Godert van Colmjon 1943-2009

Journalist Godert van Colmjon scoorde als tiener hits met The Butterflies. Het NSB-verleden van zijn familie bepaalde zijn wereldbeeld.

Een zwart-witte platenhoes met twee jongens erop, keurig in pak met vlinderdasje. Ze kijken olijk de camera in en steken ieder een hand op voor een schaduwspel op de wand achter hen. De jongste is ruim anderhalf hoofd kleiner dan de oudste, een kind nog. De manier waarop de jonge Godert van Colmjon en zijn oudste broer Luc het ineens tot beroemd duo schopten klinkt als een jongensdroom.

Het was midden jaren vijftig, de twee tieners zongen op een feestavond in Amersfoort wat covers van bestaande hits, een enthousiaste recensent van de Amersfoortse Courant belde met Philips en een week later lag er al een platencontract voor The Butterflies.

In 1956 scoorden de jongens een heuse hit met ‘Dixieland’. Godert was toen dertien en moest bij optredens op een kistje staan om door dezelfde microfoon te kunnen zingen als de veel langere Luc. Twee jaar later waren ze nog eens heel succesvol met ’Willem word wakker’, op de melodie van ’Wake up little Suzy’ van de Everly Brothers. Er volgden nog wat grotere en kleinere hits. Godert acteerde ook in toneelstukken die de Vara op televisie bracht, en speelde in de tv-serie Pipo de Clown. Met de oude acteur Jan Lemaire nam hij de ’Zuiderzeeballade’ op en ook het nummer ’Brigitte Bardot’ werd een hit. Begin jaren zestig, de jongens waren inmiddels geen vertederende tieners meer, was het zo’n beetje voorbij met The Butterflies.

Toch leek Godert van Colmjon, ondanks de zegeningen van het succes, niet in de wieg gelegd voor de lichtvoetige amusementswereld. Als hij terugkeek op deze periode herinnerde hij zich wel de euforie van de gedachte aan ’beroemd worden’. Maar anderzijds vond hij de optredens een bezoeking: de angst als hij weer eens voor een theaterzaal gevuld met volwassenen 'in de etalage was gezet’ voerde de boventoon. In een nog niet gepubliceerd essay waaraan hij in zijn laatste levensjaar werkte beschreef hij die angst, dat de mensen in het publiek niets mocht merken van het „hoge toerental waarmee mijn jongenshart zich aan het leven vastklampte. Ze kregen de jeugdige spontaniteit, vrolijke onschuld en heldere jongenssopraan waarvoor ze aan de kassa betaald hadden.” Ook toen al ging zijn hart uit naar ernstiger zaken, naar iets onbegrijpelijk moois als de muziek van Robert Schumann die bij de pianolerares op hem wachtte. Klassieke muziek, beeldende kunst, literatuur – bij voorkeur de Duitse dichters en denkers: het werden later de vensters die andere, wijdere werelden voor hem zouden openen dan het kleinburgerlijke milieu van zijn ouders.

Er was nog iets anders aan de hand met het succes van The Butterflies, dat ook leek te dienen om de donkere schaduwen die over het gezin Van Colmjon hingen te verdrijven. Zijn eerste stappen zette de kleine Godert in Amersfoort namelijk op de schoentjes die zijn grootvader, meesterschoenmaker, na de oorlog voor hem sneed. Dat klinkt als een degelijk fundament, maar voor hem waren het stappen in een „boze buitenwereld’’, zoals hij het bijna een jaar geleden in zijn laatste essay in het katern Letter & Geest van deze krant omschreef. Grootvader gaf zijn professionele inzet en toewijding namelijk niet alleen aan de horrel- en de platvoet. Ook de SS-laarzen die in het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort werden gedragen, kwamen uit zijn werkplaats. Van Colmjon wilde maar dat hij kon uitsluiten dat de SS-laarzen van zijn grootvader de Duits-Joodse filosofe Edith Stein, via Amersfoort op weg naar Auschwitz, de kampbarak hadden ingedreven.

Zijn grootvader, zo vertelde hij in maart 2008 in een interview in Opinio, was een van de vroegste leden van de NSB. Zijn zoon en diens vrouw werden eveneens lid. Net als hij werden ze na de bevrijding in kamp Amersfoort geïnterneerd. Toen vader Van Colmjon als laatste in 1947 terugkeerde hadden ze niets meer, zelfs hun Nederlanderschap was ingeleverd. Vader vond met moeite een baantje. Er was gebrek aan alles. De kinderen werden erop uitgestuurd om eten te halen bij het Leger des Heils of het abattoir. Er waren de ontwijkende blikken, de vriendjes bij wie hij niet thuis mocht komen. Met het succes van de jongens kwam er een ongewone vorm van rehabilitatie voor het gezin. En het broodnodige geld.

Alleen bleef voor de jongens, die het voor die tijd astronomische bedrag van zo’n veertigduizend gulden bij elkaar hadden gezongen, niets over. Zelfs de spaarbankboekjes en de fiets die vader beloofd had kwamen er niet: alles was nodig voor de eerste levensbehoeften. Toen Godert van Colmjon naar het conservatorium ging om er dwarsfluit en piano te studeren, kwam hij niet in aanmerking voor een beurs maar moest hij alles zelf bij elkaar verdienen.

In 1968 probeerde Van Colmjon nog een muzikale comeback te maken met de Engelstalige single ’Spring lives on the border’, maar zonder succes. Uiteindelijk belandde hij in de journalistiek. Voor hij in 1982 naar de Amersfoortse Courant kwam, werkte hij bij de Vara-radio, bij het weekblad Luister en als publiciteitsmedewerker bij theater Gooiland in Hilversum. Bij de Amersfoortse Courant kwam hij bij de kunstredactie. Volgens zijn voormalig hoofdredacteur Arjeh Kalmann deed hij dat met enorme kennis van zaken, met onnavolgbaar mooie zinnen en met keiharde oordelen. Zo nam hij het plaatselijk muziek- en tamboerkorps de maat alsof ’t het Concertgebouworkest was.

In de loop der jaren ging hij zich steeds meer met de Tweede Wereldoorlog bezighouden. Vooral nadat hij oud-verzetsman Gerrit Kleinveld leerde kennen, de man die uit Kamp Amersfoort was ontsnapt.

Kleinveld was de sleutel tot het verhaal dat na zijn vut bij de Amersfoortse Courant voor beroering zorgde. In 2005 onthulde Van Colmjon in NRC Handelsblad dat de dichter Jan Campert, schrijver van het beroemde verzetsgedicht ‘De achttien doden’, in het Duitse concentratiekamp Neuengamme niet van uitputting was gestorven, maar door kampgenoten zou zijn omgebracht. Campert zou namen van verzetsmensen aan de Duitse kampleiding hebben verraden. Er was twijfel en een schok: de enige bron voor deze onthulling was de inmiddels overleden blokoudste van Camperts barak, Jan van Bork, die het ooit aan Kleinveld had verteld. Tegelijkertijd overwoog de Jan Campertstichting een naamswijziging. Dat gebeurde uiteindelijk niet. Van Colmjon ergerde zich aan de manier waarop de naam van Campert per se ontlast diende te worden. Hij kon in dit soort zaken volkomen compromisloos zijn.

De gedachte kwam wel eens bij hem op dat hij aan het vechten was voor zijn rehabilitatie als kind van NSB-ouders, vanuit een onbedwingbare behoefte om goed te maken wat zijn ouders aan politieke en morele moed had ontbroken, zei hij in Opinio. Het stuk over Campert was in zijn ogen bedoeld als rechtzetting van een uit zijn voegen gegroeide mythe van nationale proporties. „Dat, toen het erop aankwam, die man helemaal niet de morele intenties had van blijven staan en in de loop kijken en noem maar op, die hij in dat gedicht beschrijft.’’

In december 2007, vlak voor kerst, werd Godert van Colmjon onwel. Hij was onderweg naar Limburg – zijn huwelijk, waaruit hij drie zonen had, was geëindigd en nu was hij op weg naar de vriendin die hij sinds tien jaar had. Hij had net de laatste hand gelegd aan het essay voor Trouw, over een verblijf in het Beierse kuuroord Bad Kissingen, waar hij met een zekere huivering bejaarde Kurgüste had geobserveerd en zich vooral afvroeg wat hij, „gespeend van elk talent voor ziekte en lichamelijk gebrek’’ daar te zoeken had? Nu bleek hij een tumor in een long en twee onbehandelbare tumoren in zijn hoofd te hebben. Vrij snel verhuisde hij naar een palliatief centrum in Heerlen. Een jaar eerder was hij gestopt met roken, maar na de uitslag begon hij er onmiddellijk weer mee. Roken vond hij heerlijk.

Van Colmjon hoopte de lente te halen. Het werd lente, zomer, herfst, en weer winter. Zijn pen moest hij neerleggen, wat bleef was vooral de muziek. Hij leefde zijn leven altijd al volgens een spreuk van de Duitse dichter Hölderlin; ’geboren te zijn voor een heldere dag’. De dag dat hij stierf, zondag 11 januari, was de laatste van een reeks mooie winterdagen met sneeuw en ijs. Een dag met een heldere zonsopgang.

Op de dag van de crematie lag een houten schoenmakersinstrument van zijn grootvader op de kist. Het werd aan zijn drie zoons doorgegeven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden