Gods goedheid en het kwaad

Het kwaad is in de wereld; het was er vanaf het begin en het zal er tot het eind der tijden blijven. Deze constatering stelt de christelijke theologie voor een bijna onoverkomelijk probleem. De Schotse filosoof David Hume (1711-1776), grootmeester van de scepsis, heeft het dilemma van het bestaan van het kwaad en het bestaan van een almachtige, goede God scherp en zonder omhaal van woorden geformuleerd. ,,Van tweeën één: ofwel God wil het kwaad verhinderen en hij kan dat niet: dan is hij niet almachtig; ofwel hij kan het wel maar wil niet: dan heeft hij dus niet het beste met de mens voor.''

Uit dat alternatief moesten de theologen en de theologiserende filosofen kiezen. Hun beeld van de volmaakte God stond niet toe dat hij in één opzicht - zijn macht - onvolmaakt zou zijn: het eerste alternatief was uitgesloten. Dus moest men in het reine zien te komen met het tweede. Maar ook dat bracht hen in verlegenheid: een God die blijkbaar niet het beste met de mens voorheeft, terwijl dat wel in zijn vermogen ligt.

De rechtvaardiging van een almachtige, goede God in het licht van het kwaad en het daaruit voortvloeiende leed voor de schepselen, is de geschiedenis ingegaan als de theodicee. De eerste moderne filosoof die zich uitvoerig over deze kwestie gebogen en er zelfs een heel boek aan gewijd heeft, Die Theodizee (1710), is Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716). Hij brengt het probleem van de theodicee in verband met de menselijke vrijheid. Hij redeneert als volgt. Natuurlijk had de almachtige en goede God een in alle opzichten volmaakte wereld, een wereld zonder kwaad, ziekte en leed, kunnen scheppen. Maar omdat het kwaad het gevolg is van de zonde, is een volmaakte wereld een wereld zonder zonde. Met de zonde verdwijnt tevens het vermogen van de mens om te zondigen. Hij doet dus noodgedwongen altijd het goede. Hij kan niet meer kiezen het goede te doen en het kwade na te laten, of omgekeerd. Kortom, hij is niet meer vrij. Vrijheid echter is zo'n groot goed dat een wereld-zonder een zeer onvolmaakte zou zijn. En trouwens: wat is een mens zonder vrijheid? - niet meer dan een dier.

Vrijheid is essentieel voor de mens; het onderscheidt hem van alle andere wezens. Vrije wil en het niet-bestaan van de zonde is logisch tegenstrijdig. Nu kan God veel, maar scheppen in strijd met de logica is zelfs voor hem een brug te ver. God schiep de mens dus vrij, ook al voorzag hij dat Adam al die vrijheid zou misbruiken. Het kwaad in de wereld is dus eerder een argument vóór dan tegen de goedheid van God. God heeft van alle logisch mogelijke werelden de beste geschapen.

Deze constatering van Leibniz, die de christelijke theologen hebben omarmd, is een filosofische gemeenplaats geworden, ze is veelvuldig onderwerp van spot en morele verontwaardiging geweest - Voltaire's Candide ou l'Optimisme is zelfs een uitgesponnen satire op Leibniz' frase.

Leibniz' rechtvaardiging van God veronderstelt een persoonlijk godsbeeld: alleen een persoon kan gerechtvaardigd worden, niet een oorzakelijke opeenvolging van gebeurtenissen. Leibniz gaat uit van een vrije relatie van God tot de wereld, als die van een persoon tot zijn daad. God had, volgens Leibniz, de keuze om al dan niet de wereld te scheppen; bovendien had hij de keuze wat voor een wereld hij zou scheppen.

Deze vooronderstelling van Leibniz werd veertig jaar vóór Die Theodizee reeds als willekeurig en daarom als ontoelaatbaar weerlegd door Spinoza in zijn 'Ethica', een werk waarin de grootste diepzinnigheid samengaat met een kristalheldere redeneertrant, twee kwaliteiten die elkaar, helaas, maar al te vaak uitsluiten.

Volgens Spinoza is de schepping niet een vrije daad van een persoonlijke God, maar het noodzakelijke gevolg van het goddelijke wezen. Net zomin als we een hond ter verantwoording kunnen roepen dat hij blaft en niet miauwt, kunnen we God ter verantwoording roepen dat de wereld eruit ziet zoals zij eruit ziet. Het is logisch onmogelijk dat gebeurtenissen, zelfs de toekomstige, anders zouden zijn dan ze zijn. Alles is de noodzakelijke manifestatie van Gods natuur. Zelfs God kan de wereld niet anders maken dan ze is; het ligt niet in zijn vermogen zelfs maar het onbenulligste voorval een andere wending te geven. Tegelijk met de vrijheid van God verdwijnt, in Spinoza's visie, ook de noodzaak om God te rechtvaardigen.

,,Velen redeneren als volgt: Indien alles uit de noodwendigheid van de allerhoogste aard van God is voortgevloeid, waarom zijn er dan zoveel onvolmaaktheden in de Natuur? Vanwaar dit bederf, tot rotting toe; vanwaar verwarring, kwaad, zonde enzovoorts? De verklaring is simpel. De volmaaktheid van de dingen moet uitsluitend naar hun eigen aard en vermogen worden beoordeeld en dus zijn de dingen niet meer of minder volmaakt omdat zij 's mensen zinnen strelen of beledigen, omdat zij bij de menselijke aard passen of ermee in strijd zijn.'' Aldus Spinoza, die hiermee de kwalificaties 'goed en kwaad' herleidt tot wat ze zijn: gebrekkige oordelen van de mens die niet in staat is het geheel van de schepping te overzien, maar alles op zichzelf betrekt. In het licht van de eeuwigheid beschouwd, verdwijnen alle inadequate, menselijke waardeoordelen. Zelden heeft een filosoof de mensheid een beter troostmiddel aan de hand gedaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden