Godfried Bomans is zeven jaar en loopt langs het Spaarne. Het sneeuwt, het is vijf uur in de middag, het is al donker.

Op een zondag in het voorjaar van 1967 hield Godfried Bomans een preek in een kerk in Spijkenisse. Bij die gelegenheid vertelt hij iets over wat hij zijn eerste religieuze ervaring noemt, maar wat hij later omschrijft als 'een gevoel van totale ontheemdheid'. 'Waarom durfde Bomans de gebeurtenis aan het Spaarne niet voluit religieus te noemen?', vraagt Jan Oegema zich af. 'Omdat ze niet harmonieus was. Geheimzinnig, betoverend, dat wel, maar ook vreesaanjagend, afgrondelijk.'

Sinds de rode auto door mijn bestaan rijdt, ben ik een vraagtekenmens. Ik was vier en een dag op pad met mijn opa. In dienst van de landbouwcoöperatie tufte hij in een Volkswagen bestelbus langs de boerderijen. Koffie, thee, brood, frisdrank, vaatdoekjes, zwabbers - de bestelbus zat tot de nok toe volgestouwd. De Volkswagen rook lekker, mijn opa ook. Hij droeg een zwart manchester colbert - heerlijk om je als kind tegen de zachte ribbels te vleien. In dat zwart hing een zweem van kruidige buitenlucht, vermengd met vlaagjes Caballero, mijn opa's sigarettenmerk.

Alles was in orde - tot ik de rode auto in rechte lijn van rechts naar links zag gaan. De Volkswagen stond bij een boerderij op het erf, mijn opa was naar binnen verdwenen met de boodschappen. Ik zat te wachten op de passagiersplek en koekeloerde door de voorruit. En daar kwam hij. Zonder chauffeur. Echt waar. De rode auto snelde langs de populieren zonder een meneer achter het stuur. De auto reed zichzelf.

'Ie ziet ze zeekr vlieng', lachte mijn opa toen ik hem vertelde wat ik had gezien. Zijn lach stelde me niet gerust.

De rode auto rijdt nog altijd door mijn hoofd. De chauffeur is nimmer ingestapt, hij heeft een aluminium vraagteken geplant tussen mij en de wereld. Ik kan me niet herinneren als kind ooit het gevoel te hebben gehad dat ik volledig in harmonie was met de dieren, de bloemen, de mensen. Hier was mijn hoofd, daar waren de dingen. Het hoofd registreerde, soms in stille verbijstering. Zo jong als het was. Het zat vast aan een gelukkig jongetje met een atonale ziel. Het leven was mooi en toch bleef er iets knagen.

Nu weet ik het woord ervoor. Ik voelde me een vreemdeling. Ik was op de aarde gedropt zonder nog enige notie dat ik misschien elders vandaan kwam.

Elders? Ik zou niet weten wáárvandaan.

Deventer

Vijftien kilometer ten westen van mijn geboortestreek ligt de IJssel, de rivier waar God soms in kijkt om zichzelf in de spiegel te kunnen zien. Tegenwoordig wandel ik regelmatig stroomafwaarts over de dijk naar Deventer, ooit stad van de Moderne Devotie. Ik tuur naar het wielende water, tuur in de ruimte erboven, ook op bewolkte dagen een speelplaats van licht. Eigenlijk heb ik die het liefst, dagen met een oneffen wolkendek, met vlekken helder melkwit tussen de dikke grijzen. Het is alsof je omhoog gezogen wordt, alsof je er ieder moment in kunt verdwijnen.

Ondertussen stroomt het water door en vraag ik me af: hoe is het in hemelsnaam mogelijk? Hoe kan het zijn dat ik hier op deze dijk sta, dat ik dit alles zie? Waarom zit ik in een lichaam en wat doet dit lichaam hier, op deze tijd, op deze plek? Wie heeft dat licht gemaakt en waarom is dat licht alleen niet voldoende? Terwijl sereen geluk mijn aderen vult, begint het in mijn hoofd te knerpen.

's Nachts is het soms nog erger. Een tijdje terug had ik een droom waaruit ik af en toe wakker schoot, zo tegen vier uur, halfvijf. Ik zweef naast een ruimteschip dat zich halverwege maan en aarde bevindt en ik staar beurtelings van de aarde naar de zon. Langzaam zie ik ze elkaar naderen en ik weet wat dat betekent: die knappende, knetterende, bulkende, bulderende gasbol zal straks met ongenadig tumult het blauwe juweel veranderen in een pandemonium van stoom en brand. Al het bevaarbare water verdampt, bossen en steden verblakeren onder de nucleaire hitte. (Ik geloof dat ik deze droom te danken heb aan astronaut André Kuipers. Op tv hoorde ik hem vertellen hoe hij op zeker moment uit het raampje van de spaceshuttle keek en de Afsluitdijk zag liggen. Op dat moment, verklaarde hij, realiseerde hij zich voor het eerst hoe kwetsbaar onze planeet is.)

Die ontbindende blik van mij, ik weet er niet goed raad mee. Kijk ik omhoog naar de zon, dan denk ik: hallo, levensbrenger, maar ook: hallo, crematorium van later. Hoor ik een dichter zingen van sterren, dan mompel ik: zo is het toch niet. Koop een boek van Stephen Hawking of Govert Schilling, lees een paar bladzijden over zwarte gaten, donkere energie of dito materie (fysici kennen slechts 5 procent van de inhoud van het heelal, naar de andere 95 procent moeten ze vooralsnog raden) en je sterren verliezen al hun metaforische pracht. We zitten opgesloten in een spookachtig universum, verschrikkelijk mooi en verschrikkelijk krankzinnig. Ontstellend, in alle richtingen.

Grijs staal

Voor mij begint religiositeit met verbijstering. Ik durf dat te zeggen, nu ik sinds kort een preek ken van Godfried Bomans. Bomans? Een preek? Jazeker. Op een zondag in het voorjaar van 1967 hield hij op uitnodiging van een oecumenische werkgroep een preek in een kerk in Spijkenisse. Bij die gelegenheid vertelt hij iets over wat hij zijn eerste religieuze ervaring noemt. Geen bijzondere gebeurtenis, verzekert hij, wel een ingrijpende.

Bomans is zeven jaar en loopt langs het water van het Spaarne. Het sneeuwt, het is vijf uur in de middag, het is al donker. Toch kan hij alles goed zien, de deken die zich om de stad vouwt, geeft een toverachtig schijnsel af. De jonge Godfried vertraagt zijn tred, staat stil en dan gebeurt het.

'Ik zag geen bomen, maar groene pilaren met een pluim erop. Ik zag geen meeuwen, maar vreemde gedaanten uit het niets opdoemen en weer verdwijnen. Ik zag geen water, maar een plaat van grijs staal. Alles was nieuw. Alles was totaal onbegrijpelijk. Ook ikzelf. Ik keek langs me heen. Ik zag twee benen, die in stukken leer eindigen en dacht: zo ver loop ik door. Ik zag twee handen en dacht: ik ben ik. Maar wie is ik? Plotseling stond een wezen, dat op de griffeldoos met G.B. werd aangeduid, in een volkomen onbekende wereld. De dingen hadden geen naam meer, de etiketten waren afgevallen []. Ik zag alles voor het eerst, als een pasgeborene. Waarvoor diende het allemaal, wat was de betekenis van de dingen? En vooral: waarvoor ben ik er en wat doe ik hier eigenlijk? Waar kom ik vandaan? Waar ga ik heen? Uit die panische radeloosheid wordt elke godsdienst geboren.'

Ik hoorde dit fragment voor het eerst tijdens een lezing en was met stomheid geslagen. Er was kennelijk nóg iemand aan wie de wereld al vroeg verscheen als een metalen vraagteken. (Eentje van grijs staal, in zijn geval.) Naderhand moest ik glimlachen, want hoe dom is het om te denken dat je als mens ooit ergens de enige in bent. Toch heb ik de vervreemding waarmee ik het onder- en bovenmaanse gadesla lang verzwegen als een afwijking die een religieus georiënteerd mens niet past. Het een kon niet samengaan met het ander.

Bomans verloste me van die gedachte. Een bevrijding. En hij gebruikt een woord dat me raakt, omdat ik me er voorzichtig in herken: ontheemdheid. Hij doet dat in de zinnen die direct aansluiten op de voorgaande: 'Dit gevoel van totale ontheemdheid is op zichzelf geen religieuze ervaring, maar gaat daar wel aan vooraf. Het is een voorwaarde, in die zin dat er niet aan een antwoord gedacht mag worden eer men door die verbijstering vaak en grondig is fijngemalen.'

Opmerkelijk is dat Bomans al schrijvend van gedachten verandert. Hij tobt met de vraag hoe hij zijn jeugdherinnering moet interpreteren. Als hij begint te vertellen, spreekt hij onomwonden over 'mijn eerste religieuze ervaring'. In tweede instantie lijkt hij daar niet meer zo zeker van. Religieus of pre-religieus? Deze aarzeling komt voort uit de inzichten van de volwassen Bomans, niet uit die van de jongen met de griffeldoos. Het is overigens goed te bedenken dat de laatste ten dele een fabrikaat is van de eerste; elke herinnering wordt gekleurd door de mentale staat van de herinneraar.

Krishna

Religies ontplooien zich als telkens veranderende zettingen van een reeks gelijkblijvende thema's. De ontsteldheid die Bomans beschrijft is allesbehalve een ontdekking van de twintigste eeuw, hoewel die eeuw er sinds Einstein verontrustende dimensies aan heeft toegevoegd. De religieuze klassiekers leveren indrukwekkende getuigenissen van de ontbindende blik, in vele variaties en gradaties. Arjuna's visioen in het elfde hoofdstuk van de Bhagavad Gita, Jezus' uitroep van verlatenheid aan het kruis, Dante's evocatie van de steeds ijselijker ringen in de diepten van het Inferno: het zijn voorbeelden van teksten waarin de sluier van Maya wordt weggetrokken en de menselijke intuïtie de vrije teugel krijgt.

Het meest onheilspellend gebeurt dat in de Baghavad Gita. Held Arjuna moet vechten, maar aarzelt op het moment dat hij de legers in slagorde tegenover elkaar ziet staan. Hij raakt in gesprek met zijn wagenmenner, Krishna, die hem voorhoudt dat de mens zich dient te schikken in zijn lot. Een krijger ontkomt niet aan doden en bloedvergieten, hooguit aan de wroeging daarover, ingeval hij zich oefent in belangeloos handelen. Juist de krijger dient zich te voegen naar de eerste regel van de schepping, die vernietiging eist omwille van vernieuwing en voortgang.

Om die regel in te scherpen, toont Krishna Arjuna twee van zijn kosmische gedaanten. Eerst verschijnt hij als de God der goden, behangen met sieraden, geurend naar kostbare zalven en oliën, de stralende krachtbron waaruit alle leven ontspruit. Even daarna als de demon die datzelfde leven verzwelgt: een hemel vullend, meerkoppig monster met gloeiende ogen en kaken vol slagtanden. Daartussen bungelen de strijders die straks, in de veldslag die komen gaat, zullen sneuvelen.

Zo krijgt Arjuna als eerste sterveling te zien wat voor stervelingen beter verborgen kan blijven. Hij krijgt een blik vergund in het eeuwig veranderlijke Nu, met zijn Januskop van schoonheid en destructie. 'Ik ben de Tijd', verklaart Krishna-de-verschrikkelijke, 'de Aloude, de god die de wereld verdelgt. Ik ben hier gekomen om werelden te vernietigen. Ondanks uw inspanningen zullen de krijgers op het slagveld de dood niet kunnen ontlopen.'

Gelukkig voor Arjuna herneemt Krishna zijn menselijke gedaante en kunnen zij in alle rust hun gesprek voortzetten. Het visioen sluit zich, de werkelijkheid herneemt haar vertrouwde gedaante. Verbijstering en ontreddering maken plaats voor vertrouwen, overgave, kalme contemplatie, dankbaarheid. Iets soortgelijks gebeurt in de evangeliën, die willen verzekeren dat Jezus' verlatenheid slechts een laatste beproeving is voorafgaand aan de wederopstanding. Zo ook in de Divina Commedia, het drieluik dat de lezer ná het Inferno naar rustiger oorden leidt en uiteindelijk beloont met een visioen van het menselijke gezicht van God (tevens het goddelijke gezicht van de mens).

Ziehier een basisfiguur in de religieuze verbeelding: zij roept het verschrikkelijke op, vooral om het vervolgens te kunnen toedekken. Te kunnen bezweren. In godsdienstoefeningen gebeurt dat door middel van gebeden, rituelen, richtlijnen voor het juiste handelen, die alle ten doel hebben de hiërarchie van goed en kwaad, van orde en wanorde te herbevestigen.

Verbinden, verbinding

Bezweren, kalmeren: dat is voor de oudere Bomans de taak en essentie van religie. In zijn laatste levensjaren - zo lees ik in een mooi boek van Tjeu van den Berk, Het numineuze - woog de verbijsterende kant van het bestaan voor hem zwaarder dan de troostvolle. Tegelijk raakte hij steeds sterker doordrongen van het nut van de liturgie, bij voorkeur de katholieke, met haar zin voor mysterie en haar rijke, theatrale vormen. De mis heeft als functie grenzen te doorbreken waarvoor het verstand liever stilhoudt en die het toch overschrijden moet, wil het psychisch gezond blijven. Bomans beaamde de woorden van Gerard Reve: in de mis ondervindt de mens dat het allemaal zo erg nog niet is, want per slot van rekening moest ook God sterven.

Met deze visie schaart Bomans zich achter de populaire uitleg van de term religie, die men graag afleidt uit het Latijnse werkwoord 'religare': verbinden. Met een beroep op de innerlijke wijsheid van de taal geeft men zo uiting aan het verlangen naar harmonie en heelheid, waarvoor religie - als term, als fenomeen - borg wil staan. De mens verbindt zich of verbindt zich opnieuw (re-ligare) met God, zijn voorouders, Brahma, Tao, de natuur, de Boeddha-natuur, Tillichs ground of being, het levensmysterie en met dit al, linksom of rechtsom, met het heelal, een woord dat je in theologische en aanverwante literatuur regelmatig gespeld ziet met spatie en hoofdletters: Heel Al.

Helaas willen de etymologische feiten anders, ze fluisteren niet de taal der wijsheid. Zeker is dat religare uit de Middeleeuwen stamt; kerklatijn derhalve dat niet deugt als referentie. Het substantief 'religio' gaat mogelijk terug op 'religere', dat uitkiezen of uitlezen betekent (maar waarvan?), of op 'relegere', in acht nemen, zulks van de goddelijke voorschriften.

In dat laatste geval staat het substantief voor observantie en duidt het op het eerbiedigen van bepaalde leefregels. Hoe het zij, de herkomst van de term valt niet eenduidig vast te stellen.

Ik vind dat eigenlijk wel prettig, ik heb moeite met de standaarduitleg van religie. Echt verbonden voel ik me alleen met mijn naasten, met de mensen met wie ik dagelijks verkeer of tweewekelijks mediteer; buiten die kring verliest de notie haar vanzelfsprekendheid. Ik ken de liefde, de lankmoedigheid, de verantwoordelijkheid, deugden die ik zonder al te veel zelfverloochening redelijk in praktijk weet te brengen - evenals trouwens hun tegendelen. Maar verbonden, in de plechtige zin die het begrip religie gemeenlijk veronderstelt, met al zijn universele, buitentijdse en kosmische implicaties? Ik leef in elk geval niet in een Heel Al, iets wat ongetwijfeld zal gelden voor veel meer religieus gestemden.

Natuurlijk, wanneer ik langs de IJssel loop en geniet van de tweespraak tussen licht en water, dan tintel ik van verwondering. Wat ligt er ook dichter bij het licht dan het licht van de ogen? Wat is er menselijker dan in deze sferische schoonheid de hand of de spiegel Gods te zien? Wat een troost zou het zijn wanneer iemand alsnog kon verzekeren dat zulke beeldspraak op waarheid berust. Maar waarheid is een veelkoppige dame, daarbij niet zelden een furie met lak aan moraal. Zelfs al sta ik acht kilometer ten zuiden van Deventer op een van de mooiste plekken ter aarde, zelfs dan blijf ik me vagelijk bewust van al hetgeen de stratosfeer aan het gezicht onttrekt. Ik kan dat nooit helemaal vergeten, kan het desgevraagd in een handomdraai tevoorschijn roepen

Snijd het schildersdoek open, gluur door de inkeping en bedenk wat een bijdetijdse Krishna ons zou laten zien. Hij zou beginnen met beelden van een kosmische liefdesdans, bijvoorbeeld aan de hand van fraai gemanipuleerde foto's afkomstig van de Hubble-telescoop. Maar de schitterende kleuren daarvan tempert hij alras tot een akelige duotoon, opgebouwd uit zuigende zwarten en helbleke lijktinten. De harmonie der sferen verandert hij voor je ogen in een astraal Bagdad: een symfonie van bomexplosies. En hij zal je vertellen over een merkwaardig vehikel dat sinds mensenheugenis door het universum toert, een onbemand voertuig met ladingen semtex in de kofferbak. Als je goed kijkt, zie je het soms even: een rood dwaallicht in het door bliksem geteisterde kerkhof van de kosmos.

Craquelé

Wat bedoelt een mens precies wanneer hij zegt dat hij religieus is? Probeer daarop een antwoord te geven, en je stuit weldra op een vergelijkbare aporie als Augustinus, broedend op het wezen van de tijd. Als niemand je ernaar vraagt, weet je het; maar zodra iemand aandringt, begin je te hakkelen. Die verlegenheid behoort ongetwijfeld tot de kenmerken van moderne devotie.

Zoals eventueel ook de vervreemding, de verbijstering. Uiteraard beweer ik niet dat iedereen deze gesteldheden kent, evenmin dat zij nagelnieuw zijn. De gnostici, deze borelingen van een ánder licht en daarom niet de favorieten van Augustinus, beschouwden zichzelf als banneling of vreemdeling, als acteurs beland in het verkeerde theater. De gezworen dualisten onder hen zagen alom bewijzen van vijandigheid tegenover het ontwaakte individu. Hun achterdocht en breidelloze fantasie mogen nu merkwaardig aandoen, hun zin voor het absurde en het onvanzelfsprekende blijft moeiteloos herkenbaar. Getuige de literatuur en de filosofie van de twintigste eeuw lijkt hij actueler dan ooit.

Toen Bomans zijn jeugdherinnering boekstaafde, deed hij dat niet als gnosticus, evenmin als existentialist (hoewel zijn relaas verrassende overeenkomsten vertoont met de sleutelscène uit Sartre's roman Walging). Hij, aartstwijfelaar, deed dat als half-gelovige, als man met grote sympathie voor religie in het algemeen en het christendom in het bijzonder. Waarom durfde hij de gebeurtenis aan het Spaarne niet voluit religieus te noemen? Omdat ze niet harmonieus was. Geheimzinnig, betoverend, dat wel, maar ook vreesaanjagend, afgrondelijk. Het jongetje van zeven werd uit de taal, uit de tijd geduwd. De wereld openbaarde zich als volkomen nieuw - en als volkomen naakt. Godfried stond erbij en keek ernaar.

Ik vermoed dat veel lezers onwillekeurig voor het jongetje van zeven zullen kiezen, zoals Bomans in zijn hart natuurlijk ook deed. Wat je als volwassene in een kerk of in een meditatiekring ook mag meemaken, het zal niet snel de intensiteit krijgen van de jeugdervaring die de toon zou zetten van Bomans' leven. Er is geen reden die grondtoon het predikaat religieus te onthouden, tenzij je wetenschappelijke of theologische, moralistische of therapeutische overwegingen wilt laten prevaleren.

Elke gedachte, droom, sensatie die je doet beseffen geworpen te zijn in een wereld die geen mens had kunnen bedenken, die geen Adam kan benoemen en geen Einstein kan verklaren (hooguit beter beschrijven), is wat mij betreft religieus. De sprakeloosheid van een moeder over haar pasgeboren kind, de stille piëteit van een gelovige tegenover een piëta, Bomans' fijnmalingen sinds die eerste in het winterse Haarlem, de duizeling van Sartre's hoofdpersoon Roquentin in Walging (niet te verwarren met diens interpretatie ervan) - ik maak er geen verschil tussen.

Religiositeit is de snaar gespannen tussen verwondering en verbijstering. Zodra hij begint te trillen, trekt er een vliegensvlug craquelé door het glimmende schilderij van ons geordende bestaan. Wel trilt die snaar bij de een harder dan bij de ander. Ongeacht kerkgang of kerkhaat.

Inclusief

Ik ben voorstander van een onbevangen, inclusieve definitie van religiositeit (die van religie laat ik voor dit moment rusten). Zo'n definitie omsluit niet alleen sensaties van harmonie, eenheid, eenwording, geluk, gelukzaligheid, overgave, verlossing, vertroosting, ontroering, verbondenheid, solidariteit, maar ook van ontzetting, verlatenheid, onbegrip, hulpeloosheid, grondeloosheid, angst, verscheurdheid, absurditeit. Zij plaatst deze termen als gelijkwaardige noties naast elkaar, zonder vals spel te spelen. De tweede reeks is er niet omwille van de eerste, omwille dus van de beproeving, de loutering; hij heeft waarde en betekenis in zichzelf. De mens die niet of slechts met moeite via de tweede reeks bij de eerste uitkomt, is wellicht onfortuinlijker, maar daarom in mijn ogen niet minder religieus, laat staan religieus minderwaardig.

Eigenlijk heeft die mens mijn sympathie (en dat zeg ik uiteraard zonder iemand te kort te willen doen). Naar aanleiding van een van mijn essays kreeg ik een brief van een arts die na haar opleiding had besloten naar Afrika te gaan. Zij ging er werken in een groot kindertehuis, om de naastenliefde in praktijk te brengen daar waar ze het allernodigst is: bij wezen en vondelingen in een derdewereldland. Tijdens haar studie had ze met overtuiging de liederen van Huub Oosterhuis gezongen, vol meegevoel met de verdrukten der aarde. Eenmaal in Afrika zag ze in dat die liederen niets te maken hadden met de realiteit van die hulpbehoevende kinderen, van wie een flink deel besmet was met hiv.

'Ik keek in de ogen van die ongelukkige kinderen en begreep opeens dat ik hén nodig had in plaats van andersom. Zij waren de vervulling van mijn idealen, mijn christendom. Een gruwelijk moment. Alsof het midden in de zomer plots winter werd. Alle bomen verloren hun blad. IJskoud werd ik van binnen. Op een avond zat ik aan de oever van de rivier nabij het tehuis en ik wist: ik geloof niet meer. En in feite zit ik nog steeds bij die rivier. Ik heb geen houvast meer. Het is een ellendig gevoel en het keert dikwijls terug. Het heeft vele ingangen, variaties. Het kan me enorm onderuit halen en eenzaam maken. Maar het is ook een krachtbron, het kan me werkelijk laten leven, werkelijk laten zijn. Een ingewikkelde tegenstelling, ik weet er niet altijd raad mee.'

Ik ben geneigd te denken dat deze ene alinea even veel religiositeit bevat als een handvol liederen van Oosterhuis. De voormalig hulpverleenster (nu huisarts te Rotterdam) verloor de ene god, maar kreeg er een andere voor terug: die van de ontvankelijkheid, de luciditeit. De snaar gespannen tussen verwondering en verbijstering vibreert nog steeds in haar, hoewel volkomen anders dan vroeger. Grote kans dat zij in een latere fase in haar leven zal zeggen dat ze in Afrika voor het eerst ervoer hoe 'het veld van het zijn' wortelt in 'het veld van de leegte' (met termen ontleend aan een Japanse boeddhist).

Zelf heb ik nooit zulke ontredderende ervaringen gehad als de arts of als Bomans. Mijn ontheemding schuilt in een altijd aanwezig besef van de vreemdheid, de onbegrijpelijkheid van alle leven. Inderdaad, soms voel ik me een vreemdeling. Alsof ik hier niet thuishoor. Dat idee bekruipt me vooral als ik omhoog kijk, naar het licht. Naar het melkwit tussen de muisgrijze wolken. Daar kan ik raar van worden. Gelukkig, verloren en gekweld tegelijk. Ongeveer zoals Roquentin ná zijn innerlijke belevenissen in het park, wanneer hij zijn verwondering uitspreekt in zinnen die je gelet op de reputatie van Sartre's roman niet zou verwachten.

'Toen ik me bij de uitgang nog eens omdraaide, glimlachte het park naar me. Ik leunde tegen het hek en bleef lange tijd staan kijken. De glimlach van de bomen en van het laurierbosje had een betekenis; in die glimlach lag het geheim van het bestaan besloten. [] Was die voor mij bestemd? Geërgerd besefte ik dat ik absoluut niet in staat was er iets van te begrijpen. Niets begreep ik ervan.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden