Gevallen voor de loverboy

Trouw-redacteur Iris Pronk wil weten waarom zij, en met haar een heel leger journalisten, niet getwijfeld heeft aan het relaas van loverboy-slachtoffer Maria Mosterd. Een zelfonderzoek.

’Kom dushi, het duurt maar even’, zegt Manou, terwijl hij een condoom omdoet. Voor hem op bed ligt de twaalfjarige Maria, die nog nooit ’een piemel in het echt van zo dichtbij zag’. Het meisje, nog maar net een brugklasser, wordt ontmaagd en daarmee ingewijd in een hels leven. Want Manou is een loverboy, die haar vier jaar lang bedreigt, mishandelt en voor hoer laat spelen.

De ontmaagdingsscène staat in het begin van ’Echte mannen eten geen kaas’ (2008), de bestseller van Maria Mosterd. Ik las het boek vorig jaar als non-fictie, met bewondering voor haar taalgevoel en timing. En met verbijstering: nooit geweten dat er een Nederlandse wereld bestond waarin zulke jonge meisjes worden gedwongen tot prostitutie, wapen- en drugshandel. Notabene onder de ogen van hun ouders en leraren.

Ik geef het hier maar toe: in mijn hoofd rinkelden geen alarmbellen. Niet bij de lange lijst misdaden die Manou ongestraft begaat (hij verhandelt meisjes en laat homo’s verdwijnen, geen haan die ernaar kraait). Niet bij Maria’s uitspraak in een talkshow op tv dat ze achter een raam in Rotterdam, onder schooltijd, in slechts enkele uurtjes ’duizenden euro’s’ voor haar loverboy verdiende.

En nee, ook niet bij de e-mail van een kritische lezer – ik noem hem hier Richard – die Maria's verhaal ’onbewijsbare hysterie’ noemde. Zag ik dan niet dat het meisje haar belevenissen had verzonnen?

Richard mailde me na mijn stuk ’De loverboy rammelt aan de poorten van de school’, dat in deze krant werd gepubliceerd op 7 juli 2009. Aanleiding was de rechtszaak die Maria en haar moeder Lucie Mosterd hadden aangespannen tegen de Thorbecke Scholengemeenschap in Zwolle. Want die zou een rommeltje hebben gemaakt van de verzuimadministratie en moeder Lucie nooit hebben verteld dat haar dochter non-stop spijbelde.

Ik liet schooldirecteuren, loverboyslachtoffers en hulpverleners aan het woord. Maar ook Lucie Mosterd, zonder haar te vragen of haar dochter echt zo vaak ongemerkt van school wegbleef.

Nu lees ik mijn eigen stuk met enige gêne terug. Want afgelopen januari werd bekend dat de rechter de school op alle punten in het gelijk stelde: de administratie was wél op orde, Maria zat doorgaans keurig in de les. En vorige maand openden de misdaadjournalisten Hendrik Jan Korterink en Peter R. de Vries de aanval op Maria’s boek. Zij maakten aannemelijk dat de gewetenloze crimineel Manou helemaal geen loverboy is. En dat haar ’egodocument’ vermoedelijk een mix is van veel fictie en een paar feiten.

De ontmaskering van Maria Mosterd als fictie- of ’faction’-schrijfster, nodigt uit tot zelfonderzoek. Honderdduizenden lezers, inclusief een leger journalisten, lazen haar boek als waar gebeurde horror. Kritische vragen kreeg de schrijfster nauwelijks. Hoe komt dat? Wat maakt dat wij haar slachtofferverhaal blind geloofden?

Laat ik die vraag voor mezelf proberen te beantwoorden. Want de ’Mosterdgate’ zit me dwars. Eerst hijsen ’wij van de media’ Maria eensgezind op het podium, waardoor zij uit kan groeien tot hét nationale loverboyslachtoffer. Een rol die het meisje zelf vermoedelijk nooit heeft voorzien: zij schreef haar boek als onderdeel van een therapie, waarna het via een hulpverlener (die haar belevenissen kennelijk ook voor waar hield) bij de uitgeverij belandde.

En vorige maand, na het grondige onderzoek van de twee misdaadjournalisten, stortten wij ons weer gretig op Maria’s ’bedrog’. Het was nieuws, Maria had met haar boek ook anderen beschadigd, haar ontmaskering heeft waarschijnlijk grote invloed op échte loverboyslachtoffers. Allemaal deugdelijke journalistieke redenen voor een krantenartikel of tv-item. Maar toch: Maria was nooit zo hard gevallen als wij haar niet zo kritiekloos en zo hoog hadden opgetild. Waarom deden we dat?

Journalisten zijn dol op catchy woorden. ’Maffiamaatje’, ’homohostie’, ’pedo-priester’: ze hebben met elkaar gemeen dat ze lekker klinken, een emotionele lading hebben en ook nog eens goed in een kop boven een artikel passen.

Het woord ’loverboy’ bevat binnenrijm en verwijst bovendien naar twee onderwerpen die bij iedereen emoties oproepen: kinderen en seks. De combinatie roept afkeer, angst en ook een ongemakkelijk soort opwinding op. De loverboy is een gladde griezel, een moderne duivel die het op jonge, kwetsbare meisjes heeft gemunt: voor journalisten is er bijna geen mooier onderwerp denkbaar.

Dat verklaart, denk ik, ten dele de indrukwekkende mediacarrière van de loverboy, die de Leidse onderzoekers Peter Burger en Willem Koetsenruijter beschreven. Zij doorzochten kranten en tv-nieuwsrubrieken over een periode van tien jaar en kwamen honderden artikelen en items hierover tegen.

Daarin komt de ’boy’ zelf overigens zelden aan het woord: journalisten, zo concludeert het tweetal, kiezen en masse de kant van het slachtoffer. Die is, samen met haar hulpverlener, hun belangrijkste bron. Justitie en politie hebben in de loverboyliteratuur een veel minder luide stem.

Journalisten doen hun werk niet goed, zei Hendrik Jan Korterink, auteur van het boek ’Echte mannen eten wél kaas’, onlangs in deze krant. „Ze zoeken niks uit.” In het geval van Maria Mosterd heeft Korterink gelijk. Ik ben ook niet op zoek gegaan naar de echte man achter ’Manou’, of naar eventuele politierapporten, of naar de ramen waarachter Maria zou zijn geëxploiteerd.

Zulke research is uiteraard tijdrovend – Korterink en De Vries zijn er maanden mee bezig geweest. Ik had me daar niet aan gewaagd. Als ik vorige zomer, tijdens het schrijven van mijn artikel, was gaan twijfelen aan de klacht van de Mosterds tegen de school, dan had ik beter kunnen besluiten om het níet te publiceren.

Maar de bellen in mijn hoofd bleven stil. Dat had misschien ook te maken met de afzender van Maria’s slachtofferrelaas: het verhaal dook niet op via een vage internetsite, maar kwam keurig gedrukt tot ons via de respectabele uitgeverij Van Gennep.

Die beweert nu, in een halfslachtige verdediging, dat ze Maria’s verhaal wel als ’authentiek en onthullend’ maar nooit als ’feitelijk, journalistiek verslag’ heeft gepresenteerd. Ik vermoed dat Van Gennep Maria’s boek in eerste instantie klakkeloos tot autobiografie heeft bestempeld, en nu toch ook aan het waarheidsgehalte is gaan twijfelen.

Die ogenschijnlijk betrouwbare afzender verklaart echter slechts een klein deel van mijn geloof in Maria’s slachtofferverhaal. Dat was zo sterk, dat ik op Richards kritische e-mailtje vorige zomer beleefd doch afwijzend en heimelijk verontwaardigd reageerde. Hij kwalificeerde Maria als leugenares, en dat doe je niet, vond ik, bij een meisje dat zoveel ellende heeft meegemaakt.

Een slachtoffer niet geloven – dat is een heel vervelend, onbehaaglijk gevoel. Het bekruipt me ook terwijl ik dit stuk schrijf. Want stel nou dat Richard en de twee misdaadjournalisten het bij het verkeerde einde hebben? Dat Manou toch een meedogenloze pooier is? Dat Maria wel degelijk jarenlang slachtoffer was van seksueel misbruik en geweld? Geef ik haar dan, met mijn hier publiekelijk beleden ongeloof, niet ook nog eens een gemene trap na?

De scepticus ondergraaft de positie van het slachtoffer en laadt daarmee de verdenking op zich partij te kiezen voor de dader. Misschien is het de angst om met mogelijk kwaad besmet te raken, om min of meer medeplichtig te worden, die maakt dat ik mij intuïtief aan de kant van het slachtoffer schaar.

Empathie en medelijden zijn fijnere, veiliger gevoelens. Vooral als het slachtoffer in kwestie onschuldig en kwetsbaar is, zoals een meisje van twaalf.

Die voorkeur voor het ’schuldeloze slachtoffer’ is volgens de Tilburgse hoogleraar victomologie Jan van Dijk typisch christelijk. „De bijbelse vertellers identificeren zich niet met de offeraars, maar met de geofferde zondebok”, zo schrijft hij in zijn oratie ’Het Abelsteken; over de sociale etikettering van slachtoffers van misdrijven’ (2006). Van Dijk betoogt dat het beeld van het schuldeloze slachtoffer zo stevig in ons collectieve bewustzijn is verankerd, dat het ook het denken van niet-gelovigen stuurt. Dat begint al met het woord ’slachtoffer’: dat drukt niets actiefs of assertiefs uit, maar louter passief lijden. Het offerdier wacht op het mes, meer mogelijkheden heeft het niet.

In het Japans en Chinees heeft het slachtoffer een andere, meer neutrale naam, schrijft Van Dijk: ’Schade ontvangende persoon’. De schade kleeft de persoon weliswaar aan, maar lijkt – anders dan bij ’slachtoffer’ – niet zijn volledige identiteit te bepalen.

Misschien is Maria Mosterd tijdens het schrijven – onbewust – ook door dit krachtige beeld beïnvloed: het jonge meisje, vermorzeld door het kwaad. Het ideale slachtoffer, met ook nog eens de ideale, eveneens catchy naam. Ze viel – in interviews, en wie weet ook in haar eigen hoofd – samen met de hoofdpersoon van haar knap geschreven pageturner, met filmische scènes, goed gedoseerde gruwelen en een authentieke, rauwe verteltoon.

Maar nu, na de kritische analyse van Korterink en De Vries, is dat beeld uitgewerkt. Mosterd is slachtoffer-af en niet langer zonder schuld.

Ik neem me voor om in de toekomst alerter, minder goedgelovig te zijn: het alarm op scherp. Maar of het zal werken? De kracht van het verhaal is in onze samenleving nog steeds groot: er zullen altijd weer Maria Mosterds opduiken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden