GOD IS KUNST

In het begin van dit jaar barstte een debat over de moraal los. De liberale filosoof Andreas Kinneging hield een pleidooi voor deugden als moed, gematigdheid, rechtvaardigheid en piëteit. Een andere liberale filosoof, Paul Cliteur, riep liberalen en sociaal-democraten op naar de morele wortels van hun eigen gedachtegoed te zoeken in plaats van te flirten met het christendom. Maar valt er nog te flirten met het christendom? Of is het voorbij? Of is de toekomst aan de rooms-katholieke kerk of de verenigde protestantse kerken of de evangelische bewegingen? Of is kunst de nieuwe religie? Zijn medici de hogepriesters van de hoop? Of komt er het Systeem van de dichter Leo Vroman? Letter & Geest begint een debat over De toekomst der religie, waaraan wordt meegewerkt door onder anderen de schrijfster Andreas Burnier, de sociaal-democraat René Cuperus, Hendrik van Teylingen van de Sri Chaitanya Gemeenschap, rabbijn Soetendorp en dr. ir. J. van der Graaf van de Gereformeerde Bond en de filosoof Cornelis Verhoeven. Volgende week schrijft Rob Schouten over het boek De toekomst der religie van Simon Vestdijk. De componist Peter Schat begint vandaag het debat: “Niets is voor de kunstenaar bevredigender dan zijn publiek wenend in katzwijm te zien vallen. God is voorwaar een groot kunstenaar. Maar is Hij ook Liefde? Na deze bloedeeuw hoor je dat steeds minder zeggen. Vaker hoor je tegenwoordig: God is Groot. Maar dat is een oorlogskreet. Ook heeft het niet erg geholpen om te zeggen: God is Dood. Om de religieuze kwestie te pacificeren kan men het beste zeggen: God is Kunst.” Dit artikel is de neerslag van een lezing die Peter Schat hield op donderdag 3 oktober, in het Koninklijk Conservatorium te Den Haag, naar aanleiding van de première op 25 october 1996 van Een Indisch Requiem opus 41 voor tenor, koor en orkest door het Residentie Orkest in de Anton Philipszaal in Den Haag.

Laten wij dit voorbeeld volgen en eerst een paar dingen van elkaar scheiden.

Dat kan overigens moeilijk genoeg zijn. Zo is de scheiding tussen kerk en staat gepaard gegaan met onnoemelijke misdaden tegen de menselijkheid, zoals nog steeds, in bijvoorbeeld Iran. Maar ook de scheiding der machten in de moderne rechtsstaat, de trias politica, is in de meeste landen van de wereld nog een lange lijdensweg.

Niettemin is er sprake van het befaamde 'einde van de geschiedenis', wat zou kunnen betekenen dat de mensheid bezig is de jaren des onderscheids te bereiken. Door te leren onderscheiden worden wij volwassen, en de scherpte van ons onderscheidingsvermogen is beslissend voor de vraag of wij erin zullen slagen de wereld met zichzelf in overeenstemming te brengen. Hoe moeilijk dat is werd nooit eerder zo duidelijk als in deze 'bloedigste van alle eeuwen' (Clinton). Onderscheiden doet lijden.

Na de scheiding van kerk en staat en de scheiding der machten daarbinnen, moet de volgende stap de scheiding der sferen zijn.

Er zijn in de culturele biotoop van de mensen drie sferen te onderscheiden: de politieke, de wetenschappelijke en de kunstzinnige. Ieder met een eigen geheim dat archetypische talenten aantrekt: de Machthebber, de Geleerde, de Kunstenaar.

Het is raadzaam deze drie een beetje uit elkaars buurt te houden. Uit respect en bescheidenheid. Toen Einstein op het eind van zijn leven gevraagd werd hoe het toch te verklaren was dat de mens wel het atoom kon splijten maar niet in staat bleek de wereld op orde te krijgen, antwoordde hij: “Maar meneer, politiek is zoveel moeilijker dan wetenschap!” (Een voorbeeld van Bescheidenheit aus Bescheid wissen waaraan Noam Chomsky nog een puntje kan zuigen.)

Wij hebben intussen ervaring opgedaan met de monsterlijke mengvormen van politiek, wetenschap en kunst. Het marxisme beweerde een 'wetenschappelijke politiek' te zijn, een waarheidspretentie die na onnoemelijk veel lijden samen met de Muur aan gruzelementen viel.

Ook hebben wij de 'politieke kunst' leren kennen, van agitprop en sociaal realisme tot de frisse Arno Breker-beelden van Hitler en Mussolini, die beiden hun carrière als kunstenaar begonnen. Kunstzinnige politiek - ook Castro spreekt graag over zijn revolutie als over een beeldhouwwerk. Mensen als marmer in de handen van de staatsman/beeldhouwer: om in te hakken.

Dan is er 'kunstzinnige wetenschap', in de trant van Rudolf Steiner of New Age, vol van geleerd racisme en geïnspireerde wetenschappelijke onzin. Of het omgekeerde: 'wetenschappelijke kunst', à la Milton Babbitt, met het esthetisch belang van grafieken en oscillogrammen. Evenzovele doodlopende wegen gebleken.

Laten we ze daarom goed uit elkaar houden, politiek, wetenschap en kunst. Geen van drieën heeft op zichzelf het laatste woord. Ze staan tot elkaar in een triadische, permanente oppositie. Maar gezamenlijk kunnen zij, 'eenvouds verlichte waters' (Lucebert) soms 'de ruimte van het volledig leven' voelbaar maken, het onzegbare mysterie van het bestaan.

Daarmee betreden wij religieuze grond.

Wat voor grond is dat eigenlijk? Duidelijk geen wetenschappelijke, daar zijn tegenwoordig ook gelovigen het over eens. Toch hebben zij eeuwenlang hun 'geopenbaarde' waarheid als wetenschappelijke kennis aan de man gebracht. In 'heilige' oude boeken legden zij hun absolute zekerheid vast 'omtrent de dingen die men niet ziet', omtrent de mens, de kosmos en de zin van het bestaan op aarde. Die kennis kwam van de enige God zelf en duldde geen tegenspraak, geen onderzoek. Met altijd fatale gevolgen. “Waarom werkt de intuïtie van gelovigen altijd (-) in het nadeel van de mensen”, en waarom “is de religieuze intuïtie altijd meteen op mars, vastberaden en zonder aarzelen, in de richting van de achterlijkheid”, vroeg Rudy Kousbroek zich af, schrijvend over wat hij zo raak Theofysica noemt.

Van alle godgeleerde wetenschap is niets, maar dan ook helemaal niets, werkelijk waar gebleken. Meestal zelfs loepzuiver het tegenovergestelde. Want als de zon inderdaad om de aarde had gedraaid waren Gods profeten al verbrand voor ze een mond hadden kunnen opendoen. En als de Opstanding des Vlezes, een kerkelijk dogma, werkelijk plaats zal hebben op de Jongste Dag, waar de theoloog Schillebeeckx onlangs op de buis nog mee dreigde, betekent dat een plotselinge verdubbeling van de wereldbevolking (als die Dag tenminste snel komt - hoe later hoe erger) en dus de ultieme milieuramp. In ieder geval het tegendeel van de beloofde hemel op aarde.

Ook de hel (inmiddels in Engeland theologisch verbleekt tot 'Niets' ) bleek zich niet achter de dood te bevinden, als straf voor schuldigen, maar juist ervoor, als straf voor onschuldigen.

En die echte hel bleek namen te dragen: Auschwitz, Kolyma. . . en gebouwd te zijn op waanwetenschap.

Als dan religie geen wetenschap is en geen politiek meer mag zijn, is het dan misschien een vorm van kunst? Karin Armstrong schrijft in haar boek over Jeruzalem: “De religieuze praktijk is nauw verwant aan die van de kunst. Kunst zowel als religie trachten een ultieme betekenis te geven aan een onvolmaakte en tragische wereld. Religie verschilt echter van kunst, omdat zij een ethische dimensie vereist. Religie zou beschreven kunnen worden als morele esthetiek.”

Eerder schreef zij, in Een geschiedenis van God: “In plaats van God te zien als een objectief feit dat met wetenschappelijke bewijzen kan worden aangetoond, hebben de mystici betoogd dat hij een subjectieve ervaring is die op mysterieuze wijze in het diepst van ons eigen zijn wordt ervaren. Deze God moet langs imaginatieve weg worden benaderd en kan worden beschouwd als een vorm van kunst, verwant aan de andere prachtige kunstsymbolen die de onzegbare geheimenis, schoonheid en waarheid van het leven tot uitdrukking brengen.” Alleen de weg van de verbeelding, alleen de kunst leidt naar God, lees ik hier.

In de veelgelezen en -geprezen boeken van Armstrong wemelt het van dit soort analogieën tussen kunst en religie. Zo onderschrijft zij graag de uitspraak van Petrarca dat theologie 'poëzie over God' is, niet omdat die iets 'bewijst', maar omdat hij 'tot het hart spreekt'. Slechts op een plaats ben ik bij haar het verschil tussen kunst en religie tegengekomen, en wel in het eerste citaat dat ik gaf. Religie vereist, blijkbaar anders dan kunst, een 'ethische dimensie', het is 'morele esthetiek'.

Dit is voor mij een sprekend voorbeeld van de gebruikelijke gijzeling van de moraal door gelovigen. 'Zonder God geen moraal', luidt hun wachtwoord. Zie daarvoor ook de doorgaande moraaldiscussie in de kranten. Toch komen morele handelingen ook voor bij andere diersoorten. Frans de Waal beschrijft, in Good Natured - the origins of right and wrong in humans and other animals, de chimpansee man die, bijna betrapt op een illegale paring, met zijn handen zijn erectie verbergt om de woede van de topaap te ontlopen - duidelijk een morele handeling. Maar nergens vermeldt De Waal apen die in God geloven.

In feite is er maar een verschil tussen kunst en religie, en dat is het totaal gebrek aan humor in de laatste. Religie is kunst-zonder-humor - nergens in bijbel of koran is een grap te vinden, het is de wereld van de dichtgemetselde ernst. Met een claim op de moraal, een claim die in het licht van de nachtmerrie van de geloofsgeschiedenis onuitstaanbaar hypocriet en arrogant is, zoals de bloedige geschiedenis van drieduizend jaar 'Onzalig Jeruzalem' (Kurpershoek) laat zien. Geloven is langzamerhand een vorm van onfatsoen geworden

“We hebben muziek, poëzie, beeldende kunst. . . waarom verlangt een bepaald soort mensen bovendien nog naar iets 'hogers'? In feite worden de kunsten daarmee juist gereduceerd, gedevalueerd, maar haast niemand begrijpt dat”, schrijft Kousbroek in De wondere wereld van het geloof. Ik denk omdat dat soort mensen eerder op macht dan op waarheid en schoonheid belust is.

Het materiaal dat kunstenaars gebruiken is intussen hetzelfde als wat in godsdienstige rituelen wordt gebruikt: woorden, klanken en beelden. De liturgie is 'een vorm van theater', zegt ook Armstrong. De vraag is of de religieuze kunstvormen, anders dan de seculiere, verwijzen naar iets dat buiten de mens om, zelfs buiten het heelal om, werkelijk bestaat: een God, een Hogere Macht, een Dimensie, die 'alle verstand te boven gaat'. De vraag is ook of dat voor de beleving van die kunsten iets uitmaakt.

Weinig bezoekers van de koningsgraven bij Luxor zullen nog het Osirisgeloof aanhangen dat de maker van het masker van Toetankamon bezielde. Toch hoeft dat hen niet te verhinderen een onvergetelijke en verontrustende ervaring te ondergaan bij het aanschouwen van het gouden gelaat. Zo vereisen ook de Passies van Bach, het Requiem van Mozart of de Franciscus-opera van Messiaen geen protestantse of katholieke oren. De religie kan blijkbaar zonder enig bezwaar uit de kunst wegsijpelen zonder de 'eeuwigheidswaarde' ervan aan te tasten.

Dat vind ik een opmerkelijk verschijnsel. Het betekent dat het 'numineuze', het 'heilige', waar de religieuze kunst naar verwijst, uitsluitend in onszelf bestaat, als 'koninkrijk der hemelen', als 'virtual reality', en nergens anders. Een koninkrijk dat slechts in levende mensen bestaat, niet in dode.

De kunst is voor hem een techniek om in de duizelingwekkend complexe computer waarmee hij door de natuur is toegerust de files van Eeuwigheid, Onsterfelijkheid of God op te roepen - zonder twijfel fascinerend materiaal, want tot aan Darwin, tot aan de ontdekking van de evolutie van het leven, was 'God' het grootste denkbeeld dat de mensheid had voortgebracht.

Schrijvend over Augustinus' leer van de Drie-eenheid zegt Armstrong: “In de ziel bevinden zich drie vermogens: herinnering, inzicht en wil, corresponderend met kennis, zelfkennis en liefde.” (Politiek, wetenschap en kunst, als het ware.) “Net als de drie goddelijke personen zijn deze geestesactiviteiten in wezen een. Dit inzicht in de werking van onze geest is echter nog maar het begin: de drie-eenheid die we in ons binnenste aantreffen is niet God zelf, maar een spoor van God die ons heeft gemaakt. Augustinus geloofde dat ook de drie-eenheid in de geest een reflectie was die de tegenwoordigheid van God omvatte en op Hem was gericht. (-) Als we onszelf op deze manier aanleren om voortdurend ervan doordrongen te zijn dat God in onze geest aanwezig is, zal de Drie-eenheid ons geleidelijk worden onthuld. Deze kennis is niet gewoon de cerebrale verwerving van informatie, maar een creatieve techniek (cursivering ps) die ons van binnen zou transformeren door ons een goddelijke dimensie in de diepte van ons eigen wezen te tonen.”

We dalen hiermee in onszelf af met de creatieve techniek van het konijn en de hoge hoed: in een eindeloos herhaalde liturgie (en herhaling is essentieel voor alle riten) schrijven we God op onze innerlijke hard disc om vervolgens de Drie-eenheid eruit tevoorschijn te toveren. Bij Armstrong is Hij te vinden onder een nieuwe file: 'Dimensie'. Dat klinkt wetenschappelijker, aannemelijker voor de moderne mens. Maar het is geen 'poëzie over God' meer, en dus bleker, krachtelozer dan voorheen. Want de wetenschap kan niet wat de kunst kan.

De moeilijkheid is dat per definitie de Onnoembare geen Naam kan hebben. 'Aan het Absolute kunnen geen eigenschappen worden toegekend!', verweten boeddhistische theologen de paus op zijn jongste Azië-reis. Een zeer terecht verwijt, vind ik. 'God' is voor de begrippen een zwart gat dat alle licht en materie opzuigt. Alleen op de manier van de Hubble-telescoop kunnen we naar Hem kijken: door zijn omgeving te bestuderen. En Gods omgeving bestaat uit gelovigen die elkaar al een mensheid lang de strot afbijten voor hun claim op de absolute Waarheid. Geen verheffend schouwspel, waar bovendien geen wetenschap tegen opgewassen lijkt. Gelovigen gebruiken telescopen noch microscopen. Gelovigen gebruiken kunst. Misbruiken kunst.

Zonder kunst zou het ook Mohammed niet gelukt zijn een nieuwe godsdienst te stichten. Wij kennen meer vaststaande feiten over Mohammed dan over Jezus of Mozes, zodat wij de ontstaansgeschiedenis van een wereldgodsdienst het best aan de hand van zijn biografie kunnen bestuderen. Want alle mensen, en zeker alle doden, zijn van alle kanten altijd helemaal bespreekbaar, vind ik. Ook de 'godmens' Jezus, of de 'volmaakte mens' Mohammed. Niemand die op aarde geleefd heeft kan daar ooit te 'heilig' voor zijn.

“Dat Mohammed zowel dichter als profeet was, en de koran zowel tekst als theofanie, moet een van de treffendste voorbeelden zijn van de verwantschap tussen de religieuze en de artistieke ervaring”, schrijft Armstrong in haar Mohammed-biografie.

Hoe hij de inspiratie voor zijn eerste goddelijke teksten ervoer beschrijft zij als volgt: “Later zou Mohammed deze ervaring van het onuitsprekelijke onder woorden brengen door te zeggen dat hij door een engel was bezocht, die naast hem in de grot was verschenen en hem het bevel had gegeven: 'Reciteer!'.

Evenals sommige Hebreeuwse profeten, die ook een zware tegenzin hadden het Woord van God te spreken, weigerde Mohammed. 'Ik kan niet reciteren!', hield hij vol, denkend dat de engel hem ten onrechte had aangezien voor een van de beruchte kahins, de waarzeggers van Arabië. Maar de engel 'verzwolg mij in zijn omarming tot ik het niet langer kon uithouden', en uiteindelijk hoorde Mohammed zichzelf de allereerste woorden van de Koran uitspreken:

Lees voor in de naam van jouw Heer die heeft geschapen. Geschapen heeft Hij de mens uit een bloedklonter. Lees voor! Jouw Heer is de edelmoedigste, die onderwezen heeft met de pen. Hij heeft de mens onderwezen met wat hij niet wist. Vol angst en afkeer kwam Mohammed tot zichzelf'', besluit Armstrong dit verslag.

Freudianen zouden in dit verhaal (van 'hij verzwolg mij in zijn omarming' en 'bloedklonter', tot aan 'vol angst en afkeer') de neurotisch verwrongen herinnering aan een homoseksuele verkrachting kunnen herkennen, om daar de manifeste homofobie van de islam uit te verklaren. Men bedenke ook dat Mohammed, die zijn mannelijke volgelingen opdroeg tijdens het dagelijkse gebed hun zitvlak te verheffen, niet kon lezen en schrijven, en er een punt van maakte dit nooit te willen leren. Daarvoor waren de woorden hem te heilig.

De Arabische stammencultuur van zijn dagen, die gebaseerd was op het recht van bloedwraak, was voor de onderlinge communicatie in die permanente staat van oorlog aangewezen op talloze reciterende dichters, de kahins, die in zichzelf de functie van priester, verslaggever en spion verenigden. In die wereld, waarin poëzie van overlevingsbelang was, maakte de nieuwe Arabische muziek van Mohammeds woorden een verpletterende indruk.

Ter illustratie hiervan moge het verhaal dienen van de christelijke Negus van Abessinië die de moslimimmigranten, die hij wantrouwde, bij zich ontbood. Armstrong schrijft: “Om aan te tonen dat moslims tolerant zijn en het geboorteverhaal van Jezus wel degelijk kenden, legde hun aanvoerder, Dja'far, uit dat 'Mohammed een gezant van de ware God ' was, die zijn openbaring aan Jezus bevestigde. Om zijn stelling te bewijzen begon hij de koranische vertelling van de onbevlekte ontvangenis van Christus in de schoot van Maria te reciteren (Soera l9: l6-21):

Zoals vermeld in het boek Marjam. Toen zij zich van haar familie terugtrok naar een oostelijke plaats en een afscherming tegen hen maakte. Toen zonden Wij Onze Geest naar haar en hij deed zich aan haar voor als een goedgevormd mens. Ze zei: Ik zoek bij de Erbarmer bescherming tegen jou, als jij godvrezend bent. Hij zei: maar ik ben de gezant van jouw Heer om jou een reine jongen te schenken. Zij zei: Hoe zou ik een jongen krijgen, terwijl geen mens mij aangeraakt heeft; en ik ben geen onkuise vrouw. Hij zei: zo is het. Jouw Heer heeft gezegd: Het is voor Mij gemakkelijk. En het is opdat Wij hem tot een teken voor de mensen maken en uit barmhartigheid van Ons. En het is een beslissing die gevallen is.

'Toen Dja'far stopte', gaat Armstrong verder, 'had de schoonheid van de Koran zijn werk gedaan. De Negus huilde zo, dat zijn baard nat was, en tranen stroomden zo overvloedig langs de wangen van zijn bisschoppen en raadslieden dat hun perkamentsrollen doorweekt raakten.''

Dit onvergetelijke tafereel doet denken aan een ander voorval, een millennium later, en dichter bij huis. Ik doel hier op de zogenaamde 'Nijkerkse Beroering'.

Op zondag 16 november 1749 preekte dominee Gerardus Kuypers, die ook Arabist was, in Nijkerk over psalm 72 vers 16, waarin een goede oogst wordt beloofd:

Is er een hand vol koren in het land op de top der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon.

Het woord 'ruisen' brak hier de dam. Volgens Kuypers' eigen verslag “begon den volgenden dag in de catechisatie het geruisch van dezen Libanon door den wind des geestes zich te verheffen, de roering der gemoederen werd algemeen, tranenbeken werden er gestort en tegen het einde werd er veel geween gehoord. Omtrent het geven van den zegen vielen sommigen neer met bevingen en konden niet op de voeten staan van wege de beroering hunner zielsnoden. (-) De in zwijm gevallen menschen werden naar de pastorie gebracht en daar werd het beneden en boven, in kelder en op den zolder, een weenen, een roepen, een klagen - eene groote, jammerende beroering. En dat steeg van week tot week, sloeg over van huis tot huis, van straat tot straat en, wie 's nachts door de stad ging, hoorde alom het gejammer in de huizen: 'Wee mijner, foei mijner, ik slaaf des Satans!' ”

Niets is voor de kunstenaar bevredigender dan zijn publiek wenend in katzwijm te zien vallen. God is voorwaar een groot kunstenaar.

Maar is Hij ook Liefde?

Na deze bloedeeuw hoor je dat steeds minder zeggen. Vaker hoor je tegenwoordig: God is Groot. Maar dat is een oorlogskreet. Ook heeft het niet erg geholpen om te zeggen: God is Dood. Om de religieuze kwestie te pacificeren kan men het beste zeggen: God is Kunst.

De uitdrukking die wij hier gevonden hebben zal sommige gelovigen blasfemisch in de oren klinken. Maar niet allemaal. Toen ik onlangs in een reliwinkel in Amerika een grote paarse mok kocht, met in siergoud daarop de woorden Praise the Lord, vroeg de verkoper mij naar mijn doopceel. Ik zei dat ik niet in God geloofde, maar de winkel binnengelopen was omdat ik religie als een vorm van kunst zie. How interesting!, zei hij oprecht.

Wat zoeken de mensen toch in kunst en religie? In de politiek zoeken ze gehoorzaamheid, in de wetenschap respect, maar in de kunst wel degelijk de liefde. 'En de meeste van deze. . .' Als iemand zegt respect te hebben voor een kunstwerk maar er niet van te houden, ervaar ik dat als een beleefd doodsoordeel.

En waarom is er eigenlijk kunst, wat is de evolutionaire noodzaak ervan, het overlevingsbelang? Zonder evolutiebegrip is immers niets ter wereld te begrijpen. Ook bij andere diersoorten komt kunst voor, vooral in de paartijd, als de liefde uitbreekt. Maar wat betekent het voor homo sapiens?

Eens was ik getuige van een voodooritueel, waarbij de deelnemers dansend in trance raakten en in vreemde talen 'met hun voorouders spraken', zoals mijn leidsman uitlegde. (Doen wij iets anders als wij naar Shakespeare of Beethoven luisteren? vroeg ik mij af.) Bijkomend uit hun trance straalden de dansers een groot en jaloersmakend geluk uit, alsof ze uit een heerlijk bad kwamen, hun gevoelens schoongespoeld.

Kunst is een techniek om geschiedenis en continuïteit van menselijke gevoelens mogelijk te maken. Politiek en wetenschap kunnen dat niet, zij kunnen slechts de feiten vaststellen en van generatie op generatie doorgeven. Alleen de kunst draagt de gevoelens die die feiten begeleiden over de rivier van de dood heen. Want mensen willen vooral emotioneel met hun voorouders, met hun geschiedenis in contact blijven. Dat versterkt hun identiteit, hun innerlijk evenwicht, zo noodzakelijk om te overleven.

Kunst is dus vooral voor later. Instinctief zullen velen dat beamen. Weliswaar wordt de meeste kunst door de producerende generatie zelf meteen opgebruikt, maar een klein deel ervan, vaak het minst verkoopbare, functioneert vooral in volgende generaties, die daarnaast natuurlijk ook een eigen kunstproductie zullen hebben, met alle overlast van dien. In de culturele biotoop van homo sapiens is zo een permanent recyclingsproces aan de gang van denkbeelden (de 'memen' van Dawkins) die op hun levensvatbaarheid worden getest.

Deze stand van zaken is ook terug te vinden in de mythe van Orpheus, zoon van Apollo en de muze Kaliope. Het levensverhaal van deze 'koning van muziek en poëzie' wordt al 27 eeuwen lang van kunstwerk tot kunstwerk aan ons doorgegeven, van het marmerreliëf van de Reis van de Argonauten in de Oudheid tot aan Cocteau en Birtwistle in onze eeuw . Met zijn muziek raakte hij niet alleen het menselijk hart, maar hij bracht ook planten en dieren, ja zelfs stenen in beweging. Het ondragelijk verlangen naar zijn gestorven geliefde bezielde zijn lier zodanig dat hij ten slotte macht over de dood verwierf - de laatste wens van de mens voor zijn godwording.

Het is ook het levensthema van Gerrit Achterberg, op wiens gedichten ik in 1959 een aantal orkestliederen heb gemaakt. Een ervan luidt:

ROOD In deze morgen van augustus bereikt mij weer het rood, dat eens op uw gelaat gekust is; dat van u losliet en een groot omgaan begon door duisternissen om in dit eindeloze oosten van alle vrezen uit te rusten.

Op dit moment werk ik aan een lied op tekst van Ida Gerhardt met het zelfde motief:

DE GESTORVENE Zeven maal om de aarde te gaan, als het zou moeten op handen en voeten zeven maal, om die ene te groeten die daar lachend te wachten zou staan. Zeven maal om de aarde te gaan. Zeven maal over de zeeën te gaan, schraal in de kleren, wat zou het mij deren kon uit de dood ik die ene doen keren. Zeven maal over de zeeën te gaan - zeven maal, om met zijn tweeën te staan.

Dit orphische motief was ook de kern van het vroege christendom, getuige de afbeeldingen van Jezus als Orpheus-met-de-lier in de Romeinse catacomben. In dit nieuwe geloof werd de ziel van de gelovige een 'Euridice', waarvoor de held het dodenrijk inging om haar te redden uit het eeuwige duister van de vergetelheid.

Deze mythe, door sommigen gezien als de 'oermythe' (Sternfeld), is in mijn ogen de kunstzinnige verbeelding van de evolutionaire opdracht van de kunst zelf: de Argonautentocht van de menselijke gevoelens over de rivier van de dood. Richting eeuwigheid.

Het is de eeuwigheid die zindert in de grote toonkathedraal van Mozarts Requiem - het requiem der requiems. Centraal daarin, als het altaar, staat het beeld van de triomferende held, de 'koning in heerlijkheid', de 'redder van alle gelovige zielen': Rex gloriae!

Als orphisch heerser over het dierenrijk redt hij ons uit de opengesperde muil van de leeuw: de ore leonis. Door Mozart, unisono voor het hele koor, als een grote mond opengesperd met de grootste afstand tussen twee tonen binnen het octaaf: de septiem; en weer dichtgeklapt met een dalende septiem, op de woorden ne absorbeat eas tartarus - opdat de onderwereld hem niet verzwelge. De onderwereld van de eeuwige vergetelheid, van het Niets.

Ritmisch hebben wij hier eerder te maken met een paardrijder dan met iemand die op een ezeltje de stad van zijn ondergang binnentrekt. Als er al jazz was geweest in 1791 zou dit een eerste voorbeeld zijn, vol lichamelijke energie en erotiek, met name tegen het slot als de sopranen over Abrahams zaad zingen: et semini eus.

Dit is eerder het portret van de zoon van Apollo en Kaliope dan van de 'reine jongen', zoon van Allah en de maagd Marjam. Men kan begrijpen waarom de kerkelijke autoriteiten van zijn dagen niet erg gelukkig waren met Wolfgang Amadeus. Luister maar naar het achtste deel uit zijn zwanenzang, het Domine Jesu Christe.

Deze triomferende Orpheus is het niet te doen om een eindresultaat, om eeuwige bejubeling in eigen hemel, zoals zijn Vader ambieert, maar om deel te nemen aan een proces: het emancipatieproces van de menselijkheid, waarin hij een cruciale rol vervult. Want menselijkheid, menselijke goedheid, is niet het resultaat van goddelijke aanwijzingen (de praktijk leert eerder het tegendeel), maar het onvoorziene bijproduct van menselijke slechtheid. Het is de goedheid die komt bovendrijven uit de borrelende oersoep van misverstanden, misdaden en messianisme die de geschiedenis is.

Verreweg de meeste kunst gaat over verlies, verdriet, eenzaamheid. Mineur is mooier dan majeur, vindt iedereen behalve Messiaen. Het is of de kunst vooral onze treurige en duistere ervaringen wil vasthouden in het collectieve gevoelsgeheugen. Wellicht als antidotum tegen de herhalingsdrift die miskleunen en misdaden kenmerkt. Zo draagt de kunst de zonden van de wereld: door ze uit te drukken, door ze te bezingen en onvergetelijk te maken. Dit is de ethiek van Orpheus' evolutionaire opdracht, dit is zijn 'morele esthetiek'.

Luister naar de manier waarop Mozart die opdracht op zich neemt, in het twaalfde deel van dit requiem: zonder een spoor van zelfbeklag, vol van de rustgevende 'zekerheid waarmee de harmonie zich door haar veranderingen beweegt' (McLeod), in een harmonische kadens van tonika naar dominant in d-mineur.

Dit is de wereld van de diatonische tonaliteit, van de heilige drie-eenheid Tonika - Dominant - Subdominant. Met in deze passage de ongelofelijke wending naar F-groot, naar de Mediant, symbool van de Middelaar tussen hemel en aarde, tussen dominant en tonika, op de woorden dona eis requiem. Wij bevinden ons met dit Agnus Dei in het heilige der heiligen van de muziek.

Een muziek die nu al door zeven opeenvolgende generaties intensief beluisterd wordt. En er is geen reden te veronderstellen dat dit ooit zal ophouden - tenzij natuurlijk de Nieuwe Mens de zaak overneemt en de wereld afschaft. Zijn onsterfelijkheid dankt deze muziek uitsluitend aan de vorm die Mozart ervoor vond, niet aan de gelovige inhoud, die je overal kunt terugvinden.

Het is een vorm die altijd om vernieuwing vraagt, want een onvernieuwbare vorm is dood als een skelet. Daarom hangt rond de katholieke rituelen die Gerard Reve regelmatig opvoert, ondanks zijn onmiskenbare verdienste voor de emancipatie van religie tot kunst, altijd die enigzins wanhopige sfeer van oud doorweend perkament. Ook hij is onmachtig die vorm te vernieuwen, als hij het al zou willen.

Het is een sfeer die Hans Ree precies wist te treffen in de beschrijving van een begrafenisprocessie die hij onlangs bijwoonde:

“De stoet ging terug naar het dorp en verzamelde zich in de kerk voor het St. Janszingen. (-) Mijn leidsman (-) wees me er op dat de bontgekleurde vanen en de nu overvloedige wierooklucht oorspronkelijk de tekenen waren van de Triomferende Kerk, die nu echter veel nederiger was geworden, gezien de keuze van de gebeden en de toon van de toespraken. De hulpbisschop was nu wel heel weinig plechtig. Hij dankte alle aanwezigen dat ze de mooie oude traditie in leven hielpen houden. (-) Zo werelds was de toon van de hulpbisschop dat ik, toen hij aankondigde de mensen te gaan bedanken zonder wie dit niet mogelijk was geweest, werkelijk even dacht dat hij de sponsors zou gaan noemen. Mijn leidsman (-) was verrast door het applaus dat in de kerk opklonk, na een gezang of na een toespraak. Was dat applaus er vroeger ook geweest? Nee, dat was er toen niet. Het applaus klonk me toe alsof de kerkgangers zichzelf feliciteerden met het in stand houden van de mooie oude traditie. (-) Ik klapte mijn handen warm en in gedachten hoorde ik een wereldwijd en niet tot stilte te brengen applaus opgaan, voor onszelf en voor de ruimdenkendheid van de moderne mens en voor iedere voorstelling die vroeger een plechtigheid was.”

Ik op mijn beurt hoor hier het applaus opgaan waarmee de religie haar laatste rustplaats vindt in de kunst. Dona eis requiem sempiternam!

De Duitse romantici, met Richard Wagner voorop, wilden van de kunst de nieuwe religie maken, de Kunstreligion. (De term is uit l799 van de theoloog Schleiermacher.) De essentie van de Religion was de muziek, de kunstvorm die ons het diepste raakt. In de formulering van Ludwig Thieck:

“Denn die Tonkunst ist gewiss das letzte Geheimnis des Glaubens, die Mystik, die durchaus geoffenbarte Religion.”

Wagner wilde met zijn boeken en opera's de oude religieuze mythen en symbolen reanimeren als 'tonende Offenbarung aus der erlosenden Traumwelt reinster Erkenntnis.' (Religion und Kunst.1880)

In een wereld die er volgens Schopenhauer maar beter niet had kunnen zijn, was de Kunstreligion de enige metafysieke troost. Dat Wagners Parsifalversie van kerk en christendom tenslotte door kunstbroeder Hitler tot een apocalyptische Gotterdümmerung werd uitgewerkt, kan hem alleen als lijk in de schoenen worden geschoven. Maar in het grote pantheon van het Duiste autoritaire absolutisme zullen hun beelden altijd naast elkaar blijven staan. Om ons op te roepen tot das letzte Geheimnis des Glaubens - het geloof waar in onze tijd Karlheinz Stockhausen zeven dagen per Lichtwoche om vraagt.

In onze gedoogdelta werkt dit soort oproepen eerder op de lachspieren. Maar ook wel een beetje op de zenuwen. Want als dit de, opnieuw totaal humorloze, manier is waarop de kunst het roer van de religie moet overnenem, zijn we nog geen bal opgeschoten. Gebrek aan humor is niet zo maar een gebrek, waar w mee te leven valt, het is een fataal gebrek, zoiets als een gebrek aan zuurstof: je gaat er dood aan.

Wij willen een kunst zonder geloof, een ernstige, vrolijk-ongelovige kunst. Niet een kunst zonder democratie of zonder het schitterende licht van de wetenschap, niet een kunst in splendid isolation. Want een kunst die, anders dan conceptualisten en andere 'hedenverheerlijkers' ( K. L. Poll) willen, haar plaats ambieert op de veerboot over de doodsrivier, zal bereid en in staat moeten zijn haar eigen tijd diep te beleven en te begrijpen. Anders hebben ze er later nog niets aan.

Nooit zal de kunstenaar weten of hij aan die ultieme opdracht heeft voldaan. Maar hij deed het ook niet om een beloning. Zijn beloning was het werk zelf. Bovendien: geen dode kan zich op de borst slaan.

Dat is mooi geregeld in de natuur.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden