Geweldig fladderende 'Zauberflöte'

Regisseur Simon McBurney maakt van 'Die Zauberflöte' een vederlicht, amusant horror-sprookje. Dirigent Marc Albrecht is de revelatie van de avond. Een top-Mozart.

Opera

Die Zauberflöte De Nederlandse Opera ¿¿¿¿¿

Een Königin der Nacht als strompelend takkenwijf in een rolstoel, drie knaapjes als griezelige, stokoude gnoompjes, Papageno als dakloze in een versleten bodywarmer, constant zeulend met een keukentrap. En dat alles in een duistere omgeving waar voortdurend enge, ondefinieerbare geluiden opduiken, waar galm en echo je spraak kleuren en de dreigende donder nooit ver weg is.

Het moge duidelijk zijn dat regisseur Simon McBurney in Mozarts 'Die Zauberflöte' (1791) een soort van horror-sprookje zag, waarin vreemde wezens en enge mensen op zoek zijn naar wie ze zijn, of waarom ze er zijn. Maar het knappe is dat in deze donkere, troebele en ongrijpbare wereld toch heel wat te lachen valt. Toegegeven, het zijn vaak meer grim- dan glimlachjes, maar het spelplezier spat van het podium af en in de zaal hoor je de toeschouwers knisperen van genot, gniffelend om de lol.

Met vaak heel simpele middelen - een schoolbord en een krijtje - tovert McBurney, samen met de mimespelers van zijn groep Complicite in deze donkerte een licht-fladderende wereld tevoorschijn - een wereld die fascineert, die aantrekt, waarin je best zelf zou willen rondlopen. Bovenal is deze nieuwe 'Zauberflöte' van De Nederlandse Opera, die donderdagavond heel enthousiast werd ontvangen, een fantastische ode aan theater en het maken daarvan.

De tegenstelling tussen donker en licht is er al direct aan het begin. Nog tijdens zijn opkomstapplaus begint Marc Albrecht met het dirigeren van de ouverture. De zaallichten blijven aan, het Nederlands Kamerorkest is heel dichtbij opgesteld (niet beneden in de bak), en als toeschouwer heb je het gevoel er direct middenin te zitten - alsof je mee mag doen. Wat helpt is dat Albrecht eigenlijk meteen voor de grootste verrassing van de avond zorgt. Want wie had er nou verwacht dat er achter deze Strauss-specialist zo'n geweldige Mozart-vertolker schuil ging?

De hele avond grossiert Albrecht in helder, pakkend en opwindend muziekmaken - de ideale tegenhanger van het theatermaken van McBurney en de zijnen. Het Nederlands Kamerorkest vervult een toprol op deze avond. De authentieke koperblazers voegen een ruige kleur aan de klank toe en in alle groepen wordt alert gereageerd op Albrechts plotselinge accenten en dynamische wendingen. De muziek tintelt, en ontroert waar nodig, zoals in Pamina's aria 'Ach ich fühl's' die met formidabele eenvoud gezongen wordt door Christina Landshamer - wat een ontdekking!

Wat de voorstelling zo aantrekkelijk maakt is dat orkest en dirigent ook acteurs in het geheel zijn. Zo krijgt Sarastro (mooie rol van Brindley Sherratt) van Albrecht de baton om zijn eigen jubelkoor te dirigeren. Fluitist Hanspeter Spannring en klokkenspelspeler Jan-Paul Grijpink vervullen als vanzelf een hoofdrol in het gebeuren.

Overigens speelt Papageno aan het slot, als hij vergeefs naar Grijpink zoekt, ook zelf een aardig partijtje weg op zijn klokkenspel. Het is slechts een van de vaardigheden van de Nederlandse bariton Thomas Oliemans, die hier zijn eerste dragende rol in Amsterdam mag spelen. Hij doet dat met een jaloersmakend gemak en met een stem die met de jaren mooier en mooier wordt. Als tragi-komisch figuur is Oliemans werkelijk perfect gecast en weet hij de zaal helemaal op zijn hand te krijgen. Samen met Papagena zet hij aan het slot die zaal zelfs letterlijk en heerlijk op stelten. Een prestatie van jewelste waardoor Oliemans in de operawereld nu beslist met zevenmijlslaarzen kan gaan rondlopen.

Het succes van de voorstelling is des te groter als je bedenkt met hoe weinig middelen McBurney zijn toverlantaarn annex kijkdoos optuigt. En al die middelen zijn ook nog eens open en bloot te zien voor het publiek - geen trucje is weggemoffeld. In een stalen kubusconstructie hangt aan vier kabels een speelvloer die alle kanten op kan kantelen. Erop, ernaast en eronder speelt de handeling zich af, aangevuld met videobeelden, een soundscape en projecties.

Zo ontstaat een onvoorstelbaar goed gelukte waterproef waarin Tamino en Pamina ineens in een immens aquarium lijken rond te zwemmen. Ook de slotscène, als de zon weer gaat schijnen en Pamina zich met haar rolstoelende moeder verzoent, is van een overweldigende en simpele schoonheid.

Ach, het is te veel om op te noemen en je moet de voorstelling waarschijnlijk nog een keertje zien om alles in je op te nemen. Bij die volgende keer is Iride Martinez (Königin) misschien nog iets beter op dreef, al joeg ze vocaal donderdag al behoorlijk angst aan. Maximilian Schmitt was een geweldig zingende Tamino en eigenlijk is er over de hele linie met smaak en zorg gecast.

Een voorstelling als een snoepje met een bitter smaakje. McBurney duidt niet, hij laat ons genieten en prikt af en toe. Heerlijk!

Peter van der Lint

Tot en met 30/12. www.dno.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden