Gevaar van goede bedoelingen

Verplichte hulp bij opvoeding is het nieuwe toverwoord in de politiek en samenleving. Is heropvoeding het antwoord op alle problemen? Daaraan wijdt Podium deze zomer een serie artikelen. Vandaag Paul Frissen.

Het kabinet is in de greep van het nieuwe paternalisme. Van links tot rechts geldt betutteling niet langer als verwerpelijk, maar is de nieuwe ’politieke correctheid’ geworden. PvdA-kamerleden lanceren het ene na het andere beschavingsoffensief. Christen-democratische bewindslieden gaan voor in het decreteren van (hun) waarden die tot normstelling moeten leiden. Breed gedeeld is het besef dat de jeugd niet meer wil deugen. Dat is van alle tijden, maar het schijnt nu erger te zijn. Ook dat is van alle tijden en hangt samen met de demografie: hoe minder jeugd, hoe meer last we er van hebben.

De minister voor Jeugd en Gezin heeft zijn plannen ontvouwd. Er komen Centra voor Jeugd en Gezin die opvoedingsondersteuning aanbieden, zonodig verplicht. Van elk kind komt er een elektronisch kinddossier. Daarin komt de uitslag van de hielprik, andere medische gegevens, de resultaten van de verplichte taaltoets, en natuurlijk de risicoanalyse die van alle ouders wordt gemaakt. De wethouders van de grote steden vinden dat Rouvoet niet ver genoeg gaat. Er moet meer in het dossier, zodat er eerder, gerichter en beter kan worden ingegrepen.

Er wordt vol ingezet op preventie, zoals dat heet. ’Nooit meer een Savannah of een Maasmeisje’ is het adagium. En als preventie niet helpt is er nog altijd de repressie. Onze gevangenissen en jeugdinrichtingen zullen nog voller raken dan ze al zijn. We zijn tweede in Europa, als het gaat om aantal gedetineerden ’per hoofd van de bevolking’. Het aantal uitzettingen uit de ouderlijke macht is toegenomen. We kunnen ons opnieuw gidsland noemen. Maar nu in een volstrekt contraire betekenis aan het decennia lang gekoesterde beeld van de moreel hoogstaande en tolerante natie. Nu was dat zelfbeeld natuurlijk tamelijk pathetisch en is het gezond dat we na enkele politieke moorden, stevige corruptieschandalen en een uiteengespatte multiculturele droom ons opgeheven vingertje niet meer kunnen vertonen. We zouden van normalisering kunnen spreken als de slinger niet zo extreem de andere kant uitslaat. Met enige psychologie van de koude grond valt de toestand van het land als hysterisch te duiden.

Er is een politiek klimaat gegroeid dat afwijkt van het relatief liberale karakter dat de Nederlandse staat altijd heeft gekenmerkt. De verzuilde staat wist maar al te goed dat hij op afstand moest blijven. Zo hebben we de burgeroorlog voorkomen in dit land van minderheden. Nu moet de staat meer interveniëren in gedrag en gezindheid van de burgers. En dat terwijl we meer dan ooit een land van minderheden zijn.

Een indrukwekkende lijst van geboden en verboden vormen de beleidsvoornemens op allerlei terreinen: gezondheid, milieu, opvoeding, integratie. Ongewenst gedrag moet worden bestreden, maar liever voorkomen. Preventie is een politieke hit. Om dat ongewenste gedrag te voorkomen moet de gezindheid van de burger worden aangepakt. We moeten de zonde voorkomen door het zondebesef te versterken en zondige verlangens te onderdrukken. Met de beste bedoelingen uiteraard: bescherming van zwakkeren, ondersteuning van kansarmen, emancipatie van ongeëmancipeerden. Voor hun eigen bestwil natuurlijk.

De interventiedrang is gebaseerd op forse morele uitgangspunten. Kennelijk weet de politiek wat gezond, gelukkig, duurzaam en bovenal wat fatsoenlijk is. De burger moet weer worden opgevoed. Dat is natuurlijk altijd de andere burger: zelden hoor ik een politicus betogen dat verlichte opvoedingsondersteuning voor hem persoonlijk wel heel geschikt is. Immers: nooit thuis en zelden ’quality time’ voor het kroost.

Er zijn plannen om verantwoord burgerschap te bevorderen. Een commissie gaat de rechtsstaat propageren. Of dan vooral zal worden uitgelegd dat de rechtsstaat de burger tegen de staat moet beschermen, is twijfelachtig. Het is immers de burger die onaangepast, onverantwoord en onfatsoenlijk is geworden.

Moraliseren is bon ton. De Christen-Unie wil huwelijkscursussen, de PvdA een verbod op bling bling kleding en gewelddadige games. Wilders wil afwijkende, kleding strafbaar stellen. Zouden we dan ook we het Oude Testament op de index moeten zetten? Of de vrijstellingen van verzeker- en vaccinatieplicht voor religieus bezwaarden moeten opheffen? Of het processieverbod weer opnieuw invoeren? Dat zal wel niet. Onze moraal deugt immers. Wij zijn fatsoenlijke burgers. Wij hebben niets te verbergen. Maar de verplichte sterilisatie van ’opvoedingsonbekwamen’ ligt eigenlijk in lijn met veel beleid.

Dat tekent ook de fundamentele bezwaren tegen de nieuwe betutteling. De staat verbindt zich met moraal, meer in het bijzonder met de moraal van een meerderheid. De machtsmiddelen die om goede redenen een staatsmonopolie zijn, worden dan ingezet tegen ’de ander’ die meestal een minderheid is.

Een belangrijk kenmerk van de democratie is dat die minderheden beschermt en dat die het verschil juist bescherming mag en kan bieden. Dat betekent de acceptatie van ongemak en ongeluk. Dat betekent verdraagzaamheid voor het afwijkende en het vreemde.

Er zijn al ruim voldoende strafrechtelijk verboden om gedrag te corrigeren. Daar is geen morele disciplinering voor nodig. Die is ook ongewenst: een staat die goede bedoelingen heeft, is gevaarlijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden