Gewoon dood

Ik veronderstel dat je op den duur gewend raakt aan het overlijden van generatiegenoten maar ik ben zover nog niet. De dood van de dichter Erik Menkveld, afgelopen zondag overleden aan een hartstilstand, voelt als een onrechtvaardige, zinloze gebeurtenis. Natuurlijk kende ik hem. Iedereen in dichterlijk Nederland kende Erik Menkveld, was het niet als programmamaker bij Poetry International dan wel als uitgever bij de Bezige Bij, maar vooral kenden we hem toch als dichter en als aanwezige op talloze poëziefestivals. Hij hoorde erbij, met zijn rustige sonore uitstraling en het kalme enthousiasme waarmee hij liet weten wat hij mooi vond, dat vooral. Erik Menkveld was een Feingeist, een estheet; niet toevallig hield hij van de Tachtigers, die andere schoonheidsaanbidders. Zijn gedichten getuigden ervan. Geen raar, provocerend gedoe, geen sarcasme, geen ondoorzichtig experiment. Hij kon van andersgezinde gedichten heel goed houden, hij had tenslotte een heel ruime smaak, maar zelf grossierde hij in schoonheid, iets tussen gevoeligheid en lichte ironie in. Zijn gedichten wemelen van de dieren en van de kinderen, van huiselijke momenten en gevoelens van geluk en extase. Een van zijn eigen spruiten noemde hij bij de geboorte in een gedicht 'een popelend boontje', een uitdrukking om nooit te vergeten. Hij was echt wat je noemt een lebensbejahend dichter, misschien dat dat het ook zo onwezenlijk maakt om aan hem als dood te denken. In een ander gedicht bezong hij het vergeten hout van vloeren en kozijnen die ooit 'tegen wilde luchten de wind / in ons tekeer voelden / gaan'. Altijd en overal maar leven, ontkiemen, wiegen, beweging.

Toch zal ik mij persoonlijk hem vooral als muziekliefhebber herinneren - hij schreef niet toevallig een roman over het muziekleven rond de voorlaatste eeuwwisseling, 'Het grote zwijgen'. Hij hield van heel veel, volgens een van zijn gedichten van Messiaen net zoveel als van Coltrane, hij was een groot liefhebber van klassieke muziek en speelde in een popbandje. Misschien was het wel meer de muzikale vervoering dan de muzikale substantie die hij zocht, ook in de poëzie trouwens waarvan ons vooral de prachtige elliptische zinnen zullen bijblijven, precies fijn genoeg om te weten waar het over gaat. Ooit zat ik bij hem op zijn werkkamer bij de Bezige Bij. Mijn eigen uitgever, de Arbeiderspers, had laten weten mijn essaybundel niet te willen uitgeven en nu ging Erik dat maar doen, al hoorde ik misschien niet in zijn stal maar daar maalde hij niet om. Juist daarom moest het kunnen, vond hij. Maar op een gegeven moment was het gedaan met de literatuur en haalde ik een cd tevoorschijn die ik net had gekocht, een mis van Michaël Praetorius met een majestueus, daverend slotdeel van trommels en bazuinen. Voor we het wisten zaten we in dat kamertje te dirigeren en te trompetteren. De laatste keer dat ik hem zag, was hij nog net zo springlevend als toen. Als altijd veerde mijn hart op toen ik hem zag. Dat dat van hem het nu begeven heeft, is onbegrijpelijk maar niettemin is hij 'toch gewoon dood' zoals een van zijn gedichten heet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden