Geven of niet geven, dat is de vraag

Bij reizen door armere landen, doemt al snel de vraag op: wel of geen aalmoes geven? Iris Hannema worstelde er ook mee en nam een stevig besluit.

Addis Abeba


Ik was een toeschouwer van mezelf en het wezen dat ik waarnam vervulde me met onrust. Ik zag een ik-mens op Nike-sneakers, iemand die anders dacht te zijn dan anderen, verheven, een tekortkoming die me overrompelde: ik kon de ander niet als gelijke zien. Mijn eerste reis door West-Afrika, over land van Senegal tot Nigeria, raspte de gladheid van mijn overtuiging een wijs mens te zijn en ik kwam al twijfelend bij de bron, mijn geweten, mijn denken te weten.


Dit is het Afrika-effect, de confrontatie met jezelf en armoede, een continent dat zich aan jou aanpast als een lachspiegel. Laat schoolse ideeën los en je beschouwt alle facetten van hoop: steden in aanbouw en ondersteund door houten steigers, de veerkracht, de bekwaamheid in recyclen. Open de sluizen voor schuldgevoel en hopeloosheid vloeit en je kijkt naar een opgegeven continent, een v-vormige aanhangsel van gravel en veel te veel inwoners, een constructie van opgehouden handen.


Al snel besloot ik geen aalmoezen meer te geven, nergens, aan niemand niet, nooit meer en ik ervaar het nog altijd als een verhelderende keuze, een verlichting. Het was niet mijn hart van goedheid dat geld gaf, maar mijn schuldgevoel rijk te zijn. Daarnaast vrijwaarde het mij van de onmenselijke keuze wie - op basis van zieligheid - de aalmoes meer verdiende dan de ander. Ik ontdekte in mijn eigen hart een openbaring, die ik toentertijd met moeite een plek heb kunnen geven: aan de basis van de drang anderen te willen helpen ligt de oerbehoefte om mezelf te helpen.


Twee jaar geleden was ik terug, nu in Oost-Afrika. In Addis Abeba ontmoette ik een reizend Nederlands stel dat mij vroeg pennen aan te nemen en op mijn vervolgreis door Ethiopië uit te delen. Ik legde uit dat ik dat liever niet deed en nodigde ze uit om koffie te drinken omdat ik het ze graag wilde uitleggen. In café Lime Tree, met achterin een boekwinkeltje met Engelse boeken, zaten we aan het raam met uitzicht over de verkeerschaos. En ik zag afwisselend de finesses van een stadsschepping en uitzonderlijke troosteloosheid.


Af en toe kreeg ik inderdaad ontzettende zin om alles wat ik in mijn rugtas had hier weg te geven, de hele rambam, kaal op Schiphol aan te komen en bij de vers belegde broodjes te gaan staan prediken over onze welvaart.


De Nederlanders en ik dronken sterke Ethiopische koffie en ik legde uit dat ik de ander niet ongevraagd wilde opzadelen met het idee hulpbehoevend en arm te zijn. Voelen mensen zich niet alleen minderwaardig als ze zo behandeld worden? Pennen creëerden behoefte; aan papier, aan een leraar om te leren schrijven, aan klaslokalen, aan lesmateriaal, aan toiletgebouwen, aan waterleidingen, aan werk, aan een beter leven.


Ontwikkelingshulp kon ik niet los zien van het superieure gevoel dat de ander beter af zou zijn als zijn leven meer op dat van ons zou lijken. "Maar ieder mens heeft toch recht op een beter leven?", vroeg de man. "Jij bent ook Nederlandse", vervolgde zij, "dan moet jij hier toch ook concluderen dat het leven niet eerlijk verdeeld is?"


Natuurlijk vond ik dat. Het ene kind heeft zo immens veel speelgoed dat de ouders een opruimassistent inhuren, het andere kind leeft met zijn moeder onder een plastic zeil. Heel Afrika was niet eerlijk, de wereld al helemaal niet, maar ik weet nog altijd niet wat 'eerlijk' op de schaal van mensheid precies betekent. Ik snap dat 'recht hebben op' een ideologie is, maar die is niet wereldwijd toepasbaar.


We sloten onze koffieafspraak goed af en toch voelde ik me die avond schuldig. Compassie is niet per definitie altijd wat de ander nodig heeft of wenst, maar het doet niet af aan de geste te willen delen. Wat maakt het uit als het ego aan de basis van barmhartigheid staat? Onszelf willen ontlasten van de zwaarte rijk geboren te zijn, maakt je geen slecht mens en toch kan ik er met mezelf niet mee in het reine komen.


Er is iets enorm onbenoembaars aan de kracht van Afrika, de onuitgesproken zorg, het gevoel één te zijn zonder elkaar ooit te hebben ontmoet, een vangnet van vanzelfsprekendheid dat zo fijnmazig is dat het voor ons buitenstaanders onzichtbaar blijft. Hoe meer ik reis, hoe meer ik dat gevoel van universele eenheid mis als ik thuis in Nederland ben.


Vroeger waren het alleen de beroemdheden die immuun waren voor het grotere geheel, meer bijzonder dan de ander, nu permitteert iedereen het zich en de sfeer is erdoor veranderd, op een ijdele manier naar binnen gericht. Zolang wij wezens op één aardbol elkaar niet als gelijken kunnen zien, zullen we elkaar zielig vinden, voor armoede blijven vrezen en het gevoel waarlijk rijk te zijn zal rusten op de vruchtbare bodem van hen die dat begrepen hebben.

Reisschrijver

Iris Hannema (1985) is reisschrijver en wereldreiziger, bezocht in haar eentje meer dan honderd landen. Eerder verschenen haar reisboeken 'Miss Yellow Hair, Hello!' en 'Het bitterzoete paradijs' (uitgeverij De Arbeiderspers). Volg Iris tijdens haar reizen via @irishannema.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden