GIRI PANGGUNG, EEN KAMPONG VAN NIKS

De Javaanse boer krabt de verdorde grassprietjes tussen de stenen van het dorpspad vandaan. Hij gebruikt een groot mes met gekromd lemmet, dat overal voor kan dienen - zelfs voor het kappen van boomtakken. Naast hem staat een mand met een bodempje gras. Extra voer voor zijn twee koeien en drie geiten, legt hij uit. Hij heeft een eigen akkertje, maar dat levert in het droge seizoen te weinig veevoer op, zodat het overal elders bijeen wordt gezocht. Hij scharrelt wel drie manden per dag bij elkaar.

JAN BEZEMER

De man is 53, maar ziet er veel ouder uit. Hij krijgt geen deel van de economische groei waar Indonesië zo trots op is. In vijftig jaar zelfstandigheid is veel opgebouwd. Vooral de laatste dertig jaar wordt onder de straffe leiding van president Soeharto zeer planmatig en met succes aan fraaie groeicijfers gewerkt. Jakarta is door investeerders omgetoverd in een bouwput, waaruit het ene na het andere gebouw oprijst, met blinkende glazen gevels. Banken, maar vooral ook luxe winkelcentra.

In Centraal-Java is sinds de zelfstandigheid nog maar weinig veranderd. De boer is er arm en kan maar net overleven. Zoals overal in Indonesië leidt de meerderheid er een karig, agrarisch bestaan. Zelfs de steenhouwer hakt er zijn dagloon nog uit de rotsen. Alsof de tijd sinds Eduard Douwes Dekker heeft stilgestaan.

De bevolking van de kampong Giri Panggung is arm. De heuvels van zwart verweerd kalksteen, vijftig kilometer ten zuidoosten van Yokyakarta, worden negen maanden per jaar geteisterd door droogte. De rotsachtige bodem staat slechts kleine akkertjes van rode klei toe. Er is geen stroom en geen telefoon. Alleen de Kepala Desa, het dorpshoofd, kijkt af en toe televisie, dankzij een accu die hij in de naburige stad laat opladen. Geen van de 6 600 inwoners heeft een auto. Er zijn wel brommertjes en fietsen. De bus die de desa, het dorp, met zijn zeven dusun, gehuchten, dagelijks een keer aandoet is vaak stuk vanwege de asbrekende kuilen in de weg. Een kampong van niks eigenlijk. Een asfaltweg, wat stenen paden en ver uit elkaar liggende huizen. Geen dorpsplein, een enkel winkeltje met het hoogst noodzakelijke.

Sutmo is 53 jaar oud en al vijf maanden opa. Hij draagt een donkergele korte broek en een lichter geel, versleten poloshirt. Hij loopt met opmerkelijk gemak blootsvoets over scherpe stenen. Lacht altijd en wie vraagt waarom, krijgt als antwoord: ik voel me senang. In het Javaans, alleen schoolkinderen spreken hier Bahasa Indonesia. Hij woont met zijn vrouw, vier kinderen, een kleinkind en twee schoondochters in een huis met een oppervlak van vijf bij zeven meter. De schoongeveegde stenen vloer van gebakken kleitegels blijft op twee stoelen en een bankje van hout en riet na geheel leeg. De muren bestaan uit donkere ongeverfde houten schotten, waarlangs de wind vrij spel heeft en wat verkoeling brengt. Het dak is bedekt met dakpannen, omdat de wind in dit barre heuvelland geen rieten daken toestaat.

Op een vuurtje van hout en pindastruiken kookt zijn vrouw Sumarti vers geoogste witte wortelen, poehoeng, in een zwartgeblakerde pot. Het kookgedeelte dat met de slaapvertrekken achter de woonkamer ligt, staat vol rook. De poehoeng, die naar aardappel smaakt, vult met pinda's het menu van hoofdzakelijk rijst aan.

Het huis heeft Sutmo 500 000 roepia gekost. Bijna vierhonderd gulden. Dat geld was nodig om de boeren te betalen die hem hielpen bouwen en om de dakpannen te kopen. De planken en de balken zijn met de hand uit zijn eigen bomen gezaagd, die kostten dus niks. Drie 'bouwvakkers' die elk zo'n 5000 roepia per dag vragen hebben er veertien dagen aan gewerkt.

Sutmo erfde een akker van zijn ouders, van 1 400 vierkante meter. Later zal hij zijn land verdelen onder zijn vier kinderen, het aloude proces van de steeds kleiner wordende akkertjes zet zich onveranderd voort. Met vijf volwassen werkers weet Sutmo na de regentijd in februari tweehonderd kilo rijst van zijn land te halen, in de maanden daarna zeshonderd kilo maïs en duizend kilo poehoeng. De opbrengst moet het gezin voeden en levert dus vrijwel geen geld op, maar op last van de overheid, die een boekhouding eist, heeft Sutmo zijn rijst, maïs en poehoeng gekapitaliseerd en zo weet hij dat zijn akkertje per volwassen werker duizend roepia per persoon per dag opbrengt, bijna 80 cent. Als er geld nodig is, verkoopt Sutmo een boom van zijn akker aan een handelaar uit de stad. Of hij verkoopt wat vee. Hij heeft negen kippen, twee koeien en twee geiten. Die extraatjes vullen het inkomen van een volwassen werker in het gezin van Sutmo aan tot vijftienhonderd roepia per dag en geven de familie de kans wat opzij te leggen.

Indonesië verklaart vol trots dat dankzij de economische vooruitgang de ruime meerderheid van de bevolking inmiddels genoeg verdient om in zijn onderhoud te voorzien. Nog slechts dertien procent zou onder de armoedegrens leven tegen zestig procent in de jaren zeventig. De bevolking is er wel op vooruitgegaan, maar het percentage is vooral gedaald omdat de overheid uitgaat van een zeer laag inkomen van zeshonderd roepia per dag (48 cent) als armoedegrens. Als dat bedrag maar enigszins aan de werkelijkheid wordt aangepast, stijgt het percentage armen onrustbarend. Dat is een belangrijk punt in de kritiek op de regering van Soeharto. De economische groei hoopt zich op bij enkele monopolies en families en de Javaanse boer merkt er nog weinig van.

Niet dat er helemaal niets gebeurt. Vroeger was het erger, zegt Sutmo. Aanvankelijk wisten de boeren maar één oogst rijst van het veld te halen, in de maanden dat het regende: december, januari, februari. Er was groot gebrek aan eten en het water was niet toereikend om de droge tijd door te komen. Tegenwoordig staan er dankzij voorlichting ook in de droge maanden produkten op het veld, maïs en pinda's en poehoeng. De overheid heeft in de jaren zeventig met een bosprogramma de rotsachtige heuvels van bomen voorzien. De families, die alle een rots tot hun grondgebied mogen rekenen, kunnen mondjesmaat bomen rooien en stenen houwen, wat extra inkomen oplevert. Om in het schreeuwende tekort aan drinkwater te voorzien, is net een pomp geslagen en hebben de eerste gehuchten een grote watertank met kranen. De vijver aan het begin van het dorp, die voor wateropslag wordt gebruikt, is ondanks onverwachte regenval in juni en juli vrijwel droog.

Drie mannen hakken stenen uit de rots. Blokken van twintig bij twintig centimeter. Ze worden één voor één naar beneden gerold en daar op de weg netjes opstapeld. Een meter hoog en een meter breed, ze hebben al drie kubieke meter. Dat levert driemaal drieduizend roepia op. In twee dagen kunnen ze wel zeven kubieke meter halen. De stenen worden gebruikt als fundering en zijn gekocht door een boer die een huis gaat bouwen, een paar honderd meter verderop.

De kepala desa is net als zijn dorpsgenoten gewoon boer. Hij is wat groter en sterker dan de meesten, maar verder ziet hij er net zo uit als alle anderen. Blauw poloshirt op een bruine korte broek. Hij is allervriendelijkst, ook als hij al doorvragend wil weten wat we komen doen. We mogen als geïnteresseerde toeristen rondkijken en foto's maken en zelfs blijven slapen.

Het dorpshoofd is niet zozeer de baas van het dorp, maar er gebeurt niets zonder dat hij ervan weet. In de organisatie van de maatschappij zoals Soeharto die geperfectioneerd heeft en waarop zijn zogeheten Nieuwe Orde steunt, is het dorpshoofd de laatste schakel. Hij is in feite onbezoldigd ambtenaar, die op zaterdag in ambtenarenkaki spreekuur houdt. Het dorp levert wel materiële bijdragen, die het leven van een kepala veraangenamen. En voor het verlenen van vergunningen moet worden betaald, zoals voor de meeste beslissingen van het dorpshoofd.

De kepala desa van Giri Panggung zegt vol trots dat hij al zestien jaar in functie is. Dat betekent dat het dorp hem al twee keer voor acht jaar gekozen heeft. Die verkiezingen lijken democratisch, maar de keuze van het volk is beperkt. Kandidaat-dorpshoofden moeten een cursus volgen in de staatsideologie van Indonesië, de Pancasila, en te kritische dorpsgenoten slagen eenvoudig niet voor het examen. Soeharto heeft er voor gezorgd dat uitsluitend loyale ambtenaren dorpshoofd kunnen worden.

Twee uur nadat we in de kampong aankwamen, hield een man ons staande. Hij had zijn brommer schuin over de weg gezet, zodat argeloos passeren onmogelijk was. Zijn chagrijnige dikke kop puilde uit zijn brommerhelm. Uit zijn bitse vragen viel onmiddelijk op te maken dat hij geen gewone Indonesiër was - die lachen immers altijd. Geheime politie. Jojo, onze gids en vertaler, antwoordde timide. De agent woonde niet in het dorp. Hij kwam uit de naburige stad. De verschijning van een grote dikke Hollander die naar een afgelegen kampong wilde, had in het laatste busstation zoveel argwaan gewekt dat hij ons was gevolgd. Hij nam genoegen met de verklaring van onze gids. Dat het dorpshoofd toestemming had gegeven en ons een slaapplaats bood, gaf de doorslag. Onze gids, die in zijn studententijd vaker met de politie in aanraking was gekomen, bleef lang stil en gaf toe dat hij zenuwachtig was. Na ons vertrek uit de kampong was hij zichtbaar opgelucht. De angst zit in de harten van alle Indonesiërs.

Voorbeeldig gedrag is voorgeschreven. De staatsideologie, kernachtig samengevat in de vijf punten van de Pancasila, moet de eenheid en de saamhorigheid bevorderen, maar vooral individualisme en een afwijkende mening uitsluiten. Op scholen wordt het erin gestampt en ambtenaren worden erin getraind: overal, in elk huis, hangt het Pancasilaschild, gedragen door de vuurvogel Garuda, tussen de portretten van president Soeharto en vice-president Sutrisno. In het eerste artikel wordt het religieuze karakter van de staat onderstreept. 1: Het geloof in de Ene-Almachtige. Het tweede gaat over rechtvaardigheid, beschaving en menselijkheid. Artikel 3 stelt de eenheidsstaat Indonesië als doel. 4: Democratie geleid door wijsheid overleg en vertegenwoordiging. 5: Sociale gerechtigheid.

Het zijn fraaie uitgangspunten, die bij de onafhankelijkheidsverklaring van 17 augustus 1945 in de grondwet zijn uitgewerkt, maar die door de eerste president Soekarno heel anders werden geïnterpreteerd dan door de huidige regering.

In de kampong Giri Panggung wordt in het kader van de Pancasila een dag per week aan de gezamenlijkheid besteed: de zaterdag. Wie maar enigzins kan, werkt mee aan het opknappen van het dorp, het schoonmaken van de weg, het witten van de afrasteringen van bamboe en stenen. Vooral in het zicht van Onafhankelijkheidsdag, 17 augustus, moet alles schoon, wit en in de nationale kleuren rood-wit versierd zijn. Het dorpshoofd ziet daarop toe, daartoe aangespoord door regionale autoriteiten.

Op een aantal kruispunten staan kleine hokjes, bushaltes bijna. Het zijn de schuilplaatsen van de nachtwakers, mannen van het dorp die middels een volcontinue rooster, opgesteld door het dorpshoofd, de kampong in de gaten houden en bij onraad op een trommel van bamboe slaan. Onraad, dat kan brand zijn, maar het kan ook zijn dat iemand een deel van de oogst bij een dorpsgenoot van de akker haalt. Armoe leidt tot alles.

De kampong heeft twee lagere en één middelbare school. De leerkrachten komen bijna allemaal van elders en wonen in een kosthuis bij de school. Ze verdienen 120 000 roepia per maand, nog geen honderd gulden. Na een aantal jaren kan dat oplopen tot 140 000 roepia (112 gulden). De middelbare school telt negen klassen van 45 leerlingen. Een soort van brugklassen. Voor voortgezet middelbaar onderwijs moeten de kinderen naar de stad. Ze zitten in het schemerduister en kunnen niet naar buiten kijken. De open vensters zijn van tralies voorzien en zitten vlak onder het plafond.

Deze leerlingen hebben geluk. Hun ouders kunnen de voorgeschreven uniformen en schoenen kopen. Blauwe broek of rok en witte overhemden. Gelukkig wordt op de lagere school minder streng geoordeeld. Een enkel kind loopt daar op blote voeten, zodat het tenminste ook leert lezen en schrijven. Sommigen krijgen dagelijks wat geld mee voor iets lekkers uit de warung tegenover de school. Of voor de bus, zodat ze niet helemaal naar huis hoeven te lopen.

De lerares Engels zou zelf nog wat lessen kunnen gebruiken, maar ze doet erg haar best. Na twee jaar zijn de leerlingen zo ver dat ze enkele basiszinnen kennen. Hello? What is your name? What is your job? Het zijn de standaardzinnen waarmee iedere buitenlander wordt benaderd. Maar de eenvoudigste antwoorden zijn al te moeilijk. De lagere klassen van de middelbare school krijgen 's middags inwijding in de islam, die begint met gebed in de moskee naast de school. Alleen voor islamieten, zo'n 85 procent van de bevolking op Java. De kinderen van christelijke ouders mogen naar huis. Goddelozen bestaan niet.

Niemand weet hoe oud de kampong is, ook niet de man die van zichzelf zegt dat hij 128 jaar geleden is geboren. Hij schuifelt en steunt op een lange stok, maar gaat nog dagelijks ver van huis. Eén keer per jaar is het feest. Op 2 augustus, de dag waarop nu 50 jaar geleden een aantal gehuchten werden samengevoegd tot een desa. Het feest wordt gevierd met een Ketoprak, een traditionele volksopera met gamelan, waar veel inwoners van het dorp aan deelnemen en die alleen om die reden al veel toeschouwers trekt. Omdat het het droge seizoen is en er toch niet veel te doen is op het land, wordt gemakkelijk een nacht opgeofferd.

Om half tien 's avonds begint de voorstelling die tot drie uur 's nachts zal duren. Het gaat over een koning die droomt dat een bloem alle ziekten kan uitbannen en knechten die de bloem moeten zoeken. Er wordt veel gelachen om de stuntelende amateurs, maar ook om het komische verhaal. Met honderden zijn ze gekomen, op blote voeten. Soms na uren lopen. De laatste huizen van de kampong liggen kilometers ver weg.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden