Column

Geven de doden ons energie op Allerzielen? Of is het andersom?

Sylvain Ephimenco. Beeld Trouw
Sylvain Ephimenco.Beeld Trouw

Ik las de mooie brief van Titia Dijk-Gilhuis over rouw gisteren op de opiniepagina. Het was Allerzielen, onze tijdloze dodenherdenking. Geen grijs voor het raam en lood in het hart deze keer. Ook geen regen en afgerukte bladeren dwars door de lucht. De zon had maling aan rouw en herinneringen en knipoogde vrolijk door de wolken. De brief begon met een citaat van Anna Enquist en eindigde met de slotzin uit ‘Tonio’ van A.F.Th. van der Heijden: ‘Ja, ik geloof echt dat de doden een bepaalde energie voor ons achterlaten.’

Ik zocht eerst vergeefs naar die energie. Maar wat kun je als het enige graf dat je zou willen bezoeken aan de zuidelijke kant van dit continent ligt. Zou het dan een zielloze Allerzielen worden? Ik besloot die oude begraafplaats aan de IJsseldijk te bezoeken, waar ik een paar keer was langs gefietst. Een kerkhof zo groot als een postzegel, ingeklemd tussen een bouwmarkt, een benzinestation en het water uit het oosten. De gedenkstenen liggen er scheef, de graven zuchten onder mos en gevallen bladeren. En zo te zien is het al een eeuwigheid geleden dat een hand hier een bloem heeft achtergelaten.

Op een bord bij het toegangshek staat dat de eerste Krimpenaar die hier op 2 januari 1829 ter aarde werd besteld, Arie Koomen was: ‘Oud zeventig jaar, in de derde klasse, gratis.’ Arie Koomen haalde wel Kerst maar waarschijnlijk niet het nieuwe jaar. Hij kon misschien nog vernemen hoe eerder dat jaar de Nederlander Caspard van Houten een brevet kreeg, omdat hij de chocolade (oplosbare cacaopoeder) had uitgevonden, maar niet hoe op 11 maart 1829 Felix Mendelssohn-Bartholdy in Berlijn de Matthäuspassion voor het eerst uitvoerde sinds de dood van Johann Sebastian Bach.

Ik liep langs de 23 graven op een kerkhof dat al een halve eeuw niet meer in gebruik is. Alsof de hier achtergebleven en bijna vergeten doden een tweede keer moeten zijn gestorven. Hun in het grijze gesteente gebeitelde voornamen zijn nog net leesbaar en klinken verouderd: Petronella (1824-1900), Fopbertus (1822-1886) of Gijsbertha (1862-1880).

Later, thuis aangekomen, zou ik in het verleden van al die lang vergeten onbekenden gaan wroeten. Allerzielen op internet, springend van tak tot tak in al die stambomen. Ik hield toevallig halt bij Arie Cornelis Mijnlieff (1830-1905), stenenfabrikant uit Krimpen aan den IJssel, waar hij was geboren en gestorven. Ook zijn vader Jan Fopz bakte stenen in Krimpen en trad op 24 juni 1921 met Grietje in het huwelijk, een dikke maand dus na de dood van Napoleon Bonaparte op het eiland Sint-Helena.

Wisselende Hollandse luchten

Geven de doden, ook als ze ons volstrekt onbekend zijn, ons toch energie op Allerzielen? Of is het andersom? Op nog geen kilometer van de piepkleine begraafplaats ligt een winkelcentrum. Met Geliefde heb ik daar een bos rode rozen gekocht. Niet echt de kleur van rouw en vergankelijkheid. Vervolgens, onder wisselende Hollandse luchten, hebben we op het kleine kerkhof aan de IJssel de 23 graven voor even uit de vergetelheid gehaald en met een bloem versierd.

Drie keer per week schopt Sylvain Ephimenco in Trouw heilige huisjes omver.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden