Gesprekken met schrijvers in de jaren zestig; geweldige tv

Ik keek naar de dubbel-dvd ’Literaire Ontmoetingen’. In jaren niet zulke goeie televisie gezien. Het gaat om tien gesprekken met en over schrijvers en dichters gevoerd onder anderen door H.A. Gomperts in 1962-1964 onder regie van Hans Keller.

Je gelooft je ogen niet, maar daar komt J.C. Bloem, nogal onvast ter been, zijn bibliotheek binnen schuifelen. Je denkt: het is waarschijnlijk een woonschip. Maar nee, het is ouderdomszwakte of misschien recente drank, of het eindresultaat van alle drank over de vele jaren. Bloem zegt niet veel, maar noemt Leiden ’Leien’, een voor zeer weinigen weggelegde uitspraak waarin een hele wereld ligt samengebald.

In een intermezzo legt Clara Eggink zonder een spier te vertrekken uit dat het onvermijdelijk was dat Bloem zou eindigen met een verzameling van meer dan 20.000 boeken. Dat kwam doordat hij elk boek dat hij wilde lezen ook aanschafte. Dit deed zich 250 keer per jaar voor. En hij was nu zestig jaar op deze wijze bezig. Dat loopt weliswaar uit op 15.000, maar bij die 5000 ongelezenen zit een hoop Verzameld Werk dat hij in verkruimelde vorm wel degelijk tot zich had genomen.

Mulisch toont de kijker de verschillende medailles die zijn vader verwierf in de Eerste Wereldoorlog. Onder andere het IJzeren Kruis, waarover de schrijver meldt: ’Dat is dezelfde onderscheiding die Hitler, zijn generatie- en landgenoot, in dezelfde oorlog heeft gekregen, ofschoon hij natuurlijk veel lager in rang was dan mijn vader.’

Is het niet heerlijk? Harry, onbedoeld grappig in zijn niet aflatende pogingen tot geslachtsvergroting. Nou hád hij nog geen geslacht toen dit alles speelde en dus moet pa Mulisch voor hem het strijdperk in tegen dat klote-korporaaltje Adolf H. Bij Bloem zat Gomperts als eerbiedige neef op bezoek bij zeer oude en breekbare oom. Bij Mulisch is hij een bewonderende maar lastige criticus die zich niet laat afschepen met wartaal over ’postlogisch denken’, maar die Mulisch’ magische kant zonder pardon daar plaatst waar die hoort: in de prehistorie van het menselijk intellect. Wat overigens geen slechte positie is, maar Harry mag niet net doen alsof het om iets anders gaat. Ineens merk je dat Gomperts’ glimlachende welwillendheid hem er niet van weerhoudt ergens zijn mes in te zetten.

Rond Elsschot hoor je niet alleen de schrijver zelf spreken, maar ook Carmiggelt en Elsschots zoon Walter en dochter Ida. Vader De Ridder verdween twintig jaar lang elke avond tussen half zes en half negen uit de ouderlijke woning. Hij at nooit met zijn gezin. Men vroeg zich jarenlang af waar hij toch heen ging? Nou, niet naar de kerk, lijkt me. Ida wil wel aannemen dat hij naar het café ging maar houdt een slag om de arm. Ik weet niet of zij aan vrouwen dacht. Maar dat klopte wel, meen ik.

Gomperts is onberispelijk in kleding en in dictie. Iedereen had toen nog een scheiding in zijn haar. En zo te zien hadden ze allemaal hun zakkammetje bij zich om die scheiding er in te houden.

Ed Hoornik praat over Achterberg. Het gesprek is kort na Achterbergs dood in 1962. Het misdrijf dat Achterberg in 1937 beging toen hij zijn hospita vermoordde en haar dochter verwondde komt zeer vreemd ter sprake. Hoornik spreekt niet over moord, maar over ’de dood van de geliefde’. Hij spreekt niet over Achterbergs gevangenschap of psychiatrische verpleging, maar over diens ’afzondering’.

Het is nog gekker eigenlijk: Hoornik zegt dat deze dood een toestand bewerkstelligde die Achterberg reeds lang in zich omdroeg en waarmee hij, toen de geliefde metterdaad stierf in 1937, dan ook goed uit de voeten kon, want nu had Gerrit dan zijn thema. Krankzinnig is geloof ik het juiste woord.

Dat doet niks af aan de gefilmde beelden van Achterbergs vader bij de woorden: Mijn vader celebreerde er de mis: – de koeien voeren plechtig bij de koppen – Hun tong krult om zijn handen als een vis. En een stukje verderop vertolkt Roland Holst zijn onvergetelijke sneeuwgedicht rond de aanblik van de dode Achterberg onder het glas in zijn kist.

G.K. van het Reve is ook aanwezig. Gomperts zegt eigenlijk alleen maar rare dingen tegen hem als: homo zijn, christen zijn, dat lijkt me een blok aan je been als je een roman wilt schrijven. Want een homo en een christen die zien niks dan homoseksualiteit en christendom en kunnen zich nergens anders meer in verplaatsen.

Reve is gespannen of ingehouden woedend, maar hij blijft correct. Broer Karel vertelt dat hij niet kaalde tijdens ’De Avonden’, maar dat de Natuur zich inmiddels naar de Kunst geschikt heeft (buigt zijn kalend hoofd welwillend voor de camera). Het vruchteloze gepoer van Gomperts wordt door Reve terzijde geschoven in een magistrale afsluiting waarin hij zijn vader aanwijst als de bron voor zijn ’mateloos grote egoïstische geldingsdrang’. Van zijn moeder komt ’de door alle aanstellerij heen altijd aanwezige honger en dorst naar waarheid en gerechtigheid, het allerwezenlijkste bestanddeel van mijn schrijverschap heb ik van haar’.

Deze woorden worden gevolgd door een pijnlijk mooie jeugdfoto van moeder Van het Reve.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden