... ging de SDAP schoorvoetend in de richting van de troon

De Tweede Kamerverkiezingen van woensdag 1 juli 1925 betekenden een keerpunt in de geschiedenis van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). De socialisten gingen van 20 naar 24 zetels (in een Kamer van honderd), maar even belangrijk was dat het de eerste verkiezingen waren zonder Pieter Jelles Troelstra, jarenlang de even omstreden als vanzelfsprekende leider van de SDAP. Hij had een jaar eerder laten weten bij de verkiezingen niet meer beschikbaar te zijn voor het kamerlidmaatschap.

De nieuwe fractie koos op zaterdag 11 juli met zestien stemmen ir. J.W. Albarda tot haar voorzitter en daarmee tot partijleider. Vrijwel direct na die verkiezingen stelde het fractielid J.E.W. Duys de vraag of de SDAP haar traditionele boycot van het uitspreken van de troonrede door de koningin niet zou moeten beëindigen. Die boycot was langzamerhand een netelige kwestie voor de socialisten geworden. In 1911 had de partij de derde dinsdag in september uitgeroepen tot actiedag voor invoering van het algemeen kiesrecht. Bij de socialisten heette prinsjesdag voortaan 'rode dinsdag'. Maar met de invoering van het algemeen mannenkiesrecht in 1918 (en voor de vrouwen in 1922) was er niet zoveel aanleiding meer om prinsjesdag rood te kleuren. Een ander probleem voor de socialisten was de herinnering aan Troelstra's onhandige (en in eigen kring omstreden) taxatie van de revolutionaire ontwikkelingen in midden-Europa aan het eind van de Eerste Wereldoorlog. De SDAP had het daardoor uiterst moeilijk met haar sentimenten op het punt van het koningschap, de ontwikkeling in de maatschappij en de tactische vragen die daardoor gesteld werden.

Duys, die de zaak aan de orde had gesteld, was een opmerkelijk man. Als kamerlid onderscheidde hij zich als scherp en geestig debater, waarbij hij zich niet ontzag als hem dat uitkwam op de persoon te spelen. Als een echte populist kon hij radicale opvattingen naar buiten uitdragen, maar in feite was hij een pragmaticus.

Eén van de oud-gedienden in de partij, J.H.A. Schaper reageerde direct op Duys' voorstel. Als er een besluit moest worden genomen om te gaan, dan was het toch beter een jaar te wachten. Onmiddellijk na Troelstra's vertrek zou zo'n besluit een verkeerde indruk wekken, maar ondertussen kon ieder lid wat Schaper betreft persoonlijk doen of laten wat hem of haar het beste uitkwam. Een korte discussie stelde Albarda voor zijn eerste vuurproef, maar een jaar later bleek dat hij zich Schapers raad over één jaar uitstel had aangetrokken, want op 11 september 1926 - dus 75 jaar geleden - zette Albarda de kwestie van de Troonrede op de agenda van een gemeenschappelijke vergadering van Eerste en Tweede Kamerfractie.

Dat moet blijkens de notulen een levendige vergadering geweest zijn, waarbij alle mogelijke varianten onder ogen zijn gezien: gaan, niet gaan, uitstellen, het juiste ogenblik afwachten, persoonlijk beslissen. Ieder heeft wel een mening, zelfs het Tweede Kamerlid P. Hiemstra, die zichzelf in deze kwestie 'gematigd onverschillig' noemde (een opmerkelijk standpunt, dat hem er niet van weerhield te adviseren voortaan toch maar naar de Ridderzaal te gaan omdat de houding van de fractie steeds meer in strijd komt met de houding van de partij in het land).

Een belangrijk punt op de achtergrond bij deze discussie op dit ogenblik was dat het land net een langdurige kabinetscrisis had beleefd, waarbij het er zo waar even naar had uitgezien dat de Amsterdamse wethouder en Eerste Kamerlid F.M. Wibaut de eerste socialistische minister zou worden. Dat was op het nippertje niet doorgegaan, maar de principiële vraag van regeringsverantwoordelijkheid voor de socialisten bleek inmiddels een zekere actualiteit te hebben. In elk geval wilde in deze vergadering Wibaut niet wachten op de komst van socialistische ministers. De traditie mag steeds getoetst worden aan de omstandigheden, meende hij en de troonrede zou juist als een monarchistische betoging kunnen worden opgevat als de socialisten er niet bij zijn. Ook Schaper verdedigde een dergelijk standpunt. De aanwezigheid van de SDAP in de Ridderzaal moet niet worden gezien als een hulde aan het koningschap, maar juist aan de democratie en het parlementaire stelsel.

Voorzitter Albarda zelf had in het buitenland (België, Engeland en de Scandinavische landen) gehoord dat de partijgenoten daar geen enkel probleem hadden met zich een enkele keer om de troon te scharen en de roep 'Leve de koningin' na de troonrede raakte in elk geval Albarda's koude kleren niet.

Duys op zijn beurt zorgde voor een brok venijn door zijn standpunt als 'moedig' te omschrijven - een opmerking die zijn tegenstanders als een beschuldiging van 'lafheid' interpreteerden. Suze Groeneweg, Neêrlands eerste vrouwelijke kamerlid, was daar behoorlijk gepikeerd over en zij verzekerde zich niet ,,door Duys en diens vrouw te laten dwingen' - een opmerking, die bij Duys op zijn beurt een zenuw bloot legde. Hij was weliswaar in 1918 met een niet-partijgenote getrouwd, maar hij had zijn standpunt al lang voor dat huwelijk gevormd, liet hij weten. Bij de stemming tenslotte bleken achttien leden voor en twaalf tegen opheffing te zijn (hoewel mevrouw A.E.J. de Vries-Bruins liet aantekenen, dat zij verkeerd gestemd had; zij was niet voor, maar juist tegen).

Bleef daarna de vraag of de fracties in hun geheel moesten gaan. Henri Polak en Th. van der Waerden, die hadden tegengestemd, zegden toe wèl te zullen gaan, maar Suze Groeneweg bleef bij haar standpunt. Albarda had de neiging gewetensbezwaarden te ontzien en hij toonde ook begrip voor de positie van het Eerste Kamerlid Louis Hermans, die op grond van zijn radicale verleden bang was voor de reacties die juist zijn komst in de Ridderzaal zouden oproepen. De discussie over de slotvraag: 'gewoon in een net pak of in het zwart?' eindigde onbeslist. De kamerleden waren moegestreden.

Met de aanjager van dit alles, de socialistische (maar gemengd gehuwde) oranjeklant Duys, is het overigens slecht afgelopen. Hij schoof in de jaren dertig steeds meer in rechts-radicale richting, werd zelfs als partijlid geroyeerd, maar stapte niet op als kamerlid. Hij eindigde als lid van de NSB en liet zich in 1941 tijdens de bezetting tot één van de vijf 'vredesrechters' (een nationaal-socialistische variant op het Nederlandse rechtstelsel) benoemen. Zijn dood in hetzelfde jaar verhinderde dat hij als zodanig is opgetreden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden