Ging gij nog eenmaal met mij naar de uiterwaarden

De benedictijner monnik Frans Berkelmans waagde zich ooit aan een recensie van Ida Gerhardts dichtbundel ’Het levend monogram’. Een poging waarop hij nogal wat reacties kreeg, ook van Gerhardt zelf. Zes boeken schreef hij over haar andere poëziebundels voordat hij zich opnieuw waagde aan dat ’moeilijke en donkere’ boek. Interview met een Gerhardt-vorser.

Zes boeken publiceerde de monnik Frans Berkelmans al over Ida Gerhardt (1905-1997). Toch was hij nog niet uitgeschreven, integendeel. Zijn eerdere werk was ’slechts een aanloop’ om het zevende te kunnen schrijven: de monografie ’Dit donkere boek’ .

„Ooit recenseerde ik haar bundel ’Het levend monogram’”, zegt Berkelmans. „Op dat stuk kreeg ik nogal wat reacties, ook van Gerhardt zelf. Toen besloot ik het grondiger aan te pakken. Dat bleek lastiger dan gedacht. Om grip op haar werk te krijgen, ben ik bij haar debuut begonnen. Zo ontstond boek één. Daarna volgden twee, drie, vier, vijf en zes. Maar ik zag er tegen op om over ’Het levend monogram’, dat moeilijke en donkere boek, te moeten gaan schrijven.”

Nu ligt boek zeven op tafel in de ontvangstkamer van het benedictijner klooster in Egmond. Het is hondenweer, tijdens de urendurende reis naar de abdij bleek hoezeer wij in een ’stormbevochten land’ wonen, waarvan de ’kavels tussen stroom en dijk geslagen’ zomaar kunnen onderlopen. Ineens ook bleek de ouderwets klinkende poëzie van Ida Gerhardt hedendaags.

„In vergelijking met ’Het levend monogram’ is Gerhardts vroegere werk vredig, zonnig, onproblematisch, maar in deze bundel is ze in psychologisch zwaar weer terechtgekomen. De bundel staat in het teken van haar relatie met haar moeder, die een drukkende, negatieve invloed op haar heeft gehad. Gerhardt heeft van jongs af aan het idee gehad dat zij door haar moeder niet werd geaccepteerd. In ’Het levend monogram’ verbeeldt het gedicht ’Kinderherinnering’ wellicht de grondoorzaak van dit gevoel”:

Vóór wij vertrokken naar de

zwarte brandersstad,

ging gij nog eenmaal met mij

naar de uiterwaarden.

Er was een wollig schaap, dat

witte lammeren had;

een veulentje stond bij de gro-

te blonde paarden.

Opeens voelde ik, dat gij mij

naar het water trok.

Gij zijt gekeerd, omdat ik wild

en angstig schreide.

Wit liep gij op de dijk; ik han-

gend aan uw rok.

Moeder en kind: vijanden en

bondgenoten beide.

Berkelmans: „Het werk van Ida Gerhardt is sterk autobiografisch. Zij is altijd in haar gedichten aanwezig, in tegenstelling tot een dichter als Martinus Nijhoff, bij wie het zinloos is de hoofdpersoon uit een gedicht te identificeren met de dichter zelf. Bij Gerhardt ligt dit anders. Daarom denk ik ook dat zij hier haar meest traumatische jeugdherinnering beschrijft, die stamt uit de tijd dat de familie Gerhardt van Gorinchem naar Schiedam – de brandersstad – verhuisde. Ida Gerhardt was toen drie, en is waarschijnlijk nog eenmaal door haar moeder meegenomen naar de uiterwaarden. Wat er tijdens dat afscheid gebeurd is? Het blijft gissen. Maar het moet een zeer ingrijpende gebeurtenis zijn geweest, mogelijk een suïcidale impuls van de moeder: ’Opeens voelde ik, dat gij mij naar het water trok.’ Het kind voelt de dreiging onmiddellijk en begint ’wild en angstig’ te schreien. Dat heeft effect, de moeder komt tot inkeer. Het blijft gissen wat er precies gebeurd is. maar wat er ook is voorgevallen, het gaat om de ervaring van het kind.”

„Bij Gerhardt is het belangrijk te kijken naar de compositie van haar werk. ’Het levend monogram’ begint met gedichten die haar verhouding met haar moeder beschrijven, zoals ’Kinderherinnering’. Waar of niet, dit is het oerbeeld: een vredig tafereel in uiterwaarden met wollige schapen en witte lammeren, dat wreed verstoord wordt op het moment dat de moeder het kind naar het water trekt.”

Aan die ervaring voegt Gerhardt in de bundel al snel een element toe: de moeder – een vreselijke moeder – die haar veel kwaad heeft gedaan, is zelf slachtoffer geweest. Zij is, zo krijgen we te verstaan in ’Kapitale boerenplaats’, opgegroeid in een boerenmilieu, waarvoor de kapitale boerderij model staat. Dat boerenleven was hard en heeft haarzelf hard gemaakt:

Wie geld bewaart is wélbewaard:

Tweehonderd jaren onbezwaard.

Een achterdochtig onverstaan

wrokt in de sombere olmenlaan.

Van trage haat en lust bevracht

het geile water in de gracht.

Den vreemdeling behoede God -

De heemhond vliegt hem naar de

strot.

Berkelmans: „Denk nu niet dat Gerhardt zo probeert haar eigen pijn te verzachten. Dat gebeurt niet, maar zij voelt wel de behoefte de moeder te ontzien.”

In ’Dit donkere boek’ schrijft Berkelmans dat de hier opgeroepen besloten wereld van ’trage haat en lust’ waarschijnlijk niet klopt met de feiten. Kapitale boerenplaatsen omringd door grachten, vinden we niet in Noord- of Zuid-Holland waar de ouders van Gerhardt vandaan kwamen. Opmerkelijk, een biografisch dichter die feiten verzint.

„Het beeld dat zij van zichzelf en van haar ouders oproept”, zegt Berkelmans, „wijkt op vele plaatsen af van de historisch-biografische werkelijkheid. Voor dit gedicht put zij uit indrukken van de tijd dat zij in Groningen woonde en haar vakanties doorbracht op het platteland. De boerderij maakt deel uit van een mythe waarin ze geloofd heeft. Zij deed graag een beetje deftig. In haar familie werd geweldig gestreefd. Dat zie je ook bij haar vader, die telkens zijn baan opgeeft om weer een stapje hoger te klimmen op de maatschappelijke ladder. Zo komt dit burgergezin in de bovenklasse terecht. Gerhardt hecht aan die status, praatte ook een beetje bekakt.”

De klokken beginnen te luiden voor de sext, de gebedsdienst van twaalf uur. „We hebben geen haast”, zegt Berkelmans. „Ze luiden twee keer.”

Ook in de sobere kapel is Gerhardt niet ver weg: zij vertaalde de psalmen die er gezongen worden. Later op de dag, na het middageten, vertelt Berkelmans dat hij betrokken was bij die vertaalopdracht. De onderhandelingen daarover gingen niet van een leien dakje. „Zij was een moeilijke vrouw, zij besefte goed dat ze dezelfde aard had als haar moeder.”

Misschien komt dit besef het sterkst tot uitdrukking in het bekende gedicht ’Sonnet voor mijn moeder’:

Gij hebt, Moeder, dit leven zwaar

gedragen.

Gelijk ik het zwaar draag. Wij zijn

verwant.

Wij horen in dit stormbevochten

land

van kavels, tussen dijk en stroom

geslagen.

Ik heb uw gang: die driftige en toch

trage

voetstap, die onverzettelijke trant.

Uw harde hand herken ik in mijn

hand,

onwrikbaar om de schrijfstift heen-

geslagen.

Machtig zijn wij, in liefde en in

haat.

Gij hebt u dóódgehaat, hatend het

meest

uzelve, om de liefde die gij schond.

Ik ben genezen van het bitter

kwaad.

En eer in stugheid, wie gij zijt ge-

weest:

van mijn talent de donkere moeder-

grond.

De verwantschap met de moeder ziet de ’ik’ in haar onverzettelijke manier van lopen, in de harde hand waarmee zij zelf de pen vasthoudt. Maar het gedicht gaat verder, want de ’ik’ zegt genezen te zijn van het bitter kwaad, de haat die voor hen beiden zo kenmerkend is. „Ja”, zegt Berkelmans, „de bundel is zo opgebouwd alsof Gerhardt met haar trauma in het reine komt: ik heb verschrikkelijk geleden, akelige gevolgen van het trauma ondergaan, maar ik heb gezien dat ook zij er niets aan kon doen, sterker nog, dat ik aan haar verwant ben. Nu eert zij haar moeder – in stugheid, ja, van harte gaat het niet – want zij is wel de basis van haar talent geweest.”

„Toch is het te simpel, te denken dat zij het trauma met deze bundel van zich afgeschreven heeft. Over de ontwikkeling die de hoofdpersoon in de bundel doormaakt, heeft zij decennia gedaan, misschien wel haar hele leven. In het vervolg van de bundel blijkt ook dat zij getekend was door dezelfde suïcidale gevoelens als haar moeder:

Grijze zee

De zee trekt langzaam dicht

in regen en in mist.

Mijn hart trekt langzaam dicht

in grijze mist en regen.

Er zijn tot u geen wegen,

tot u.

Berkelmans noemt dit gedicht het emotionele dieptepunt van de bundel. „De open zee trekt dicht, en parallel daarmee voelt de ’ik’ zich teruggeworpen op zichzelf. In het monotone ritme van het gedicht hoor je de verlatenheid. Het gedicht is een gebed, het is gericht tot een u, die ze aan het eind van het gedicht aanroept. De uitzichtloosheid wordt compleet door de labyrintische woordschikking: ’geen wegen’ aan weerszijden geflankeerd door ’tot u’.”

Maar deze godverlatenheid krijgt in de bundel niet het laatste woord. „Je bent niet je lot”, zegt Berkelmans, „je valt er niet mee samen. Dat heeft Ida Gerhardt gaandeweg ontdekt door te werken met beelden en symbolen waarin zij zichzelf herkent. Dit schiep ruimte tussen feit en fictie, de poëzie werd de hefboom waarmee zij zichzelf uit het moeras hielp. Het schiep ook de mogelijkheid tot duidingen in christelijke zin.

Het titelgedicht ’Ichthus’ is hiervan een sterk voorbeeld.” Gerhardt gebruikt hier het oud-christelijke symbool van de vis:

De vis, getrokken door mijn hand

en éven vrij nog van de golven,

zal straks gewist zijn van het

strand

en door de grote vloed bedolven.

Maar in het water, dat hem nam

zwemt levende het Monogram.

Geheime trek van tij en maan:

Hij zal op alle kusten staan.

De vis verwijst ongetwijfeld naar Jona en de walvis, naar het verhaal van de wonderbaarlijke spijziging, en naar Christus zelf, want Ichthus was in de tijd van de vroege christenen een monogram, een letterwoord dat stond voor Jezus Christus Gods Zoon Verlosser. Maar wat betekent deze vis hier, door de ’ik’ in het zand getekend en straks door de vloed gewist?

Berkelmans: ,,Het gedicht neemt halverwege een wending: in de eerste vier regels staat het teken van de vis dat uitgewist wordt centraal, maar dan verandert het teken in de persoon die met het monogram wordt aangeduid: Christus.

Zoals Christus opstond uit de dood, zo verrijst de dichter in haar gedichten. De uiterwaarden, de verhuizing naar de brandersstad, de verwantschap met haar moeder, de haat, de suïcidale neigingen – door zichzelf weg te schrijven laat ze haar herinneringen achter zich, laat ze haar leven los. En wat ze te zeggen heeft, overleeft de dichter en staat in elke lezer weer op.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden