Gijs Scholten van Aschat Ik ben steeds meer tevreden met mezelf

Gijs Scholten van Aschat (Doorn, 1959) is acteur. Hij is verbonden aan Toneelgroep Amsterdam. Hij debuteerde onlangs als schrijver met zijn novelle 'Beretta Bobcat'.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben
"Ken je de filosoof Cornelis Verhoeven? Over het al dan niet bestaan van God, schreef hij: als ergens behoefte aan is, dan is het er ook. Volgens Verhoeven staat de vraag naar God in het midden - als een diep, donker gat; het grote Iets of het grote Niets - en hebben de diverse religies daar een kring omheen gevormd. Religie beschermt de mens met beelden, verhalen en rituelen tegen dat niet te bevatten mysterie.

Ik wil graag ruimte openlaten voor het onverklaarbare, maar ik ben er eigenlijk wel van overtuigd dat er niets is. En dat het 'iets' wordt bepaald door de manier waarop ik mijn leven invul."

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is
"Een beeldend kunstenaar kan het leven begrijpelijker maken. Kunst duidt ons bestaan. Als je naar schilderijen kijkt, of boeken leest, kun je op andere gedachten over de werkelijkheid komen. Het is nu meer en meer zo dat de media bepalen wat belangrijk is, wat waarde heeft en wat niet. Het is wat het is. Dat is een starre manier van denken. Je kunt net zo goed beweren dat niets is wat het is. Oftewel: het is zoals je het laat zien. Een kunstenaar moet proberen om het publiek over de randen te laten kijken. Ik denk dat verdieping goed is voor de ziel. Niet dat ik zo'n altruïst ben die alleen maar aan anderen denkt; van betere mensen krijg je een betere wereld en dat is ook in mijn belang."

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken
"Er zijn in Gods naam de vreselijkste dingen gebeurd. Vroeger waren het de christenen, nu denken de moslims te weten hoe Hij het allemaal heeft bedoeld. Het is die kring van Cornelis Verhoeven; ze staan allemaal met hun rug naar God gekeerd en richten zich op de wereld. Het gaat dus over hun eigen belangen, over macht.

Als ik God was, zou ik eerst op zoek gaan naar de vorm: is Hij een zwerver op straat? Een zwarte vrouw? Toen ik het met een paar collega's een keer over Faust had, stelde ik voor de Mefisto, de duivel, er in elke scène totaal anders uit te laten zien. Om zijn ongrijpbaarheid te illustreren. Zo zou God ook kunnen zijn. Vervolgens moet ik bedenken wat ik met mijn kracht zou doen. Hoe kan ik de wereld beter maken? Ik denk dat ik zou beginnen met nog eens zeven plagen, gewoon om de boel een beetje uit te dunnen. De natuur ruimt wel eens iets op, maar sinds we geen grote oorlogen meer hebben, blijft de bevolking alleen maar groeien. We zitten zo langzamerhand in het experiment van de muizen: stop er tien in een kooi en er gebeurt nog niets. Twintig? Geen probleem. Bij dertig worden ze nerveus en als je er nog eens tien bij zet, beginnen ze elkaar te verscheuren. De mens zal het niet anders doen... Het bedreigt mijn persoonlijk geluk niet - ik ben op tijd weg - maar je zou er toch in het belang van het voortbestaan van de wereld iets op moeten verzinnen. Ik heb in dat verband een interessante vraag voor je. Stel je voor dat we er allemaal van overtuigd zijn dat de aarde alleen gered kan worden als dertig procent van de bevolking verdwijnt, zou je dan bereid zijn om een strootje te trekken? Trek je een lange dan blijf je, trek je een korte dan ruim je het veld. Nee? Heb je dan zo weinig voor de wereld over? Misschien is dat wel ons grootste probleem; dat we onszelf belangrijker vinden dan de rest."

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen
"Ik was van plan om een sabbatical te nemen. Ik wist niet meer waar mijn plaats was, wat mijn ambities waren. Wou ik gaan schrijven? Regisseren? Spelen? Ik zou een fietstocht maken en een jaar de tijd nemen om de dingen te overdenken. Na een paar maanden kon ik de hoofdrol spelen in 'Tirza' (de verfilming van de gelijknamige roman van Arnon Grunberg, uit 2010, AV) en daarna belde Ivo van Hove op om te vragen of ik bij Toneelgroep Amsterdam wilde komen werken. Dat was iets wat ik nog niet had gedaan; leuk gezelschap, andere league. Het leek mij goed om weer ergens bij te horen, om een nieuwe uitdaging aan te gaan. Ik wilde niet zelfgenoegzaam worden. Het had gekund hoor: snel veel geld verdienen met oppervlakkige dingetjes, maar ik werk me liever het schompes, voor een minder grote beloning, aan iets wat intrinsieke waarde heeft. Ik neem nu weer te weinig rust, dat is waar. Als er zich iets aandient, zegt het duiveltje dat ik het er makkelijk bij kan hebben, terwijl het engeltje fluistert dat ik beter nee kan zeggen. Tot nu toe wint het duiveltje meestal."

V Eer uw vader en uw moeder
"Ik houd van familie. Laatst waren mijn twee zoons thuis. Tweeëntwintig en vierentwintig, mannen zijn het al. We zaten met z'n vieren aan tafel en het voelde geweldig, zo'n mooi en rijk bezit.

Zo, ongeveer, ging het er bij mij thuis ook aan toe. Toen ik studeerde ging ik nog vaak naar huis om met mijn moeder te kletsen. Ze was een actieve, leuke vrouw. Cultureel onderlegd, eerst rechten en later Frans gestudeerd. En ze heeft een stuk of vijf, zes kinderboeken geschreven. Ja, good company, mijn moeder. Ze is helaas jong, op haar 69ste, overleden. Mijn vader is nu 88. Dat gezinsleven ligt ver achter me, maar ik herinner het mij als heel warm en gezellig. We woonden boven de bank waarvan mijn vader de directeur was. Een groot huis, met veel kamers en lange gangen. Ik was een toegankelijk kind, makkelijk in de omgang. De jongste van drie. Als we ergens op bezoek waren zeiden ze: 'Je hoeft alleen maar op Gijs te letten, dat hij niet in de sloot valt of zo.' Vanuit een grote vrolijkheid stortte ik me overal in en ging net zo lang door tot ik in slaap viel. Zodra ik wakker werd, ging ik weer. Zo'n kind was ik.

Mijn rijke fantasie zorgde ook voor een overprikkeling waardoor ik, zo tussen mijn zesde en tiende, regelmatig last had van nachtmerries. Ze hadden vaak met de oneindigheid der dingen te maken. Dan zag ik bijvoorbeeld mijn kamer afgeladen vol luciferhoutjes - daar kan ik overigens nog steeds angstig van worden; iets kleins in enorme hoeveelheden. Als ik zo'n aanval had, kroop ik bij mijn moeder in bed. Soms had ik ook van die ijldromen, ken je dat? Dan lag ik naast haar, maar dan bewoog ze steeds in en uit beeld. Waar ben je nou, mama? Ik ben hier. Hier ben ik gewoon. Nee, mijn vader speelt in dat verhaal geen rol. Hij was afstandelijker dan mijn moeder. Naarmate hij ouder werd, is hij ook iets eigenzinniger geworden. Het is voor hem altijd moeilijk geweest om zich te verplaatsen in mijn belevingswereld. Als ik een première had, nam hij een of ander kunstwerk voor mij mee dat in feite meer voorstelde dan mijn prestatie op het toneel. Ik voelde dat hij zo'n moment van overhandiging belangrijk vond, maar ik vond het vooral overdreven. Ik had niets met zo'n kunstwerk en wist niet waar ik het moest laten. Daar zei ik niets over, nee. Ik denk dat het zwijgen op die momenten ook een vorm van eerbied voor mijn vader is geweest."

VI Gij zult niet doodslaan
"In mijn novelle 'Beretta Bobcat' worden twee mensen vermoord. Ik zal je eerst vertellen hoe het boek is ontstaan. Jeroen, mijn zoon, zit op de filmacademie en op een dag stelde ik voor dat wij een beetje met elkaar zouden sparren: schrijf een treatment voor een korte film, schrijf een scène over twee mannen in een auto - dat soort dingen. Dit was de leukste opdracht: schrijf een kort verhaal met als titel 'Mijn eerste moord'. Zo is het begonnen. Het moet ergens over gaan - alleen de ware schrijver kan een dag beschrijven waarop niets gebeurt - maar in zekere zin kan die moord ook de sublimatie van mijn eigen woede zijn; dat het mij helpt om op papier een tegenstander om zeep te helpen.

We hebben het allemaal in ons, dat weet ik zeker. Je ziet eruit als een aardige vent, maar ik kan je wel zo ver krijgen dat je met een schep een kind doodslaat. Geloof je dat niet? Ga dan nog maar eens een boek over de Tweede Wereldoorlog lezen. Echt, het zit er, diep van binnen. Ik moet beroepshalve vaak naar die emoties op zoek gaan.

Ooit speelde ik een Haagse taxichauffeur in 'Decadence' van Het Nationale Toneel (de acteur kreeg in 1993 een Louis d'Or voor zijn rol, AV) waarvoor ik ook seksueel gewelddadig moest zijn. Tijdens het improviseren merkte ik steeds verder te kunnen gaan, op den duur vond ik het zelfs prettig om een vrouw bij haar haren te grijpen, tegen de muur te kwakken en te roepen dat ze nou eindelijk haar grote bek eens moest houden... Ik moest mijn best doen om weer uit die gemoedstoestand te komen. Het is mijn morele besef - zo ga je niet met mensen om - dat mij weghoudt uit dat gebied, maar die confrontatie op zich is wel interessant. Waarom ben ik eigenlijk niet altijd rücksichtslos? Wat houdt mij op de been? Ik kom, door mijn werk, dichterbij de rand - weet je wel hoe vermoeiend dat is? Al dat gewroet? Steeds maar weer mijn ziel en zaligheid uit te moeten schreeuwen? Ik werk nu met Ivo van Hove aan 'Na de repetitie' van Ingmar Bergman. Het stuk gaat over een gecompliceerde verhouding tussen een jonge actrice en een oudere regisseur. Het is heel veel tekst, en Ivo wil mij allerlei kanten laten opschieten. Het lukt me niet; het verhaal is nog niet ingedaald. Het is een boompje van niks dat zo maar om kan waaien. Het is goed mogelijk dat mijn persoonlijke woede - de onmacht, dat het mij maar niet lukt! - uiteindelijk mijn kracht wordt op het toneel. Dat is goed, dat is echt. Maar vermoeiend, ja man, het is zó'n uitputtend vak."

VII Gij zult niet echtbreken
"Dat ben ik niet van plan. Als je jong bent sta je - zeker in mijn beroepsgroep - vaker bloot aan verleidingen. Wat moet ik daar verder over zeggen? We zijn nu zo'n dertig jaar bij elkaar en ook wij hebben, vroeger, onze crisissen gehad. Het is een kwestie van geven en nemen, van een keer flink op je bek gaan, van sadder but wiser worden. Het zal ook wel iets hormonaals zijn, toch? Uiteindelijk leer je dingen in het juiste perspectief te zetten. Rust, daar draait het om.

Ik ben de laatste jaren, over het algemeen, steeds tevredener met mezelf. Ik heb de buitenwereld minder hard nodig om iets te zijn. Ik schep genoegen in het kleine. Als ik 's ochtends aan tafel zit met een goed gemaakte kop koffie en m'n krant, en ik hoor buiten een vogeltje fluiten, denk ik: wat een topdag! Vroeger dacht ik dat het groter en meeslepender moest zijn. In die wereld van televisie, film en toneel ben je elke dag bezig jezelf te bewijzen. Je loopt voortdurend rond met het gevoel dat je eigenlijk ergens anders had moeten zijn. Op een ánder feestje.

Ik ben liever thuis. Ons leven samen zit in een opgaande lijn; we hebben de dingen goed voor elkaar."

VIII Gij zult niet stelen
"Hebzucht is van alle tijden - laatst moest ik een lezing voor het Rijksmuseum voorbereiden en toen kwam ik erachter dat het bestuur van de Schouwburg in 1650 ook al in de weer was met tuinfeesten en oesterparty's om mensen om te kopen - maar ik geloof dat het schuldgevoel dat erbij hoort helemaal weg is. Iedereen steelt, het maakt niets meer uit. Dat komt doordat we een wereld hebben gecreëerd waarin de dingen ver van hun oorspronkelijke doel af zijn komen te staan. Het begon met het neoconservatisme en het neoliberalisme van Thatcher en Reagan: de bomen groeiden tot boven in de hemel. Iedereen - particulieren, bedrijven, maar ook scholen en lokale overheden - dacht maar aan één ding: geld verdienen. Niemand was geïnteresseerd in de intrinsieke waarde; alleen de winst telde. Vroeger was er nog een verbinding tussen de belegger en zijn investering, maar de laatste jaren is er vooral geïnvesteerd in verzekeringen, in lucht, in geld dat niet productief is. Geld dat ons niet helpt, maar ons zelfs tegenwerkt. Beleggers strijken neer, vreten zich vol en vliegen weer weg, het landschap kaal en uitgewoond achterlatend. Het is een losgeslagen systeem, gedoemd tot vernietiging. Kennelijk zijn we nog niet diep genoeg weggezakt om werkelijk van mentaliteit te veranderen. We lossen niets op door te goochelen met inkomensafhankelijke zorgpremies of belastingmaatregelen. De oplossing ligt in het analyseren van het probleem en het antwoord vinden op de vraag: wat is ons ideaal? In wat voor een wereld willen wij leven? Er moet weer een voorhoede in de maatschappij ontstaan die bereid is het goede voorbeeld te geven."

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste
"Ik kan wel aardig liegen. Iets verhullen vind ik vaak veel interessanter dan de boel helemaal opengooien. Over grote zaken, maatschappelijke toestanden, ben ik eerlijk en ontwapenend, maar slechts een kleine kring weet wie ik werkelijk ben."

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is
"Het is vervelend maar, ja, ik moet toegeven dat ik wel eens last heb gehad van gevoelens van jaloezie. Toen ik begin jaren tachtig bij de Haagse Komedie zat, speelde Pierre Bokma, met wie ik toen al goed bevriend was, bij het Publiekstheater in Amsterdam. Pierre was een groot talent - dat erkende ik ook - en alles wat hij deed, haalde de voorpagina van de cultuurbijlage. Wat ze bij ons in Den Haag deden, vonden de critici ouderwets, oninteressant. In die tijd heb ik wel eens gedacht: fock, dat wat Pierre krijgt, wil ik ook wel hebben. Dat is dan meteen de troostrijke kant van zo'n verhaal: als hij zoiets weet te bereiken, moet het voor mij ook mogelijk zijn.

Ik weet niet meer precies waarom ik het wou - het zal wel iets met mijn karakter te maken hebben; dat ik het leuk vind om aandacht te krijgen. Het is prettig als mensen bewondering hebben voor wat je doet, als ze daardoor nog meer van je houden. Als je merkt dat het zo werkt wil je vanzelf meer. Ik deed wel toneelstukjes, maar ik dacht er nooit aan om acteur te worden. Dat was de uitslag van een psychologische test die mijn ouders bij mij - een losgeslagen, ongeconcentreerde puber - hadden laten doen. Toen ik besloot om naar de Toneelschool te gaan, zei mijn moeder: 'Hartstikke leuk, moet je doen, maar neem er de tijd en de ruimte voor. Als je erachter komt dat het niet gaat lukken, moet je dapper zijn en besluiten ermee te stoppen.' Dat zag ze goed. Zeker voor de kunsten telt dat niets zo erg is als iets net niet te zijn. Ik hield haar boodschap in gedachten, maar ik was ook heel ambitieus en ik zou het nooit zo maar opgeven. Ik had geen idee waar ik wilde uitkomen. Als ik de brieven lees die ik in die tijd schreef zie ik dat de plek die ik voor mijzelf wenste veel bescheidener is dan de positie die ik uiteindelijk heb bereikt. Ik heb veel mooi en goed werk gehad. Ik ben een gezegend mens. Dat vind ik echt."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden