Getijdenboek om zelf in te bladeren

(Foto's Jantiene Meeter/BPH) Beeld
(Foto's Jantiene Meeter/BPH)

Voor het eerst stelt de Bibliotheca Philosophica Hermetica alle 25 middeleeuwse Nederlandse getijdenboeken uit haar collectie tentoon. Stuk voor stuk juweeltjes van privédevotie en elk exemplaar uniek, zowel wat de inhoud als de verluchtingen betreft. Dankzij Geert Grote werd het getijdenboek het populairste boek van de Middeleeuwen.

Cokky van Limpt

Als kostbare parels liggen de boeken te pronken op kussens van blauw fluweel. Vijfentwintig zijn het er, alle Nederlandse getijdenboeken van de Bibliotheca Philosophica Hermetica (BPH) in Amsterdam. Oprichter van de bibliotheek, Joost Ritman, heeft ze in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw verzameld. De complete collectie is in 2004 aangekocht door de Nederlandse overheid.

„Het plan was om de getijdenboeken te beschrijven en op internet te publiceren”, vertelt Helen Wüstefeld, conservator van de bibliotheek voor het aandachtsgebied mystiek. „Dat is gebeurd, maar Ritman vond het zo leuk dat hij ook in boekvorm en met een expositie deze unieke middeleeuwse handschriften breed toegankelijk wilde maken.”

De beschrijvingen op internet, de expositie en het boek ’Sleutel tot licht’ passen in het streven van de bibliotheek om haar collectie stukje bij beetje te ontsluiten. Vorig jaar en eerder dit jaar heeft ze dat al gedaan met haar Spinoza- en Gustav Meyrink-verzamelingen.

In de late Middeleeuwen was het getijdenboek het meest verbreide gebedenboek voor de privédevotie van leken. De kern van een getijdenboek bestond uit een aantal teksten die ontleend waren aan het gebedenboek van religieuzen, het brevier. Zo kon de leek zijn gebedsleven zoveel mogelijk aanpassen aan dat van de kerk. Geestelijken stonden immers in direct contact met het Hogere, en door hen zoveel mogelijk na te volgen, zou iets van de heilswerking op de gewone man en vrouw kunnen afstralen.

Elk getijdenboek begint met de kalender. Wüstefeld: „Hierop staan alle heiligen van een bepaald bisdom, plus de christelijke feestdagen. Speciale heiligen, zoals Bonifatius en Willibrord in de Noordelijke Nederlanden, en eveneens de apostelen stonden in gekleurde inkt, rood of goud, op de kalender. Behalve deze kalender en de aan het brevier ontleende gebeden konden er in een getijdenboek ook psalmen, gezangen en hymnen zijn opgenomen, en teksten voor bepaalde gelegenheden, zoals de dodenvigilie voor de herdenking van overledenen.”

Er stonden lang niet altijd alleen religieuze teksten in een getijdenboek. „Sommige bevatten ook tabellen voor aderlaten bijvoorbeeld en voor het berekenen van schrikkeljaren. Ook zijn er soms beschrijvingen in te vinden van bepaalde mensentypen, zoals het sanguinische of melancholische type. Daarbij werd dan het sterrenbeeld vermeld en of iemand met die bepaalde gemoedstoestand blond, donker, mager of dik was.”

Die onderlinge verschillen maken elk getijdenboek uniek, zegt Wüstefeld. „Het zijn heel individuele boekjes, die van ouders op kinderen worden geërfd, aangevuld en gemoderniseerd naar de smaak van de tijd. Er werden soms ook nieuwe miniaturen toegevoegd, in een heel andere stijl dan die van het oorspronkelijke boekje. Deze werden dan niet ingenaaid, maar tussen de bestaande verluchtingen gelijmd.”

Het zijn vooral deze doorgaans schitterende religieuze miniaturen, en de fraaie sier- en strooiranden, met bloemen, vlinders, vogels, vruchten, die de aantrekkingskracht verklaren van deze middeleeuwse handschriften op een groot publiek. Wüstefeld: „De miniaturen hebben meestal scènes uit het leven van Jezus tot onderwerp, van de Annunciatie – de aankondiging aan Maria van zijn geboorte – tot de uitstorting van de Heilige Geest met Pinksteren. Soms wordt de passie, de lijdenstijd van Jezus, heel uitgebreid in beeld gebracht. Ook smeekbeden tot heiligen kunnen verlucht worden. Een bekend voorbeeld bij een smeekbede tot de heilige Anna, de moeder van Maria, is de voorstelling ’Anna-te-drieën’, waarop Anna, Maria en Jezus zijn afgebeeld.”

Het gebruik van getijdenboeken kwam in de 13de eeuw op gang in Frankrijk en de Zuidelijke Nederlanden en verbreide zich in de 14de eeuw in heel Europa onder brede lagen van de bevolking. De Franse, Duitse en Belgische getijdenboeken waren voor het grootste deel in het Latijn geschreven, de taal van de kerk. Het unieke van de latere Nederlandse getijdenboeken (jaren tachtig van de 14de eeuw) is dat zij zijn geschreven in de volkstaal, het Nederlands. Dat is de grote verdienste van Geert Grote (1340-1384) en zijn beweging van de Moderne Devotie.

Geert Grote verwierf aan het einde van de 14de eeuw een grote schare volgelingen. Hij predikte een leven in soberheid, in navolging van Christus: bijbelteksten over Jezus moest je niet alleen lezen, je moest ze ook vertalen naar je eigen gedrag, vond hij. Onvermijdelijk preekte hij dus ook tegen de gevestigde orde in de kerk, waar priesters met concubines samenleefden en geestelijke ambten gekocht konden worden.

„Ook tegen de Utrechtse Domtoren heeft hij gepreekt. Die beschouwde hij als een beeld van machtswellust en ijdelheid van de kerk. Het geld voor de bouw had beter aan de armen besteed kunnen worden, vond hij. De ironie van het lot wil, dat op een miniatuur in het enige Vlaamse getijdenboek op de tentoonstelling uitgerekend de Domtoren staat afgebeeld waar Geert Grote zo tegen was. Het was de grootste vrijstaande toren van die tijd en hij moet een enorme indruk hebben gemaakt op de mensen. De afbeelding van de toren was een symbool voor het hemelse Jeruzalem.

„Geert Grote kreeg in 1383 een preekverbod en is toen teksten gaan verzamelen en vertalen, waaronder het getijdenboek. Hij wilde dat ook eenvoudig en laaggeschoolde leken zouden kunnen beschikken over gebeden in de moedertaal. Preken met de pen noemde hij dat. Het is”, zegt Wüstefeld, „zonder twijfel aan hem en zijn volgelingen, de moderne devoten, te danken dat het getijdenboek in de Nederlanden zo populair is geworden. Uit de moderne devoten ontstonden de Broeders en Zusters des Gemenen Levens, die zich onderhielden met het afschrijven van religieuze boeken, waaronder getijdenboeken.”

Geert Grote voegde ook zelf gebeden toe aan het getijdenboek, zoals ’De getijden van de Eeuwige Wijsheid’ – een vertaling van de ’Cursus Aeternae Sapientiae’ van de Duitse mysticus Henricus Suso (1295-1366). Net als Suso, wilde ook Geert Grote het vuur van de oude vroomheid weer ontsteken en de mensen tot innigheid brengen.

Deze mystieke tekst van Suso werd door Grote’s vertaling erg geliefd in de Noordelijke Nederlanden.

Meer dan negentig procent van de ongeveer 1000 à 2000 bewaarde getijdenboeken uit onze streken is geschreven in de volkstaal, het Middelnederlands, en bevat de versie van het getijdenboek van Geert Grote.

De tentoonstelling begint met een aantal facsimile-uitgaven (getrouwe kopieën) van getijdenboeken. Dat maakt een bezoek extra aantrekkelijk, omdat je de boeken ter hand kunt nemen en mag doorbladeren en zo met eigen ogen kunt zien wat er allemaal in te vinden is en hoe schitterend ze zijn verlucht. De originele manuscripten, die achter glas liggen opengeslagen, zijn geschreven op perkament. Om ook het speciale gevoel dat perkament geeft, na te bootsen, is een van de facsimile-uitgaven gedrukt op waardepapier, de papiersoort die voor geld wordt gebruikt. De bladzijden knisperen tussen je vingers.

Helen Wüstefeld verzorgt elke week, op woensdagmiddag, een gratis rondleiding over de tentoonstelling. De getijdenboeken komen tot leven door haar interessante verhalen over de eigenaar(s), over de afschrijvers van de teksten en de kunstenaars die de miniaturen en de randversieringen hebben geschilderd.

Maria Magdalena, De Zeven Smarten van Maria en de Kruisiging. (Trouw) Beeld
Maria Magdalena, De Zeven Smarten van Maria en de Kruisiging. (Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden