God doet wel erg zijn best om zichzelf overbodig te maken

„Goedemiddag, ik ben de geestelijk verzorger. Komt het uit?”

„U mag wel binnenkomen hoor, maar wij zijn vrijdenkers. We geloven niet in God.”

„O? waar gelooft u dan in?”, vraag ik terwijl ik binnenstap. Want mijn ervaring is dat mensen altijd wel ergens in geloven, al was het maar dat morgen de zon weer opgaat.

„Wij geloven in Darwin, in evolutie”, antwoordt de echtgenoot.

„Dus God is niet nodig”, valt zijn vrouw hem bij. „De wereld is helemaal niet in zeven dagen geschapen.”

„Zes”, verbeter ik. „Toen was God moe en sliep hij uit op de zevende dag.”

Is God niet nodig? Daar moet ik het toch eens met hem over hebben. Ik zoek hem op in de kelder van het zorgcentrum en daal de trap af.

Daarbij stap ik zorgvuldig over de negentiende trede waaronder de ontzagwekkende Alef zit, het hele universum in een notendop, beschreven door de auteur Jorge Luis Borges. Daar hield hij wel een tic aan over, want de rest van zijn leven leed hij aan opsommingen.

God woont onder de trap in een van de hokken met kasten vol langspeelplaten en, daar bovenop gestapeld, oude schrijfmachines. Een peertje aan het plafond geeft licht, op de tafel ligt De Telegraaf met zijn prettig grote letters en er staat een klein pakje melk.

„Ik kom in dit huis ongelovigen tegen die u niet meer nodig vinden”, zeg ik terwijl ik ga zitten op de bank. Het gezicht van de Oude van dagen licht op.

„Goed zo”, zegt hij terwijl hij het pakje melk probeert te openen. „Nu de christenen nog.”

„Dat meent u niet!”

„Gelovigen die mij nodig hebben denken net zo over mij als ongelovigen die mij niet nodig vinden. Hier”, hij geeft het pakje melk aan mij, „mensenkind, kun jij dit open krijgen?”

„Dus eigenlijk is er niet veel verschil tussen gelovigen en ongelovigen. Ze denken hetzelfde over u, alleen trekken ze daaruit verschillende conclusies?”

Als geestelijk verzorger heb ik handigheid gekregen in het openen van irritante pakjes melk voor bewoners en ik geef het aan God terug.

„Zo is het”, antwoordt hij. „Beiden zien me als een dealer die op de hoeken van het leven kracht, troost, genezing en geborgenheid uitdeelt of wetenschappelijke raad geeft. Het verschil is dat veel gelovigen nog verslaafd zijn en de ongelovigen afgekickt.” Hij neemt met zichtbaar genoegen een slok uit het pakje.

Dan betrekt zijn gezicht zodat het in de verte even rommelt. „Zolang ik als nodig of onnodig word gezien zetten mensen mij klem in een gebruiksrelatie. Daarom probeer ik mijzelf overbodig te maken. Ik beantwoord nauwelijks vraaggebeden en geef biologen het idee dat de evolutie een autonoom proces is. Alles in de hoop dat mensen mij gaan waarderen om wie ik ben, niet om wat ik doe. Maar dan roepen ze onmiddellijk dat ze in een geloofscrisis zitten of haken af, zoals die vrijdenkers van jou. Wil dan niemand mij echt kennen?”

„Maar als u niet meer nodig bent, waarom zou iemand u dan willen leren kennen?” Het is eruit voordat ik er erg in heb.

God kijkt me aan. De eeuwigheid rimpelt over zijn voorhoofd. Bevreesd schuif ik achteruit, zodat ik in het hoekje van de bank terechtkom.

„Mensenkind, hoe zou jij het vinden als mensen je alleen maar waarderen omdat je nuttig bent en zodra ze je niet meer nodig hebben de rug toekeren, alsof je niet meer bestaat?”

„U bedoelt zoals sommige ouderen in dit huis meemaken, die door hun zelfstandig geworden kinderen worden vergeten?”

„Precies”, zegt de Oude van dagen.

„Ik zou het gevoel krijgen dat ik gebruikt ben, dat ik niet gezien word als de unieke persoon die ik ben dat hun liefde voor mij vooral eigenbelang was.”

Ik voel me ongemakkelijk en zou het liefst willen weggaan uit dit vertrek vol overbodig geworden artikelen. Ja, ik begin mijzelf nutteloos te voelen en vraag: „Zal ik nog een pakje melk openmaken?”

„Nee, dank je. Dat je er bent is voor mij meer dan genoeg.”

Dit maakt me nog onrustiger, ik vermijd zijn blik en ratel: „Wat lijken die schrijfmachines daar nu ouderwets. Op zo’n ding heb ik als student nog mijn dissertatie getikt. Die ging over ethiek en uw geest, weet u nog wel? Hoe gaat het daar nu mee, met uw geest bedoel ik? Deze bank zit wel hard zeg. Wilt u echt geen melk meer?”

God zwijgt en ziet mij aan.

Ik hou het niet uit, sta plotseling op, mompel een groet en vlucht de trap op.

Bij de negentiende trede aarzel ik even.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden