Bezoekers van Kamp Holland in Tarin Kowt, Uruzgan, Afghanistan worden gefouilleerd voor ze het kunnen betreden; 2009.

Afghanistan Marteling

Gevangen door Nederlandse missie, gemarteld door Afghaanse geheime dienst

Bezoekers van Kamp Holland in Tarin Kowt, Uruzgan, Afghanistan worden gefouilleerd voor ze het kunnen betreden; 2009. Beeld Hollandse Hoogte

Nederland droeg tijdens de Uruzgan-missie gevangenen over aan de beruchte Afghaanse veiligheidsdienst. Ze zouden goed worden behandeld; dit zou nauwlettend worden gevolgd. Lighthouse Reports toont nu aan dat er structureel sprake was van marteling.

Nog maar net is M. door Nederlandse militairen in Uruzgan overgedragen aan de Afghaanse veiligheidsdienst NDS, als hem te verstaan wordt gegeven dat hij moet betalen: 200.000 Pakistaanse roepies, en snel een beetje. Als hij duidelijk maakt dat hij dat geld – omgerekend ruim duizend euro – niet heeft, wordt hij naar de martelkamer gebracht. “Ze hingen me op en sloegen me met stokken. Ze dreigden me te vermoorden als ik niet zou betalen.”

De volgende ochtend komt zijn broer naar de gevangenis: “Ik zei hem: je moet ons land verkopen en de opbrengst hier brengen.” Als zijn broer de daaropvolgende ochtend niet op tijd met het geld verschijnt, moet M. opnieuw naar de martelkamer. En als zijn broer later die dag alsnog komt, met geld, wordt M. wéér meegenomen: de 150.000 roepies die zijn familie bijeen heeft geschraapt, zijn niet genoeg.

“Het was ongelooflijk moeilijk voor mijn familie om het geld bij elkaar te brengen. Na een tijdje is het gelukt en mocht ik gaan. Toen ik wegging werd ik nog een keer bedreigd: ‘Vertel niemand over de marteling en het geld, want dan arresteren we je en brengen we je daarna naar je graf.’”

Ongrijpbare tegenstander

Het verhaal van M. is exemplarisch voor alles waar Nederlandse politici voor vreesden, voorafgaand aan de militaire missie in Uruzgan. Begin 2006 vertrokken zo’n veertienhonderd Nederlandse militairen naar de opstandige zuidelijke provincie in Afghanistan, waar ze de wederopbouw moesten ondersteunen na jaren van oorlog. Het was een gevaarlijke missie, met een soms ongrijpbare tegenstander – de Taliban – die nog alom aanwezig was. De Nederlandse militaire bijdrage kwam onder grote Amerikaanse druk tot stand, en zou uiteindelijk tot 2010 duren.

Voorafgaand aan de missie was al duidelijk dat er mensen, mogelijke talibanstrijders en andere verdachte personen, zouden worden opgepakt. Maar wat met hen te doen? Afgesproken werd dat gevangenen maximaal 96 uur zouden worden vastgehouden op Kamp Holland. Daarna moesten ze ofwel worden vrijgelaten, ofwel worden overgedragen aan de NDS, de Afghaanse veiligheidsdienst. Zoals met M. gebeurde.

Een complicerende factor bij deze gang van zaken was van meet af aan duidelijk: de NDS had een extreem slechte reputatie op het gebied van mensenrechten. Zouden de overgedragen krijgsgevangenen goed worden behandeld? De Verenigde Naties en parlementariërs waarschuwden voor de verantwoordelijkheid die bij een overdracht hoort: wie gevangenen overdraagt, wetende dat ze het risico lopen te worden gemarteld, overtreedt een belangrijk principe van inter­nationaal recht. Dat is het zogenoemde ‘non-refoulement beginsel’, dat ieder mens moet beschermen tegen uitlevering aan een regime waar een risico op foltering bestaat.

Stevig politiek debat

Voorafgaand aan de missie, in 2005 en begin 2006, vond over de kwestie een stevig politiek debat plaats, waarbij toenmalig minister Ben Bot van buitenlandse zaken uiteindelijk beloofde dat overgedragen gevangenen op de voet zouden worden gevolgd. Met Afghanistan werd afgesproken dat het Internationale Rode Kruis (ICRC) en een lokale organisatie AIHRC toegang zouden krijgen tot de overgedragen gevangenen.

Hetzelfde zou gelden voor Nederlandse diplomaten. Die zouden de gevangenen geregeld bezoeken: in de eerste week van hun detentie en daarna elke drie maanden. “De monitoring is essentieel. Wij weten precies wat er met de gevangenen gebeurt, waar zij ook heengaan”, zegde Bot toe.

En het werkte, afgaand op de eindevaluatie van de Uruzgan-missie. Want toen er zes jaar later, na het einde van de missie, verantwoording werd afgelegd aan de Tweede Kamer schreven de betrokken ministeries in het eindrapport dat ‘de door Nederland overgedragen gevangenen niet zijn gemarteld of onmenselijk behandeld’.

Uit onderzoek van journalistencollectief Lighthouse Reports komt een ander beeld naar voren. Het beloofde volgsysteem was niet op orde. En interviews met ex-gevangenen schetsen een beeld van structurele marteling en afpersing.

‘Threat to the mission’

Dat laatste blijkt niet alleen uit de getuigenis van de eerdergenoemde M., wiens volledige naam niet kan worden genoemd in verband met zijn veiligheid. Hij woont nog altijd in Uruzgan, dat anno 2019 deels in handen is van de Taliban. Het is er onveilig en er gelden strenge regels. Zelfs telefoneren is verboden in gebieden waar de Taliban heerst.

Talibanstrijders beheersen een groot deel van Uruzgan. Beeld EPA

De Afghaanse journalist Noori Shah spoorde naast M. nog vijf mensen in Uruzgan op die zeggen door de Nederlanders te zijn overgedragen. Een bron bij het Nederlandse ministerie van defensie bevestigt op basis van leeftijd, naam, vaders naam en stamgegevens voor vier van hen dat ze in de gevangenen-­administratie van Defensie voorkomen.

Wat de vier precies op hun kerfstok hadden of zouden hebben, is onduidelijk. In de administratie van Defensie – geanonimiseerd in handen gekregen via een procedure Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) – staat slechts beschreven waar en wanneer mensen werden opgepakt. Niet waarom, behalve dan soms het algemene ‘threat to the mission’ (gevaar voor de missie).

Kamp Holland

Zo blijkt er niet meer uit dan dat A., een van de ex-gevangenen die in Uruzgan zijn verhaal doet, werd opgepakt in het stadje Mariabad, toen hij achttien jaar oud was. Na een verblijf van een aantal dagen in de gevangenis van Kamp Holland werd hij overgedragen aan de NDS. Daarna zegt hij nog anderhalf jaar vast te hebben gezeten.

In de Afghaanse cel kreeg hij soms dagenlang geen eten. “En als ik dan te eten kreeg, was het zo smerig dat ik ervan moest kotsen.” Ook vertelt hij over marteling door opsluiting in een koude cel en door langdurige slaaponthouding. Zijn bewakers dreigden hem bovendien voortdurend met uitlevering aan de Amerikanen en een toekomst in Guantánamo Bay.

Uiteindelijk wist A.’s vader voldoende geld te lenen om hem vrij te kopen. Dat wordt bevestigd door S., een derde opgespoorde gevangene. Hij beschrijft hoe de vader van A. 250.000 afghani (een kleine drieduizend euro) leende om A. vrij te krijgen. Hij zelf zegt bloot te zijn gesteld aan langdurige kou en extreem harde muziek. Ook hij werd regelmatig bedreigd met uitlevering aan de Amerikanen.

Schuld afbetalen

Soms werden gevangenen vermoord als ze het geld niet konden regelen, zegt M., die net als A. nog steeds bezig is met het afbetalen van de schuld die zijn familie aanging om hem vrij te krijgen. Hij noemt daarbij de naam van een andere gevangene die ook op de Nederlandse lijst voorkomt: A.J. Die werd samen met zijn broer overgedragen aan de NDS. Zij konden geen 200.000 roepies bij elkaar krijgen, zegt M. Volgens hem zijn de broers later dood gevonden, gedumpt in de woestijn.

Als een verrassing kunnen deze getuigenissen van marteling en afpersing niet komen. Voorafgaand aan de missie was er grond voor twijfel aan de NDS, tíjdens de missie werd die alleen maar groter. In april 2007 verschijnt bijvoorbeeld in de Canadese krant Globe and Mail een geruchtmakend verhaal over de NDS, waaraan ook Canada (dan actief in de zuidelijke provincie Kandahar) gevangenen heeft overgedragen. De krant spreekt tientallen van deze gedetineerden en uit hun verklaringen komt een patroon naar voren van marteling, mishandeling en uithongering. Na een politieke crisis besluit Canada de overdracht enkele maanden stop te zetten.

In maart 2010 blijkt uit een verhaal in de Sunday Times dat de situatie niet is verbeterd. Twee door Nederland overgedragen gevangenen spreken onafhankelijk van elkaar over een hun marteling bij de NDS.

Hoofdwond

Ook onder Nederlandse militairen is het vertrouwen in de NDS minimaal. Een Nederlandse veteraan die anoniem wil blijven, vertelt over dingen die hij meemaakte en waar hij liever niet aan terugdenkt.

Zoals de overdracht van één specifieke gevangene. Hij ziet het nog voor zich: een Afghaan vertrekt met de gevangene over de schouder naar een witte pick-uptruck, net buiten de hoofdpoort van Kamp Holland. Aangekomen bij de pick-up werpt hij hem met een zwaai in de laadbak. Door de klap stuitert het hoofd van de gevangene omhoog – het bloeden begint meteen.

Deze veteraan heeft de gevangene een paar dagen verzorgd en een lunchpakketje klaargemaakt om hem mee te geven. Als hij ziet hoe de gevangene al bij de overdracht gewond raakt, wil hij ingrijpen. Maar zijn meerdere, een officier van de marechaussee, houdt hem tegen: “Het is klaar. Dat was het. Tot hier en niet verder voor ons.”

De overdracht van de gevangene met de hoofdwond herinnert hij zich nog goed, ook omdat hij er bij zijn leidinggevende later op terugkomt. Hij vraagt hem op de man af: wat gebeurt er dan met deze mensen? Het antwoord zal hij nooit vergeten. “Als je heel stil bent en je wacht nog even dan hoor je het vanzelf.”

Waarborgen

Het vermoeden dat het slecht zou aflopen met gevangenen die door Nederland werden overgedragen, leeft ook bij andere Nederlandse betrokkenen. Twee andere Uruzgan-veteranen bevestigen onafhankelijk van elkaar dat ze ervan uitgingen dat een gevangene na uitlevering mogelijk zou worden gemarteld of vermoord. Ook zij blijven liever anoniem.

Ondanks al deze twijfels en aanwijzingen dat de NDS niet te vertrouwen was, gingen de Nederlandse uitleveringen aan de dienst gedurende de hele missie door – op basis van de waarborgen voor goede behandeling van de gevangenen die daarbij hoorden: het volgsysteem.

Maar werkte dat systeem? Al in 2007 meldde Amnesty International in een rapport dat in ieder geval één van de twee pijlers van de monitoring, namelijk het bezoekrecht van het

Internationale Rode Kruis en AIHRC, tekortschoot. Amnesty International stelde vast dat beide organisaties in veel gevallen geen toestemming van de NDS kregen als ze gevangenen onaangekondigd wilden bezoeken.

Gevangenisbezoeken

Dan de monitoring door Nederlandse diplomaten. In het eindrapport voor de Tweede Kamer wordt gezegd dat gevangenen ‘in de regel’ in de eerste week van hun detentie werden bezocht. Een procedure via de WOB, met een verzoek om alle verslagen van gevangenisbezoeken in Uruzgan, levert 69 van deze verslagen op. Sommige zeer beknopt, andere iets uitgebreider. Daarin is bijvoorbeeld te lezen of een gevangene weet waarom hij vastzit (dat is niet altijd het geval), of hij voldoende te eten krijgt, of hij toegang heeft tot een arts, en of hij goed wordt behandeld. In de 69 verslagen wordt geen melding gemaakt van mishandeling.

Maar wat zegt dit over de volledigheid van de monitoring? Uit een groslijst die via de WOB boven water komt, blijkt dat er tijdens de missie in totaal 574 mensen gevangen zijn genomen door Nederlandse militairen. Daaruit blijkt ook dat er circa 230 zijn overgedragen aan de NDS. Het ministerie bevestigt dat alle verslagen zijn gedeeld. Overgedragen gevangenen zijn dus niet allemaal bezocht, laat staan structureel en herhaaldelijk. Daarover zegt het ministerie van buitenlandse zaken: “De mogelijkheid om deze bezoeken af te leggen hing mede af van de veiligheidssituatie op dat moment, de capaciteit bij de ambassade en van de Afghaanse autoriteiten.”

Verre van toereikend

Ook uit interne communicatie, eveneens verkregen via een WOB-procedure, ontstaat een beeld dat de door minister Ben Bot essentieel verklaarde monitoring in de praktijk vaak een ondergeschoven kindje was. Na een gevangenisbezoek in 2008 geeft een militair-juridisch adviseur, een zogenaamde LegAd, bijvoorbeeld aan zich zorgen te maken: de personele capaciteit is ‘verre van toereikend’ voor een effectieve monitoring, schrijft hij.

Ook klagen LegAds over gebrek aan overzicht. Uit e-mails blijkt dat zij herhaaldelijk verzochten om een overzichtslijst met alle uitgeleverde gevangenen. In een e-mail uit 2008 geeft een LegAd aan dat een voorstel om zo’n lijst aan te leggen is afgewezen.

Als de Nederlanders in 2010 vertrekken uit Uruzgan, nemen de Australiërs de verantwoordelijkheid voor de missie over. Een jaar later besluiten zij de overdracht aan de Afghaanse geheime dienst enkele maanden te staken. In 2013 doen ze dat opnieuw. Aanleiding is een onderzoek naar verhalen over marteling in de NDS-gevangenis in Tarin Kowt.

De gebeurtenissen van destijds achtervolgen A. nog altijd. Niet alleen de herinnering aan de martelingen houdt hem ’s nachts wakker. “Ik ben nu dertig. Ik zou eigenlijk een gezin moeten hebben; in plaats daarvan werk ik om mijn schulden te kunnen terugbetalen.”

De namen van de geïnterviewde ex-gevangenen, de bron bij Defensie en de veteranen zijn bekend bij de hoofdredactie.

Het onderzoek

Journalisten­collectief Lighthouse Reports werkte twee jaar aan dit verhaal, waarbij het vooral lastig was betrouwbare informatie uit Uruzgan te verkrijgen. De journalisten spraken met verschillende Nederlandse veteranen die zorgen hadden over wat er met overgedragen gevangenen gebeurde. Het ministerie van defensie bleek hierover geen uitsluitsel te kunnen geven. Daarom werd samenwerking gezocht met een Afghaans onderzoeksbureau met een goed netwerk in Uruzgan. Dat werkte mee op voorwaarde van anonimiteit.

Het rapport gaf een zorgelijk beeld van de situatie in de gevangenissen van de Afghaanse geheime dienst. De Afghaanse journalist Noori Shah, die met gerenommeerde internationale media samenwerkt, werd benaderd. Hij ging in Uruzgan op zoek naar mensen die ooit door Nederland waren overgedragen. Hij kwam terug met zes namen. Een van deze personen was inmiddels overleden. Aan een bron bij het ministerie van defensie werd gevraagd of de namen voorkwamen op de Nederlandse gevangenenlijst. Bij vier van de zes was dat het geval.

Met medewerking van Klaas van Dijken en Lisa Dupuy. Dit verhaal van Lighthouse Reports is mede mogelijk gemaakt dankzij een subsidie van Stichting Media en Democratie. 

Lees ook:

Gaat het de Amerikanen nu dan echt lukken een vredesdeal te sluiten met de Taliban?

De Amerikanen proberen via vredesoverleg een terugtrekking uit Afghanistan te regelen. Ze opperen nu zelfs om samen met de Taliban op te trekken tegen IS.

Maaike Hoogewoning is operatie-assistent bij defensie: Ik val mijn man niet lastig met heftige dingen

Maaike Hoogewoning (37) werkt als operatieassistent bij defensie. In haar boek ‘Oorlog in de operatiekamer’ schrijft ze over haar ervaringen tijdens een missie in Afghanistan. ‘Ik vertelde thuis niet dat ik die dag zes keer op de grond had gelegen vanwege een raketaanval.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden