Review

Getekend door een idyllische jeugd

Hij was een egoïst, een alcoholicus, een verwende jongen die het bankroet van zijn ouders nooit te boven kwam. Hij schreef ook de onsterfelijkste regels van de Nederlandse dichtkunst. Een voortreffelijke biografie laat zien hoe Bloems jeugdjaren hem totaal ongeschikt maakte voor het moderne leven. Hij leefde liever in het verleden, toen hij nog rijk was.

De dichter Jakobus Cornelis – ’Jacques’ – Bloem is een van de weinige grote Nederlandse dichters met een wat ruimer leespubliek. Niet voor niks hebben sommige van zijn regels in het collectieve bewustzijn een plekje gevonden. ’Domweg gelukkig in de Dapperstraat’ is zo’n regel. ’Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’ is een andere die veel Nederlanders wel weten te plaatsen.

Hieraan afgemeten staat J.C. Bloem (1887-1966) echt bovenaan. We hebben onder onze klassieke dichters Kloos (’Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten’), Gorter (’Een nieuwe lente en een nieuw geluid’), Nijhoff (’Ik ging naar Bommel om de brug te zien’), allemaal waar, maar van Bloem kennen we gewoon meer regels. Naast wat ik al citeerde zal de laatste anderhalve regel van het volgende kwatrijn,

Niet te verzoenen is het leven.

Ten einde is dit wellicht nog ’t meest:

Te kunnen zeggen: het is even

Tussen twee stilten luid geweest.

velen, zoal niet bij vwo-scholieren van nu, dan toch bij veertigplussers bekend in de oren klinken. Ervan uitgaande natuurlijk dat ze iets hebben met poëzie.

Neerlandicus Bart Slijper promoveerde op 10 mei jl. op een biografie over J.C. Bloem onder de titel ’Van alle dingen los’, en eindigt zijn exposé met precies dit slotkwatrijn van het gedicht ’Zondag’ uit de bundel ’Media vita’ (1931). Ook voor hem wordt in het aangehaalde kwatrijn kennelijk een wezenstrek van Bloems poëzie verwoord.

’Media vita’, de qua omvang bescheiden tweede bundel van Bloem, gepubliceerd toen hij al 44 jaar oud was, betekende de grote doorbraak van deze dichter van het sobere, in traditionele versvorm gegoten ondergangsgedicht.

In en na die tweede bundel zijn dood, desillusie en berusting nooit meer uit zijn gedichten weggeweest. Bloems ’boodschap’ luidde: dat het leven een en al rampspoed is en dat onze ’levensmoed’ niet veel meer betekent dan ’niet te durven sterven’. Daarmee is hij zonder concurrentie de somberste en meest met de dood gepreoccupeerde van onze klassieke dichters.

Aan Bart Slijper de taak om dit nogal clichématige en romantisch ogende beeld van het dichterschap in zijn gewone, burgerlijke status en antecedenten te schetsen. Laat ik maar meteen zeggen dat hij daarin naar mijn idee voortreffelijk is geslaagd. Bloem de fatalist, de alcoholist, de egoïst, de verwende burgemeesterszoon die zich nooit over het financiële bankroet van zijn ouders heeft kunnen heenzetten en zelf zijn levenlang schulden maakte, vooral bij boekhandels en slijterijen: het staat er allemaal in.

En dat hij eigenlijk vond dat de gemeenschap, zijn vrienden of een particuliere mecenas maar klaar moesten staan om hem van zijn schulden en als ’walgelijk’ ervaren ambtelijke baantjes te verlossen: ook dat staat er in.

Veel over Bloem was bij geïnteresseerden bekend. Dat hij niet met geld om kon gaan, dat hij eindeloos bedelde bij literaire vrienden voor leningen, dat Clara Eggink, 19 jaar jonger dan Bloem, met hem trouwde en hem en hun zoon Wim eindeloos bijstond, ook al werd hun huwelijk al na zes jaar (in 1932) ontbonden en dat ze deze voor haar onbereikbare, vaak stomdronken ex-man zelfs dertig jaar later aan het eind van zijn leven in Kalenberg (Overijssel) tot aan diens dood in 1966 zeven jaar verzorgde. Dat wisten wij Bloemadepten wel zo ongeveer, al is de hoeveelheid materiaal uit brieven van literaire vrienden op deze punten zó uitputtend dat je Slijper nog instemmender volgt in zijn oordeel over dit alles: Bloem was egoïstisch, egocentrisch, wereldvreemd en kinderlijk.

Het mooiste deel van zijn biografie vind ik het begin. Slijper geeft daar met zeer beperkte bronnen een overzicht van Bloems eerste twintig levensjaren. Pa Bloem was burgemeester van Oudshoorn, geen superstandplaats maar met zijn eigen vermogen als aanvulling leefde hij daar als God in Frankrijk. Het gezin Bloem was een bijna ziekelijk hecht gezin.

De drie kinderen van deze negentiende-eeuwse regenten groeiden op in een paradijs, om precies te zijn de riante Villa Nuova, gelegen in een parkachtige tuin met oude bomen, twee grote vijvers en een theekoepel. De ouders zelf waren overbezorgd en verwenden hun kinderen bovenmatig.

Dit was de veilige, van iedere verantwoording gespeende Hof van Eden waarin Jacques opgroeide. Toen zijn vader in 1904 door financieel wanbeleid zijn familiekapitaal verspeelde, werd Jacques voorgoed uit dit Hof van Eden weg getild. Het zou zijn hele leven het paradijselijke ijkpunt zijn van hoe mensen uit de topklasse zoals hij hoorden te leven. In ieder geval niet geplaagd door de moderniteit: democratisering en massificering van de maatschappij (algemeen kiesrecht bijvoorbeeld). Wat natuurlijk wél gebeurde! Kortom: zijn jeugd maakte hem totaal ongeschikt voor de eisen van de twintigste eeuw.

Al zijn eindeloze hoeveelheid baantjes bij gemeenten en kantongerechten stonden deze jurist tegen wil en dank dan ook tegen. Zijn regenteske ideaal vond dat gesjacher met baantjes gruwelijk. Hij vond simpelweg dat al dit moderne gedoe (zelf je geld verdienen) voor hem eigenlijk niet hoorde te gelden.

Dit naïeve besef heeft zijn leven ten diepste verkankerd. Het dreef hem naar de bedwelming van de alcohol. Het stortte hem in de schulden omdat hij zo nodig een bibliotheek van 20.000 dichtbundels bijeen moest kopen. Het maakte dat hij zich aansloot bij de NSB, waaruit deze volkomen onmaatschappelijke en onzelfredzame man ook weer verdween omdat hij waarschijnlijk vergat zijn contributie te betalen.

Ik laat heel veel weg uit deze biografie door Bloem zo vast te prikken op zijn verdwenen jeugdparadijs. Maar dáár is alle ontgoocheling, in sober beheerste gedichten die hun weerga in de Nederlandse literatuur niet kennen, uit voortgekomen. Daar hebben WO I en WO II geen enkele invloed op gehad!! Het was een puur particulier lotgeval, dat Bloem meesterlijk vertaalde naar het menselijk lot in het algemeen.

En dat steeds tegen de achtergrond van een grijze, herfstige landelijke wereld die het allermooiste patina gooide over het allersomberste doodsbesef. Een doodsbesef dat van de weeromstuit iets kreeg van een droeve bekoring. Maar om dat als zodanig te voelen moest de dichter wel een paar borrels ingenomen hebben.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden