God, Nederland en Oranje

'Ende een drievoudigh snoer en wort niet haest gebroken', aldus Prediker 4 vers 12. De Statenvertaling van 1637 voegt er in de kantlijn de prozaïsche uitleg bij dat drie mensen tegenover hun vijand sterker staan dan twee. De zeventiende-eeuwse bijbelvertalers hadden niet kunnen bevroeden dat deze wijsheid van Salomo het ooit tot een nationalistische leuze zou brengen. Het drievoudig snoer werd in 1831 uit de luwte van de oudtestamentische wijsheidsliteratuur geplukt door een voorman van het protestantse Réveil, Isaac da Costa. God, beweerde Da Costa, wilde 'de Kerk van Christus met Nederlands Volk en Nassaus Prinsenstam' verbinden tot een onverbrekelijk drievoudig snoer. Zo ontstond het bekende protestantse devies God, Nederland en Oranje.

Nederlandse protestanten hebben lang iets gehad met het Huis van Oranje. Da Costa was niet de eerste die appelleerde aan de, naar hij veronderstelde, warme genegenheid van het Nederlandse volk voor de Oranjes. Die liefde voor Oranje gaat terug tot de tijd van de Vader des Vaderlands, Willem de Zwijger. De band tussen het Nederlandse protestantisme en het Oranjehuis werd eerst gesmeed in de beginfase van de Nederlandse Opstand.

Daarmee is al meteen aangegeven dat het onverbrekelijke snoer tussen protestantisme, vaderland en Oranje op toeval berust. Toegegeven, zonder dat protestantisme was er geen oproer uitgebroken in die kleine Spaanse gewesten aan de rand van de Noordzee, althans niet op zo'n grote schaal. Het is ook waar dat Willem van Oranje voor het protestantisme koos. In een beroemd geworden brief schreef hij zelfs dat hij met de 'alderoppersten Potentaet der Potentaten' een verbond had gemaakt.

Maar stel eens dat De Zwijger katholiek was gebleven en verder gewoon zijn rol als Grote Leider van de Opstand had vervuld. Dan hadden we een katholieke stadhouder in een protestantse Republiek gehad. En een roomse stadhouder, dat had best gekund. Sterker nog, een zeventiende-eeuwer had er niet eens vreemd van opgekeken. Twee eeuwen later daarentegen zou een katholieke koning onaanvaardbaar zijn geweest. De wapenkreet God, Nederland en Oranje doet dat reeds vermoeden. Het protestantse volksdeel werd toen en masse onpasselijk bij het idee dat koning Willem I een katholieke gravin zou huwen. De bruiloft in 1840 heeft pas kunnen plaatsvinden nadat de koning afstand van de troon had gedaan.

Waarom zou een protestant rond 1600 minder moeite met een katholieke prins hebben gehad dan een protestant rond 1840? Politiek betekende in de zeventiende eeuw het instandhouden van een hiërarchische orde. Het hiërarchische karakter van zo'n orde kwam het duidelijkst tot uiting wanneer aan de top een koning of keizer zetelde, des

noods een hertog of graaf. Maar al waren adellijke machthebbers wenselijk, ze waren niet noodzakelijk. Dat toont de structuur van de Nederlandse Republiek wel aan. De macht was hier verdeeld over verschillende, overwegend burgerlijke Staten en een groot aantal steden. De politieke orde was er niet minder hiërarchisch om. Zij werd in- standgehouden door een ingewikkeld complex van privileges, handvesten, beschermheerschappen en familierelaties. De Republiek was een samenleving die ongegeneerd op ongelijkheid berustte.

Een politieke orde, zo veronderstelde men, werd het beste gehandhaafd wanneer zij ondersteund werd door een uniforme, van bovenaf opgelegde godsdienstige regeling. De politieke orde was een 'confessionele' orde, belichaamd door een reeks van godsdienstige symbolen en tradities, en vastgelegd in een of meer belijdenisgeschriften. In de Republiek werd de confessionele orde definitief in calvinistische zin vastgelegd in 1651. Toen werden de uitspraken van de Synode van Dordrecht opnieuw door de politieke machthebbers bevestigd.

Door de 'calvinisering' van de politieke orde van de Republiek was het feitelijk uitgesloten dat een stadhouder katholiek zou kunnen zijn. Alle ambten die begeven werden, dienden voortaan door calvinisten te worden bekleed. Maar toch had de geschiedenis ook anders kunnen verlopen. Als de eerste prinsen van Oranje - met name Maurits en Frederik Hendrik - nóg machtiger waren geweest dan zij al waren, had er gemakkelijk een vorstelijke uitzondering op de regel gemaakt kunnen worden. In Brandenburg waren de Hohenzollerns sinds 1613 ook gereformeerd, terwijl de bevolking overwegend luthers was.

Onze hypothetische katholieke stadhouder had wel een strikt onderscheid moeten maken tussen zijn publieke functie als adellijke ambtenaar in een calvinistische staat en zijn privé-status als katholieke Oranjeprins. In de zeventiende eeuw zou dat geen probleem zijn geweest. Wanneer het doel van politiek opgevat wordt als het instand-houden van een hiërarchische orde, dan komt religie vooral neer op het handhaven van een confessie. Of het volk, laat staan een adellijke grootheid, daaraan vervolgens door innerlijke overtuiging beantwoordde, was pas in tweede instantie een kwestie van zorg. Het ging er in de eerste plaats om dat het openbare karakter van de heersende religie in stand werd gehouden.

Wat heeft dit alles nu te betekenen voor de protestantse Oranjeliefde? Het is buiten kijf dat de stadhouder door velen beschouwd werd als steunpilaar van de gereformeerde kerk. Dat geldt echter ook voor de eigenlijke machthebbers, de burgerlijke regenten. Zij waren de belangrijkste 'voedsterheren' van de kerk (Jesaja 49 vers 23), de voornaamste beschermers van de heersende rechtzinnigheid. Een stadhouder kon daarbij best katholiek zijn zonder de liefde van het volk voor zijn Huis en persoon te verspelen.

Nog in de tweede helft van de achttiende eeuw constateerde een orthodoxe dominee (die alom bekendheid genoot als gepassioneerde Oranjeklant) dat stadhouder Willem V de gereformeerde kerk altijd zou blijven steunen, zelfs als hij onverhoopt afvallig zou worden. Deze predikant beschouwde Oranje als een bewaker van de constitutie, als een functionaris van vorstelijken huize die pal stond voor het behoud van oude privileges - óók die van de kerk. Oranje was het doorluchtige, 'eminente hoofd' tot wie elke onderdaan zich kon wenden met bedes om patronage, licentie of machtsvertoon. Ook onze katholieke beschermheer had als quasi-monarchale tegenhanger van de regenten daarom aanspraak kunnen maken op 's volks Oranjeliefde. Orangisme was een uiting van verbondenheid aan een invloedrijk politiek patroon, aan een oude en gezaghebbende familie van topambtenaren die ook nog eens tot de hoge adel behoorde.

In de decennia rond 1800 werd de betekenis van politiek en religie ingrijpend gewijzigd. Voor het orangisme had dat de nodige gevolgen. Politiek werd niet langer opgevat als het instandhouden van een orde, maar als het scheppen van een nationale gemeenschap. Deze gemeenschap bestond uit burgers die onderling van nature en voor de wet gelijk waren. Het was een opvatting die ontwikkeld werd in de tijd van Verlichting en Revolutie, van vrijheids- en gelijkheidsidealen, van theorieën over volkssoevereiniteit en pogingen ze in de praktijk te brengen.

De afschaffing van het oude bestel, het ancien régime, en de vestiging van de natiestaat was een spannende, zelfs hachelijke exercitie. Zou de schepping van de vrije en mondige burger geen ernstige dreiging kunnen betekenen voor de stabiliteit van de samenleving? Stel je voor dat dit politieke experiment zou misgaan! Het was zaak te voorkomen dat burgers hun vrijheid en mondigheid ten nadele van de staat zouden misbruiken. Ze moesten worden opgevoed en onderwezen - of, zoals men in de 19de eeuw zei, ze dienden te worden beschaafd en verlicht.

De maatstaven van beschaving en verlichting werden aangereikt door het protestantisme. Want was het protestantisme niet bij uitstek de religie die vrijheid hoog in het vaandel voerde? Was de zestiende-eeuwse strijd tegen het papendom niet gestreden omwille van de vrijheid van ieder individu om zélf inhoud te geven aan zijn omgang met de bijbel? Zichzelf respecterende burgers waren per definitie protestant. Zij gingen er prat op vrij te zijn en roemden waarden als zelfstandigheid, oprechtheid, vroomheid en deugdzaamheid. Daarmee toonden zij tegelijk hun vaderlandsliefde, want de waarden van hun protestantse beschaving waren juist die waarden die de Nederlandse natie zich in de loop der geschiedenis had eigen gemaakt.

Zo werd religie van lieverlede opgevat als iets dat pas publiekelijk bestaansrecht heeft wanneer het door vrije mensen inwendig is aanvaard. Alléén een beschaving die zo'n innerlijke toe-eigening mogelijk maakte, kon de toets der verlichte kritiek doorstaan. De rooms-katholieke religie werd geproduceerd door wereldvreemde geestelijken, niet door zelfstandige burgers, zo luidde de protestantse communis opinio in de tijd van koning Willem I. Men kon de roomsen niet anders beschouwen dan als verraders van de geest der natie, die met hun bizarre sacrale handelingen, zichzelf opgelegde onmondigheid en roep om bisschoppen en processies op flagrante wijze het drievoudig snoer verloochenden.

De mythe van de innige band tussen protestantisme, Nederland en Oranjehuis stamt uit deze periode. Een diep besef van deze verwevenheid werd op school en in de kerk door onderwijzer en dominee de Nederlandse burgers ingeprent.

Voor onze denkbeeldige katholieke Oranjevorst zag het er niet best uit. Als koning der Nederlanden was hij nu de gekroonde belichaming van het protestantse vaderland. Een Nederlandse vorst diende daarom onverbiddelijk protestant te zijn. Het bleek niet langer mogelijk de publieke status van de vorst te scheiden van zijn privé-opvattingen. Willem I, de grote koopman-koning, nam voor het huwelijk met zijn roomse vriendin in 1840 maar de wijk naar Berlijn.

Intussen werd de Oranjedynastie onder de van politieke invloed verstoken middenklasse mateloos populair; als ikoon van protestantse waarden leek Oranje deze groepen bescherming te bieden tegen de dreiging die er in hun optiek uitging van de anonieme moderne staat. Onder de intellectuelen waren het vooral de protestantse conservatieven en antirevolutionairen die bij tijd en wijle een militant orangisme tentoonspreidden. En de koning deed mee aan de Oranjeretoriek. Met luide stem verkondigde Willem III (nota bene in Amsterdam) dat 'een Prins van Oranje nooit, neen nooit genoeg kan doen voor het volk van Nederland'.

Het waren woorden die de jonge Wilhelmina aan het einde van de eeuw zou herhalen. Toen was de tijd aangebroken dat ook de katholieken zich onder de zich immer uitdijende Oranjegezinde gelederen zouden scharen. Koning Willem III werd nu opgevolgd door de alom geliefde regentes Emma, en daarna door een jonge, veelbelovende prinses. De half-Russische Willem III, oomzegger van tsaar Alexander I, had als ongelikte kozak het aanzien van de Oranjes niet bepaald bevorderd.

Maar belangrijker is de ontwikkeling van de parlementaire democratie en, daarmee samenhangend, de verzuiling. Het ideaal van een nationale protestantse beschaving werd heengezonden naar het rijk der illusies. De gedachte dat politiek neerkomt op het scheppen van een nationale gemeenschap van inwendig gevormde, vrije burgers bleef echter onverkort gehandhaafd.

De ideologische tegenstellingen binnen de verzuilende maatschappij baarden de politieke en intellectuele elite grote zorgen. Hoe kon de geestelijke en politieke eenheid van het volk gewaarborgd worden, nu steeds grotere delen van dat volk stemrecht kregen? Het Oranjehuis bleek hiertoe een uitstekend, mediageniek instrument. Vooral de liberalen hebben de aanzet gegeven tot de ontwikkeling van een moderner massa-orangisme. Met liberale zegen werd koninginnedag uitgevonden, menige Oranjeoptocht georganiseerd en het fundament gelegd voor talrijke Oranjeverenigingen. Op grote schaal werd de Oranjeliefde geritualiseerd en onderdeel gemaakt van de Nederlandse politieke en culturele traditie.

Natuurlijk, Oranje deed nog steeds vooral het protestantse hart sneller kloppen. Gehechtheid aan het vorstenhuis, schreef in haar eerste nummer de ondergrondse krant Trouw (toen nog Oranje-bode geheten), maakt deel uit 'van ons diepste innerlijk wezen'. Nadrukkelijker kan de in de negentiende eeuw ontstane eis tot de innerlijke vorming van burgers als leden van een nationale gemeenschap niet worden geformuleerd.

Het moderne massa-orangisme heeft zich tot ver in de twintigste eeuw kunnen handhaven. De omstandigheden rondom het huwelijk tussen Beatrix en Claus luidden het begin van de crisis in tussen het traditionele instituut van het koningshuis en de ontzuilende Nederlandse maatschappij. Die crisis lijkt thans in een stroomversnelling te zijn geraakt. De diepere oorzaak van deze crisis, zo betoogde de filosoof Paul Cliteur twee weken geleden in Letter & Geest, is de dood van God, waardoor de monarchie haar legitimatie is ontnomen. Hoewel zijn verklaring naar mijn idee niet erg voldoet, heeft Cliteur volkomen gelijk als hij beweert dat de monarchie zich niet meer in religieus opzicht laat legitimeren.

Het koningshuis is niet langer de belichaming van de nationale gemeenschap. Niet omdat God dood zou zijn of Oranje niet zou deugen, maar omdat de invulling van politiek als het creëren van een nationale gemeenschap ons steeds meer ontgaat. Er lijken zich nieuwe opvattingen aan te dienen over wat politiek is, en wat religie. Onze vorming als burgers wordt niet langer weerspiegeld in onze inwendige aanvaarding van bepaalde nationale en religieuze waarden, maar bijvoorbeeld in ons verlangen er een authentieke en individuele levensstijl op na te houden. Ik doe mijn ding, jij doet het jouwe, en de koning doet het zijne. Onze denkbeeldige katholieke Oranjevorst heeft weer toekomst. Maar het drievoudig snoer is gebroken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden