Gevaren werden lang voor lief genomen

Nederlandse burgemeesters bespreken binnenkort een vuurwerkverbod voor particulieren. De maatschappelijke kosten zijn volgens sommigen van hen te hoog. Hoe ging dat vroeger?

Autoriteiten die het halverwege december al dun door de broek begint te lopen. Steden die half verbouwd worden om moedwillige sloop en opblazen zoveel mogelijk te voorkomen. Noodverordeningen voor 31 december en 1 januari. Het lijken vooral verschijnselen van deze tijd. Vroeger was alleen Den Haag berucht, omdat daar elk jaar grote groepen primitievelingen hun verwoestende sporen trokken.

De boze geesten met veel kabaal verjagen is in wezen ook een primitief (en stokoud) gebruik. Het lijkt bovendien iets van bijna alle culturen. De koppeling met het midden van de winter voert waarschijnlijk terug op het zonnewendefeest van de Germanen. Met dagen van lawaai en gejoel probeerden ze de duisternis en de kou uit te bannen, de zonnegod te behagen en de terugkeer van licht en vruchtbaarheid af te dwingen.

Rond het begin van onze jaartelling werd in China al vuurwerk gebruikt bij religieuze feesten die in de verte wel wat leken op de Germaanse riten. Via de Arabische wereld bereikte het fenomeen aan het einde van de Middeleeuwen Europa. Daar gebruikten ze vuurwerk aanvankelijk voor oorlogsvoering. Als bron van vermaak maakte het pas opgang toen hoven veel moeite gingen doen om elkaar te overtroeven met pracht en praal. Zo verwierf het paleis van Versailles op den duur een zekere roem vanwege zijn imponerende vuurwerken.

Van regelgeving was, ook in de jaren daarna, nog nauwelijks sprake. Ongelukken gebeurden. Kruit voor reguliere oorlogsvoering was ook niet zonder gevaar. Ontploffende magazijnen en schepen bliezen met enige regelmaat halve steden weg. Een beroemde ramp van die soort is die van Leiden begin 1807.

Particulieren waagden zich pas laat aan vuurwerk. Veel elementen van de Nederlandse Oud en Nieuwtraditie zijn van betrekkelijk recente datum. Wim Kan hield zijn eerste oudejaarsconference pas in 1954, op de radio. Het knallen rond twaalf uur werd pas gemeengoed in de jaren zestig. Dat was voor een belangrijk deel ook een kwestie van welvaart. Daarvoor hadden mensen het geld niet of het geld er niet voor over. Herinneringen aan de oorlog zullen ook niet geholpen hebben bij het verkrijgen van populariteit.

De afgestoken hoeveelheden waren gedurende de jaren zestig nog redelijk bescheiden. ’Zware gebruikers’ die hele burgermansfortuinen investeerden in hun vuurkracht dateren van later. Gevaren werden voor lief genomen of niet gezien. Zelf vuurwerk maken was in sommige kringen gebruikelijk.

Tot eind jaren zeventig bestond er nauwelijks regelgeving voor vuurwerk. Toch heerste al een zekere terreur. Niet voor niets verbood de vuurwerkwet van 1980 de verkoop van strijkers, materiaal dat goed knalde en zich goed leende voor het kleinere opblaaswerk van vandalen. Strijkers zorgden bovendien met regelmaat voor ernstige verwondingen. Om diezelfde reden werd de hoeveelheid kruit in siervuurwerk aan regels gebonden.

Daar liet de overheid het niet bij. Via campagnes van de Stichting Ideële Reclame (Sire) poogde ze de burger enig verantwoordelijkheidsbesef bij te brengen. De toon van de spotjes en advertenties was – zeker voor die tijd – ongebruikelijk hard. ’Je bent een rund als je met vuurwerk stunt’ had nog een zekere mildheid. ’Dankzij dat veel te korte lontje, heb ik nu eindelijk een hondje’ probeerde de doelgroep direct en gevoelig te raken.

De Nederlandse wetgeving veroorzaakte ondertussen wel een levendige smokkel van illegaal vuurwerk vanuit het omringende buitenland, met name België. Dat werd nog erger, toen Den Haag na de vuurwerkramp van Enschede in 2000 de regels voor opslag en verkoop nog eens aanscherpte.

Oud en Nieuw ontspoorde in steeds meer gemeenten. Of leek te ontsporen, want de maatschappelijke acceptatie van misdragingen en de gevolgen daarvan verminderde ondertussen ook. Vuurwerk roept stilaan weer associaties op met oorlogsvoering, zij het dan op kleine schaal. Schiedam heeft er al genoeg van. Misschien blijkt dat gevoel door veel meer plaatsen in het land te worden gedragen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden