Gevierd, vergeten, gevierd

'In een huis gezet worden, zorgen dat de aardappels klaar waren, ik kon het niet op me nemen', zei ze later

In Nederland hebben literaire reputaties in de regel een zeer beperkte houdbaarheidsdatum. Je kunt hier als schrijver bij leven nog zo beroemd en veelgelezen zijn, na je dood ben je meestal binnen een paar jaar vergeten. Zo mochten we onlangs in deze krant vernemen dat haast niemand meer weet wie Gerard Reve was en waarvoor hij stond. Dus moet het naleven van Harry Mulisch wel op een sof uitlopen. Wie kent nog ooit veelgelezen schrijfsters als Andreas Burnier en Anna Blaman? Welke boekhandel heeft werk van Carry van Bruggen in voorraad?

Wat af en toe kan helpen om een dode auteur opnieuw op de kaart te zetten is de verschijning van een biografie, al dan niet in combinatie met een of twee herdrukte romans. Zo komt Josepha Mendels (1902-1994) nu weer even in beeld. Welbeschouwd is het al de tweede come-back van een schrijfster die haar toptijd beleefde omstreeks 1950. Eind jaren zeventig, toen ze volgens de gangbare definities al bejaard was, kreeg Mendels' schrijverschap dankzij de ijver van uitgeverij Meulenhoff de wind weer even in de zeilen.

De hernieuwde aandacht bereikte een hoogtepunt met de toekenning van de allereerste Anna Bijnsprijs in 1985, een onderscheiding die speciaal was bedoeld om de vrouwelijke stem in de literatuur kracht bij te zetten. Maar in de jaren daarna daalde Mendels opnieuw af naar het literaire schimmenrijk. Hoe onrechtvaardig dat wel niet is kan iedere lezer constateren die de moeite neemt om in bibliotheek of antiquariaat een of meer boeken van haar hand op te sporen. Haar debuut 'Rolien en Ralien' (1947), om maar een treffend voorbeeld te noemen, is vanwege de mooie mix van de delicaat verwoorde zintuiglijkheid en de onbevangen kijk op het seksuele ontwaken van een jong meisje uniek in onze literatuur.

De biografie die Sylvia Heimans aan Mendels heeft gewijd gaat niet erg diep in op het oeuvre, maar geeft des te meer kleur aan de persoonlijkheid van deze 'niet-nette dame'. Het spectrum reikt van het zwart van de rouw tot het rood van de passie, compleet met alle tinten tussen het treurige grauw van het geschraap en gesjacher en het vrolijke bont van de levensvreugde. De nadruk op het privébestaan is zeer op zijn plaats. Mendels wist haar verlangen naar vrijheid en ongebondenheid immers niet alleen te verwerken in haar romans, maar leefde die ook ten volle uit. Geboren als de derde dochter van een vader die liever zonen had gehad en de orthodox-joodse leefregels dwingend aan zijn gezin oplegde, begon ze daarvan al vroeg afstand te nemen. Nadat ze eerst nog een aantal jaren had gewerkt als opbouwwerkster bij een Haagse vereniging voor joodse arbeidersmeisjes, keerde ze haar milieu de rug toe om zich als freelance journaliste in Parijs te vestigen. Ze zette er het ongebonden liefdesleven voort waarvan ze in het preutse Nederland al had geproefd. Dat ze, wijs geworden door de niet al te gelukkige verhouding tussen haar ouders die ze naderhand zou verwerken in de bekroonde roman 'Als wind en rook' (1950), weinig voor het huwelijk voelde, spoort met haar keuze voor een libertijns bestaan. 'Dat leven, in een huis gezet worden, zorgen dat de aardappels klaar waren, ik kon het niet op me nemen', zei ze later.

Het Parijse verblijf zou er in belangrijke mate toe bijdragen dat Josepha Mendels, anders dan haar in Nederland achtergebleven familieleden die in Auschwitz werden omgebracht, de oorlog overleefde. Weliswaar maakte ze in de Franse hoofdstad de Duitse inval mee, maar voordat ze kon worden opgepakt en naar een vernietigingskamp getransporteerd wist ze via het nog niet bezette deel van Frankrijk naar Londen te ontkomen. Daar werkte ze niet alleen mee aan de uitzendingen van Radio Oranje, ze ontmoette er ook Sadi de Gorter. Net als Mendels was deze van oorsprong joodse Nederlander getransformeerd tot Parijzenaar, zelfs in zo sterke mate dat zij hem, nadat ze geliefden waren geworden, behalve beschaafde

omgangsvormen en persoonlijke hygiëne ook een correcte beheersing van zijn sterk verwaarloosde moedertaal moest bijbrengen. Naderhand zou ze de Londense episode en de daar opgebloeide romance verwerken in de roman 'Je wist het toch' (1948), die tegelijk met de verschijning van de biografie zijn reprise beleeft.

De Gorter, na de oorlog naar Parijs teruggekeerd en vervolgens decennia lang actief als plaatselijk vaandrager van de Nederlandse cultuur, zou lang Mendels' 'hoofdminnaar' blijven. Zonder onderlinge problemen deelden ze hun bed ook met andere sekspartners (zij onder meer met de bijna dertig jaar jongere Simon Vinkenoog, begin jaren vijftig werkzaam bij het in Parijs gevestigde hoofdkantoor van de UNESCO) en regelden desgewenst ook gezamenlijk erotisch vertier met een dame extra. Toen Mendels de veertig voorbij was en zich geconfronteerd zag met een sterk oplevende kinderwens, was De Gorter bereid om als biologische vader op te treden en daarna op gepaste afstand te blijven.

Sylvia Heimans vertelt genoeg over Mendels' band met haar eerst- en eniggeboren zoon Eric om ons er van te doordringen dat hij, net als zoveel andere kinderen van Holocaustoverlevers, een jongetje was dat alles goed moest maken. Hoewel ze zelf maar weinig diploma's had vergaard, zat ze Eric tijdens zijn vormingsjaren flink achter de broek. Behalve dat hij zijn best moest doen in de schoolbanken, eiste ze ook dat hij zich bekwaamde in het bespelen van de viool. Geen wonder dat hij beter gedijde bij pleeggezinnen dan in zijn moeders nabijheid. Daar kon ze hem vanwege haar drukke schrijfarbeid trouwens niet altijd goed velen. Wat ze evenmin heeft kunnen verdragen is de kwellende gedachte dat zij als enige van haar familie de oorlog had weten te overleven. Ze ging er voor op de loop door zich te verliezen in een schijnbaar luchtig savoir vivre, en het naarstig werken aan een oeuvre waarin ze, in weerwil van de sterk autobiografische inslag, nooit het achterste van haar tong liet zien.

Toch is de spanning tussen het een en het ander wel degelijk voelbaar. Het is de verdienste van biografe Heimans dat ze die spanning zichtbaar heeft weten te maken in het verhaal van Josepha Mendels' leven. Wat er jammer genoeg aan ontbreekt is een afgewogen beoordeling van wat de auteur Mendels aan de Nederlandse literatuur heeft bijgedragen en de plaats die ze er al dan niet inneemt.

Sylvia Heimans: Josepha Mendels. Het eigenzinnige leven van een niet-nette dame Cossee; 320 blz. euro 22,95

Liefde tussen Kabouter en Raderdier

'Je wist het toch', Mendels' tweede roman die nu opnieuw in druk verschijnt, kan het beste samen met de biografie van Sylvia Heimans gelezen worden, het best erna eigenlijk. Het boek opent met de vlucht van 'de dichter', ene Frans Winter, over de Pyreneeën richting de vrijheid in Spanje. Deze dichter heeft nooit veel van de bergen gehouden. "Hij noemde het landschap pretentieus en arrogant, denkend aan de mildheid der duinen." De dichter blijft ook niet in de bergen, maar vinden we het volgende hoofdstuk in Londen waar hij in Hyde Park een nieuwe liefde ontmoet. "Als ze samen wat gesproken hebben (...) heeft zij behalve die babymond ogen vol fantasie ontdekt." Een zeer zinnelijke romance ontspint zich tussen deze twee Engelandvaarders, vluchtelingen van het Hitlerregime. Hij doopt haar Kabouter naar een tuinkabouter die hem als kind geruststelde als hij 's nachts bang was. Zij noemt hem Raderdier naar een zeldzaam waterdiertje, waarvan de haartjes altijd trillen, en de ingewanden door de huid heen schijnen. 's Avonds belandt hij bij haar in bed en krijgt ze alleen met veel moeite zijn matrozenpak vol lusjes uit ('je lijkt wel een pop'). Deze liefde in tijden van oorlog wordt door Mendels onbevangen opgetekend. Ook zeventig jaar na dato klinkt haar stem fris en fijnzinnig, maar aan strakke verhaalopbouw of heldere decortekening doet ze niet. Toch raakt ze je met dit excentrieke maar in stijl zeer levendige portret van de onconventionele, wat verloren Kabouter, waarin Mendels, zo blijkt uit de biografie, eigen oorlogservaringen verwerkte. Schrijnend is de beschrijving van de deportatie van haar zus; zij ziet gelaten toe hoe een behulpzame buurvrouw voortvarend haar huis ontmantelt. (JR)

Josepha Mendels: Je wist het toch Cossee; 214 blz. euro 18,95

Josepha Mendels in 1944 en in 1982

Simon Vinkenoog en Josepha Mendels

op het Boekenbal, 26 maart 1955

Josepha Mendels en Sadi de Gorter, Parijs (mei 1949)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden