Gevlekte witsnuitlibel: Geen lieverdjes, deze dubbeldeksvliegtuigjes

De zomer nadert en daarmee het komkommerseizoen. Hoe anders is het persbericht te duiden dat deze week werd uitgegeven door de Vlinderstichting onder de titel 'Voortplanting gevlekte witsnuitlibel op de ijsbaan te Castricum?' Hier is sprake van wereldnieuws in kleine kring. De zeldzame en wettelijk beschermde libellensoort heeft zich voortgeplant, en niet zomaar ergens, maar op de Castricumse ijsbaan! Al op 29 april werden een vliegend vrouwtje en een vers uitgeslopen mannetje waargenomen, de laatste zat nog naast de larvenhuid waar hij zojuist uit tevoorschijn was gekomen. Inmiddels zijn de larvenhuidjes van drie mannetjes en twee vrouwtjes gevonden.

De libellenkunde heeft een eigen jargon en het proces waarbij de volwassen libelle uit de huid van de larve kruipt, noemt men uitsluipen. De larven leven in het water en zij moeten dus eerst omhoog kruipen op een rietstengel of waterplant, zich daar vasthechten en vervolgens openbarsten. Daarna wordt er uitgeslopen, de vleugels worden opgepompt en de libelle kan zijn of haar zomerweken tegemoet. Het lege huidje blijft hangend achter. Libellenliefhebbers verzamelen deze vervolgens; zij waden speurend langs de oever op zoek naar de lege hulsjes waaraan de soort kan worden herkend.

De huidjes zijn het afval van de insectenwereld, als weggeworpen sappakjes, lege hamburgerbakjes, gebruikte en in een duinpan achtergelaten condooms - nutteloos geworden maar voorzien van een afzender. De identiteit daarvan kun je opzoeken in het boek 'Fotogids Larvenhuidjes van Libellen', uitgegeven door de KNNV; 320 pagina's die geheel gewijd zijn aan de achtergelaten lege hulsjes. Op prachtige macrofoto's blijft geen onderdeel onbenoemd: borststukken en anaalpiramides, antennesegmenten, occiputs, ocelli en de vertex, alles is in detail afgebeeld. Het vergt enig doorbijten, maar dan kun je ook tachtig soorten libellen onderscheiden.

Onze gevlekte witsnuit behoort tot een familie met de naam korenbouten, en wanneer een korenbout voorzien is van een occiput waarvan de zijden naar achteren convergeren, een trapeziumvormige kop, een ovaal of driehoekig oog, een zijdoorn op segment 7 en een rugdoorn op segment 8, dan is sprake van de gevlekte witsnuitlibel, Leucorrhina pectoralis.

U zult zich wellicht afvragen waar dit nu allemaal voor nodig is. Wat is de diepere zin van het verzamelen en determineren van zulke onooglijke frutsels als lege larvenhuidjes van libellen die zelf allang vertrokken zijn?

Die vraag kent een tweeledig antwoord. Het eerste antwoord is dat het kennis oplevert die inzicht geeft in de ontwikkeling van onze natuur, de biodiversiteit en de toestand van het (water)milieu. Maar ook bevredigt het de nieuwsgierigheid en de verzameldrang. De een verzamelt medailles uit de Eerste Wereldoorlog, een ander koppen van Goudse pijpen, een derde de stripverhalen van Marten Toonder. Postzegels, suikerzakjes, slakkenhuisjes, libellenlarvenvelletjes. Men wordt gegrepen door het verhaal erachter. Bij libellen is dat zeker interessant. Het zijn geen lieverdjes, deze miniatuur dubbeldeksvliegtuigjes, zeker de gevlekte witsnuitjes niet. De website van de Vlinderstichting vermeldt over hun gedrag: 'Geslachtsrijpe mannetjes bezetten zitposten aan de waterkant en verjagen andere mannetjes die in de buurt komen. Voorbijvliegende vrouwtjes worden direct gegrepen voor de paring.' Er hebben zich dus drama's afgespeeld op de ijsbaan van Castricum.

Jelle Reumer is directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden