Gestommel in het duister

tien geboden | interview | Jules Deelder (Rotterdam, 1944) is dichter, performer en beeldend kunstenaar. Hij schreef het Poëziegeschenk 'Rotterdamse kost' voor de Poëzieweek, die donderdag begint en tot 2 februari duurt.

I Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten


"Zeg het eens jongen, waar gaan we 't over hebben? De tien geboden, toch? Nou, ik kan je vertellen dat alle antwoorden in mijn werk te vinden zijn. God aanbidden, bijvoorbeeld, ja, nee, hee, hallo: we moeten het met elkáár zien te rooien! De omgeving van de mens is de medemens. We zijn, zoals ik ooit heb gedicht, allen lotgenoten. Lotgenoten! Ons gaan is een komen/Ons komen een gaan//De zin van het leven/Is dat we vergaan//De wereld van iedereen/Niemand de baas//Het heden is eeuwig/Alles is waar//God of Jehovah/Allah Jaweh//De één is de ander/De ander de één//Ontsteekt uw geweten/Kijkt om u heen//Het lot dat we delen/Laat niemand alleen."


II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken


"Het idee alleen al, dat je je voorstelt dat God iemand is, een mens nota bene, en dat 'ie beledigd zou kunnen worden door een of andere paardelul die hier op deze aardkloot - een zandkorrel in een steeds verder uitdijend heelal - z'n muil opentrekt! Dat geouwehoer ook van: ja, God heb ons naar Zijn evenbeeld geschapen. Het is andersom natuurlijk, wij hebben God naar óns evenbeeld geschapen. Dat mag ook wel eens gezegd worden, niet dan? Trouw doet, als één van de laatste kranten in Nederland waarschijnlijk, nog wat aan dat religieuze gedoe - dat mág, tuurlijk, waarom niet - maar het is zo langzamerhand wel een folkloristisch verschijnsel geworden, althans in de gristelijke gebieden, want in het Islamistische werelddeel lopen nog genoeg mensen rond aan wie de relativiteitstheorie geheel voorbij lijkt te zijn gegaan. Mensen met een one-track-mind die het overdrachtelijke letterlijk opvatten en bovendien het ene na het andere dogma afkondigen. Hun geloof duldt geen twijfel, nee, maar als je niet twijfelt, dan leef je toch ook niet?"


III Gij zult de dag des Heren heiligen


"Mijn ouders waren van het oud-katholieke geloof. Let op: óud-katholiek hè? Dat zijn lui, die trekken de onfeilbaarheid van de paus en de onbevlekte ontvangenis van Maria in twijfel. Ik ben hier schuin tegenover, in de Paradijskerk, gedoopt. Sindsdien ben ik er misschien nog twee of drie keer geweest, met Palmpasen of zo, maar ik weet behoorlijk de weg in de Bijbel. Die zondagsrust, bijvoorbeeld, die is er later ingefietst, want de joden hadden er nog nooit van gehoord. Die namen geen rust op zondag, welnee joh, ze trokken de godganse week door de woestijn en - ken je trouwens die mop van die gozer in de woestijn? Kruipt een gozer door de woestijn, op zoek naar water, 'Water, wáter!' Komt er iemand aan die zegt: 'Wil u misschien een stropdasje kopen?' 'Een stropdas?! Pleurt op met je stropdas! Water!' Hij zegt: 'Echt niet? 't Zijn mooie zijden dassen en-' 'Nee man! Water mot ik! Water!' 'O,' zegt die man, 'nou, als je daar die heuvel over gaat, kom je vanzelf een barretje tegen. Daar verkopen ze water. Maar wil je echt geen stropdas kopen?' 'Nee!' snauwt die vent en hij gaat verder, centimeter voor centimeter, tot 'ie aan de andere kant van de heuvel komt en - ja, daar! - het barretje ziet. Met z'n laatste krachten bereikt 'ie de deur, klopt aan en vraagt aan de man die opendoet: 'Hebben jullie hier water?' 'Jazeker', zegt die vent, 'maar zonder stropdas kom je d'r niet in!'


IV Eer uw vader en uw moeder


"Ik heb mijn vader alleen maar gekend als iemand die in toenemende mate door het leven werd gesloopt. Ik bedoel, ik weet niet beter dan: 'Papa heb pijn'. Je wil niet weten hoeveel dokters die man heeft bezocht, maar niemand kon hem helpen. En pijnstillers kreeg 'ie niet want o, o, o, daar zou je wel eens verslaafd aan kunnen raken! Hij is uiteindelijk op zijn achtenvijftigste aan kanker overleden. Dus. Ja. Wat moet ik je nou vertellen over de band met mijn vader? Beter dan in mijn gedicht 'Vader op zoon' kan ik het toch niet zeggen:


We liepen door de duinen/Het was een uur of vier/We zagen de ochtend gloren/We waren verschrikkelijk hier//Er werd geen woord gesproken/De stilte was genoeg/We werden opnieuw geboren/We waren in korte broek//M'n vader en ik en m'n vader/We wisten meer dan ooit/dat wij dezelfde waren/en die verandert nooit.


Ieder woord dat ik hier aan toevoeg is overbodig. Liefde, verdriet, dat zijn van die dingen, die moet je niet benoemen. 't Is net zoiets als dat gezeik over respect, réspéct, ik wil respect! Hou toch op, man! Respect, dat heb je of dat heb je niet. Iedere keer als je zo'n woord gebruikt, wordt de kracht ervan minder. Taal is een verzameling spreuken en bezweringen, een toverformule. Met taal kan je dingen oproepen zonder ze te benoemen, weet je wel?


Mijn moeder komt ook in mijn gedichten voor, bijvoorbeeld in 'Interbellum':


We lopen langs het stille strand/De lucht staat strak//Scheve bunkers in het zand/De oorlog zwijgt//Opkomend tij/M'n moeder pakt me bij m'n hand//Ik ben niet bang/Wel klein.


Mijn moeder is 86 geworden. Toen zij op sterven lag, dacht ik: het is wel goed zo. Dat vond ze zelf trouwens ook. Ze had het prima naar haar zin in dat ziekenhuis. 'Maak je over mij geen zorgen', zei ze, 'ik lig hier heerlijk'. Dan wees ze naar buiten, naar het parkeerterrein en begon over de prachtige bloemen die ze daar zag staan. 'Elke dag verse! En weet je wie ze komt brengen?' 'Nou?' 'Je vader! Komt elke dag langs. Met de ouwe Opel.' Ik dacht: ik speel dat spelletje maar mee en vroeg of 'ie dan ook nog wat tegen haar zei. 'Nee, natuurlijk niet', zei ze, 'je vader is al zo lang dood, die is het praten helemaal verleerd'.


De laatste keer dat ik haar zag, begon ze weer over die bloemen. 'Ga maar rustig, jongen, ik lig hier goed, met m'n bloemen.' 'Van vader, toch?' 'Ja,' zei ze, 'en als hij de volgende keer komt, rijd ik met hem terug'."


V Gij zult niet doden


"Als je d'r genoeg van hebt, is het in alle gevallen beter dat je er zélf een eind aan maakt dan dat een ander dat voor je beslist, ja toch? Ze zeggen wel eens dat ik met mijn leven heb gespeeld, maar ik ga er vanuit dat je op z'n minst je eigen leven op het spel mag zetten om überhaupt te kunnen zeggen dat je hebt geleefd. Dat gedoe van zekerheid, veiligheid, verzekering dit, verzekering dat, ja mensen, het spijt me bijzonder, maar het leven is één groot risico. Weet je wat het is? De mensen zijn bang. Van elkaar en van zichzelf. En omdat bange burgers heel gezeggelijk zijn, worden ze ook bang gehouden. Door politici en verzekeringsagenten. Die gasten lachen zich de lul uit hun broek! Ze verkopen iets wat niet bestaat."


VI Gij zult geen onkuisheid doen


"Onkuisheid? Dat lijkt me nou echt zo'n woord dat nog met s c h geschreven moet worden."


VII Gij zult niet stelen


"Als je honger maar geen poen hebt, mag je een brood stelen. Als je een lege portemonnee hebt, maar een grote passie voor poëzie of muziek, mag je - zoals ik vroeger heb gedaan - boeken en platen pikken. De nieuwe plaat van Hank Mobley, de laatste bundel van Lucebert, hatsikidee! Had ik totaal geen problemen mee. Ik móest het lezen, ik móest het horen. Jazz is my religion, niewaar? Is het nog steeds. Ik ben zelf ook muziek gaan maken en dan, ja, dan kom je er vanzelf achter dat alle dingen er in wezen al zijn; ze wachten er alleen maar op tot iemand ze oppakt en er een liedje of een gedichtje van maakt. Het materiaal is van iedereen, maar dat wat je ervan maakt, dat wordt van jou. Ik zit tegenwoordig ook in de beeldende kunst ('Beelder', elf kunstwerken van kleurijk plastic, te zien in de Kunsthal te Rotterdam, AV). Die beelden, daar heb ik twee jaar aan gewerkt. Dat wat eerst alleen maar rotzooi was, is - je kan lullen wat je wil - toch een verzameling van persoonlijkheden geworden. Ik raakte aan die dingen gehecht; ze gingen echt voor me leven. Nu staan ze in 't museum. Knappe vent die ze daar weer weg krijgt."


VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen


"Ik denk dat je never, nergens - ook niet als alle dooien op zouden staan - iemand zal vinden die kan beweren dat 'ie nooit van z'n leven heeft gelogen. Een leugentje om bestwil, dat kennen we toch allemaal? Ik gebruik wel eens de hyperbool, de geoorloofde overdrijving, maar uiteindelijk is alles waar wat ik zeg. Toen ik een verhaal schreef over mijn ontmoeting met Jimmy Hendrix - twaalf jaar eerder - en dat 'ie een briefje aan me had geschreven, kwamen ze een keer bij me langs om dat ding te filmen. Ik overal kijken, briefje weg. O, ja, nee, jammer, daag! Tien minuten later zegt mijn vrouw tegen me: 'Dat briefie? Hier heb 'ie het.' Dus. Ja. Waarom zou ik zoiets verzinnen? Ik had bovendien zo lang gewacht met het schrijven over dat avondje met Jimmy omdat ik dacht: als ik meteen na z'n dood zoiets beweer, gaat niemand me geloven."


IX Gij zult geen onkuisheid begeren


"Moet je horen, ik ben al veertig jaar met dezelfde vrouw dus monogamer ken je ze niet krijgen. Aan de andere kant is het natuurlijk wel een merkwaardig idee dat je, van de negen miljard, maar één persoon zou mogen liefhebben. Weet je waar ik echt kotsmisselijk van word? Als mannen van mijn leeftijd op terrasjes gaan zitten loeren naar lekkere wijven die hun dochters zouden kunnen zijn. En dat ze dan ook nog denken dat zo'n meissie wel interesse heeft! Als we het er toch over hebben: dát vind ik wel onkuise gedachten. Seks is de bron voor een hele hoop ellende. Seksuele revolutie, nou, nou, nou, wat die ons allemaal heeft gebracht! Dat je middenin de nacht sekslijnen ken bellen om aan je gerief te komen zeker? Wat een treurigheid, wat een armoe. Seks is gewoon zwaar overschat. Heb ik ook nog een gedicht over geschreven: 'Fuck sex'. Verder? Nee, dat was het: 'Fuck sex', mijn kortste gedicht tot nu toe."


X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort


"Het kan nooit aan een ander liggen dat jij nog niet succesvol bent... of nou ja, misschien een keertje, maar als je aan het begin van je carrière al zo gaat zitten wezen, moet je niet verwachten dat het ooit nog wat wordt. Ik ben in m'n leven nooit iets van plan geweest - voorbedachte rade voert ten kwade! - ik heb het gewoon gedaan. Je kan het niet goed vinden wat ik maak, maar dat ik een eigen stijl heb, valt niet te ontkennen. En of het nou in een traditie past, dat interesseert me helemaal niks. Pleurt toch op met je mooischrijverij, met je literatureluur! Het gaat mij er om dat de mensen die er zogenaamd géén verstand van hebben ook van mijn kunst kunnen genieten. Neem die plastic beelden. De één zegt: 'Hee, wat een schattig hondje!', de ander ziet er een Harley Davidson in - prima toch? Ik hoor ook vaak dat ze het gedicht op het recyclingbedrijf in de Europoort zo mooi vinden: 'Alles blijft, alles gaat voorbij, alles blijft voorbijgaan'. Nee, zeggen die rederijkers dan, we missen de zesvoetige jamben en het is ook nog eens hartstikke sentimenteel. O ja joh? Nou, volgens mij is er niks mis met sentiment, zo lang het maar niet vals is. Ik? Ik ben altijd oprecht. Dit is mijn ware gezicht. Of, laat ik het zo zeggen: ik ben op het podium niet anders dan ernaast. Ik heb mezelf trouwens wel eens zien liggen, echt waar, tijdens een tripje, toen de LSD nog goed was. Niet een beetje zweverig of zo, nee, ik steeg echt op uit mezelf. Ik weet nog dat ik naar beneden keek en dacht: kijk 'm liggen, die Deelder. En boven me zag ik... bohhhh... een wit licht, een ongelooflijk helder, wit licht! Kan je God noemen. Of het Al. Het was in ieder geval geen Led-lampje. Het licht in de tunnel is het naderend eind, zo niet dan is het de trein! Nee, maar goed: religie. Natuurlijk heb ik religieuze gevoelens. Het zou toch gek wezen als je die niet had? Laatst nog, stond ik naar een lucht te kijken, zo mooi, nog nooit zo'n mooie lucht gezien! Ik begrijp heel goed dat mensen vroeger niks van die natuur snapten en er daarom, voor het grotere verband, een Almachtige bij verzonnen, maar wat ik dan weer gek vind, is dat ze die God vervolgens van alles vragen terwijl ze hem nooit iets komen brengen. Ze bedoelen het vast niet verkeerd maar - weet je wat het is, met de mensheid? Geneigd tot het goede, maar tot het kwade gedoemd. Dat zijn de polen waartussen wij ons bewegen. Verder is het een beetje gestommel in het duister. Het licht blijft pas branden als je dood gaat."


Jules Deelder: 'De mens is geneigd tot het goede, maar tot het kwade gedoemd.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden