner ik mij het sneeuwlandschap, het lezen van een dikke levensbeschrijving van Don Bosco die mij verkwikte en een wandeling met de geestelijk leider daar die mij verdriette. „Aan het soort ’heiligen’ als jij bent, heeft de Kerk niets”, zo hield hij mij voor.

Zo verloor ik een jaar voor school en ik keerde terug naar de jezuïeten in Amsterdam. De priesterroeping was er als voorheen maar mijn zelfvertrouwen was gehavend. Ik diende weer de mis in de kapel van het Ignatius en ging zingen in het koor van Bernard Huijbers, waar steeds minder het gregoriaans klonk en steeds meer Huub Oosterhuis – tot mijn ongenoegen. Beide kunstenaars zouden niet lang nadien de orde verlaten en in de wereld verder leven. Maar het kwam met mij op school toch niet meer goed. In een volgende klas bleef ik zitten en werd daarom weggestuurd. Te dom, althans niet intelligent genoeg, om het gymnasium te voltooien en dus priester te kunnen worden.

Te zelfder tijd begon het Tweede Vaticaans Concilie, de kerkvergadering met de open ramen. Als gevolg daarvan waaide, althans in Nederland, niet alleen veel van het geloofsgoed weg. Na vier eeuwen voer een nieuwe Beeldenstorm over de noordelijke gewesten. Vóór alles moesten elke schoonheid van liturgie en elke binnenzijde van het geloof wijken voor toegankelijke platheid.

Het waren de rampjaren zestig, die zouden voortduren tot in de jaren zeventig (en bij sommigen nog steeds niet zijn uitgewoed tot de dood hun eindelijk ook die waan ontneemt).

Ik verliet weldra het ouderlijk huis en op den duur de Kerk – althans ik ging niet meer met regelmaat naar de liturgie. Het dieptepunt was even voorbij het midden van de jaren zestig, toen ik liever het tijdelijke voor het eeuwige had gewisseld. En God? Van die tijd weet ik alleen het heimwee naar Hem die mijn jeugd had verblijd. Waar was Hij? Ver weg.

Het leven moest een wending nemen om voort te kunnen gaan – of Hij zich nu schuilhield, louter ver verwijderd was of helemaal niet bestond. Het was zaak vooral wat te doen om brood te vinden en weinig te denken. Hoe kon ik God op de achtergrond krijgen, en tevens ’zinvol’ bezig geraken? Op drieërlei wijze: door veel werk te verrichten, door het lezen van vooral oudere romans, door het aanleren van vaardigheden. Dat laatste had van doen met theater en muziek, dat lezen met levensspiegels, dat werken met levende mensen.

Van meetaf aan was mijn idee om het weinige waartoe ik niet te dom heette, zoals spreken en zingen, verder te ontwikkelen. Verder wilde ik mijn liefde voor de letteren evengoed blijven koesteren. Uit het werk van Louis Couperus trof mij zijn boek ’Metamorfoze’. En op een andere manier niet minder ’Memoires uit het souterrain’ van Dostojevski. Na baantjes ter vermijding van verhongering bleek er onverwacht een simpele kunde te zijn waartoe geen opleiding bestaat. En zo zag het ernaar uit dat ik alsnog voor iets zou deugen.

Via het archief van een dagblad was ik binnengeraakt bij de omroep. Daar hoefde ik alleen maar te luisteren, onderwijl iemand een microfoon onder de neus houdend – eerst bij de radio, later ook bij de televisie. Die luisterschool heeft me niet minder gevormd dan de afgebroken schoolopleiding voordien.

Met een snel verdiende auto met de kracht van twee paarden – deux chevaux – reed ik veel heen en weer naar Hilversum. Zo kwam ik te vaak langs de bouwval en de bouwput aan de Amsteldijk, waar in 1970 de sloop van de Sint Willibrord was voltooid.

Maar welk wereldbeeld was mij inmiddels eigen geworden? Niet een enkele, maar verscheidene.

Bijvoorbeeld dat van de Nederlandse liberaliteit, erfgoed van de Franse Verlichting. Voortleven alsof er na de Oudheid nooit meer een werkelijk bijdrage aan beschaving is geleverd. Modern heidendom derhalve – de mens als enig middelpunt totdat de dood volgt.

Of dat van Nietzsche, volgens wie wij zouden moeten leven alsof wij steeds weer opnieuw zo zouden willen en kunnen leven. Een leven alsof God niet bestaat, maar waarin wij evengoed voorttobben in het ondermaanse – een variant op het categorische imperatief van Kant. Godsdienst, nodig om ons moraal te geven.

Of dat van Johan Huizinga, volgens wie elke cultuur te maken heeft met streven en met rekenschap geven en wiens jongste boeken gewag maken van een metafysisch besef – noodzakelijk wil een beschaving überhaupt kunnen overleven.

De studie heeft mij enig zelfvertrouwen teruggegeven – hoogst onafhankelijk van eigen tijdgenoten. De studie heeft mij tamelijk teruggebracht tot God die benevens onder ons hier en tijdelijk, ook eeuwig daar in de hemelen woont.

De wetenschap heeft me teruggebracht tot God. Dat wil zeggen: mijn soort van wetenschap. Wijsbegeerte eerst, en verder de beeldende kunsten van Middeleeuwen en Renaissance. En afgezien daarvan was er het altijd blijvende gregoriaans. Vaak heb ik gregoriaans beluisterd en tevens de tekst ervan overwogen en zo de liturgie van eeuwen in mijn binnenkamer verlangend beleefd. Want ik zag af van de gang naar de ’creatieve’ liturgie in het kerkgebouw.

Openen en nog eens openen van boeken bracht Plato, wiens wereldbeeld grootse troost levert. Niet het zijn hier is wezenlijk, maar het zijn in de eeuwigheid. Niet wat zichtbaar is, blijkt doel, maar wat onzichtbaar is. Niet wat telkens verandert, is fundamenteel, maar wat steeds blijft. Door Plato langs Plotinus lag de weg open naar Augustinus. In Augustinus kwamen voor mij wereldbeelden samen.

In gesprek met een leermeester in Leiden liet ik mij eens ontvallen dat ik natuurlijk alleen nog Augustinus zou lezen, als de dood aanstaande zou zijn. Dit klinkt hier wat zwaarwichtig, maar dat is het in het geheel niet, aangezien de dood nagenoeg dagelijks mijn aandacht vraagt. En heeft Huizinga niet opgemerkt dat een historicus enigermate doodsgericht zou moeten zijn? Die eigenschap had ik alvast in huis. Wat was het dan dat mij in Augustinus zo aantrekkelijk voorkwam?

Augustinus is een geleerde van smaak. Hij paart hedendaags levensgevoel aan geloof. Hij verenigt platonisme met christendom. Hij kiest voor Christus zonder de omringende cultuur te verloochenen, maar wel door richting te geven. Hij geeft alle talenten aan Christus en zijn bruid die de Kerk is. Zijn bekering heeft hem nederig gemaakt waardoor zijn zelfbewustzijn alleen aan Christus dienstbaar is geworden. Meesterlijk verwoordt Augustinus het diepe verlangen naar God – naar bij Hem zichzelf te mogen zijn, Hem alles op te biechten en te vertellen en Hem te bedanken dat Hij onze God wil zijn, Hem niets te vragen tenzij te mogen worden waartoe Hij ons bedoelt – ook in wat we opschrijven en uitspreken.

Kunstgeschiedenis, mijn derde reguliere studie, pakte mij meteen. Ik ben altijd nog verbaasd over het geluk dat mij toen overkwam. Ik zweefde door de studie heen en kwam geheel thuis in die periode, waaromtrent Huizinga mij al had geleerd in ’Herfsttij der Middeleeuwen’. Er was een docente die zowel staand was in het katholieke geloof alsook kundig in de Vlaamse kunst. Zonder zulks zelf te weten heeft ze mij teruggebracht naar de Kerk van alle eeuwen, dus ook die van mijn jeugd. Aangezien ik als kind al tamelijk wat wist van het christelijk erfgoed en van iconografie, was het een feest der herkenning. En natuurlijk leerde ik ijverig bij, zoals ik nog steeds probeer te doen.

Het woord is hoger dan het beeld, heeft de piester-kunsthistoricus Frits van der Meer mij eens onderricht, maar het beeld is dichterbij. En zo is het. In beelden beleefde ik onmiddellijk veel van wat op achtergrond was geraakt. Zoveel beelden kwamen terug in herinneringen – ook de schilderingen in de ramen en op de wanden van de Sint Willibrord.

Waarom niet terugkeren, wetend van Gods oneindige barmhartigheid, naar de dromen van vroeger en naar het verlangen dat mij ten diepste dreef?

Ik beken dat terugkeren naar God en dus naar Christus en dus naar de Kerk, betekende: terugkeren naar de roeping tot priester. Midden jaren zeventig klopte ik al eens aan de poort van de theologische opleiding in Amsterdam. Maar de diepe horizontaliteit en de vlakke verticaliteit deden mij terugschrikken. Daarenboven moest ik eerst andere studies voltooien. Ook zou ik onvermoed gaan doceren aan de Leidse universiteit (waar ik in die hoedanigheid de aangenaamste tijd van mijn leven heb doorgebracht).

Tien jaren volgden van intenser beleefd heimwee en van bescheiden uitgedragen belijdenis. Altijd heb ik erop toegezien mijn eigen geloofsovertuiging te scheiden van het te geven onderricht. Een zekere mate van ironie met relativering en zelfrelativering is daarbij een passend wapen. Niettemin zal menig student gemerkt hebben waarheen mijn persoonlijke voorkeur uitging. Docenten in mijn soort wetenschap kunnen zichzelf nooit helemaal buiten het onderricht houden, willen hun colleges althans nog hoorbaar blijven en de excursies vrolijk. En het gaat in het universitaire onderwijs allereerst om de vorming en dan pas om de kennis.

Ik heb mij nooit anders gedragen dan zo. Ook niet toen ik midden jaren tachtig de weg terug naar het priesterschap insloeg – al groeide onder studenten de belangstelling voor het geloof en trad onder docenten vervreemding op in hun Verlichte overtuiging.

In die tijd raakte ik thuis bij de benedictijnen van Vaals, wier abdij ik eind jaren zestig had leren kennen. Daar ben ik nader opgevoed in liturgie en gebed, in eenvoud en soberheid. Jegens hen ben ik blijvende dank verschuldigd dat zij mijn roeping tot christen en priester hebben beschermd en begeleid. De gesprekken daar met de priester-architect Hans van der Laan hebben mij erop voorbereid in menig katholiek opzicht de strijd mettertijd te moeten aangaan.

Hoewel de binnenzijde van mijn ziel zich wellicht het gemakkelijkst vindt in de geschriften van de apostel Johannes, ontvangt de buitenzijde waarschijnlijk vooral scholing van de apostel Paulus.

De Areopagus van toen is de katheder van nu, waar die ook staat. Ook toen in Athene werd Paulus getroffen door de vele afgodsbeelden. Ook toen hield menigeen hem voor een kletser. Ook toen verdreven de stadgenoten hun tijd het liefst met de laatste nieuwtjes. Daarom kreeg ook toen en daar Paulus het woord. Ook toen immers hielden mensen rekening met het bestaan van de onbekende God. Deze in de loop van de tijd wederom onbekend geworden God poog ik in navolging van Paulus te verkondigen – in bescheidenheid, rekening houdend met de wijsheid van de wereld.

Ik spreek even vrij als onbevangen als overtuigd. Wat mij in mijn kinderenjaren is overkomen, heeft uiteindelijk gestalte gekregen. Dit is de door mij te gane weg waarin het leven moet worden voltooid. Toen reeds was de Heer sterk. Nu prijs ik mij gelukkig dat Hij mij te sterk is gebleken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden