Geslaagde nieuwe vertaling Pesach-verhaal

Haggada, Het Pesachverhaal, opnieuw vertaald, ingeleid en van commentaar voorzien door R. C. Musaph-Andriesse en E. van Voolen. Baarn: Ten Have, 1993. ISBN 90-2594514-7. F 29,50.

EMILE SCHRIJVER

De vertaling is vervaardigd door R. C. Musaph-Andriesse, voorzitter van het Joods Historisch Museum, de verklarende noten zijn van Edward van Voolen, conservator van hetzelfde museum. De uitgave bevat ook de Hebreeuwse tekst van de Haggada.

Het joodse paasfeest, pesach in het Hebreeuws, is vooral een feest van bevrijding. Het viert de bevrijding van Israel uit Egypte, de bevrijding uit de wurgende greep van het winterseizoen en de algemeen menselijke bevrijding uit een wereld van afgoderij en slavernij.

Het pesachfeest is ontstaan uit twee feesten, die oorspronkelijk onafhankelijk van elkaar werden gevierd, maar al in het begin van de Babylonische ballingschap werden gecombineerd. Het eerste feest is het eigenlijke Pesach, het feest van het offerlam, dat waarschijnlijk terug te voeren is tot een oude nomadengewoonte om ter bescherming van het vee een lam te slachten voordat de zomerse weidegronden werden opgezocht. Deze gewoonte werd gekoppeld aan het verhaal van de uittocht uit Egypte waardoor aan die gewoonte een historische grond werd gegeven en het feest ook een directe religieuze betekenis kreeg als herdenkingsfeest van de uittocht uit Egypte.

Het tweede feest is dat van de ongezuurde broden en gaat waarschijnlijk terug op een oude Kanaanietische gewoonte om in de lente ongezuurd brood te eten. De historische bewijzen zijn hier echter veel zwakker, en de ongezuurde broden, of matzes, herinneren nu vooral aan de haast waarmee Israel Egypte verliet, waardoor het brood voor onderweg niet meer kon rijzen.

Na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem in het jaar 70 na Chr. is de matze, en niet het pesachlam dat immers niet meer geofferd kon worden, symbool geworden voor het pesachfeest. Overigens offeren ook hedentendage nog de in Israel wonende Samaritanten tijdens pesach wel degelijk een pesachlam.

Dat pesach het feest van de matzes is, is in de weken die aan het feest voorafgaan al te merken. Het hele joodse huis dient namelijk bevrijd te worden van chamets, desem, en pas op de dagen die onmiddellijk aan het feest voorafgaan is men klaar met de grote schoonmaak en kan het feest beginnen.

De belangrijkste en bekendste avond van het pesachfeest is ongetwijfeld de seider-avond, de avond waarop in de familiekring aan de seider-maaltijd het verhaal van de uittocht uit Egypte verteld wordt. Het Hebreeuwse woord seder, of seider, betekent eigenlijk volgorde, dus de juiste volgorde waarin de verschillende met de maaltijd samenhangende voorschriften plaats dienen te vinden.

In Exodus 13: 8 staat: 'En op die dag zult u uw zoon vertellen: dit is omwille van wat de Heer mij gedaan heeft bij mijn uittocht uit Egypte' en het is dit vertellen waaraan de Haggada, of vertelling, zijn naam ontleent.

Wanneer de precieze tekst van de Haggada, die is opgebouwd uit traditionele teksten uit de hele oude joodse literatuur, is ontstaan is niet duidelijk; naar alle waarschijnlijkheid ergens vroeg in de middeleeuwen. De Haggada was in eerste instantie onderdeel van de grote gebedenboeken, maar ongeveer vanaf de dertiende eeuw is er sprake van een zelfstandige tekst. De Haggada is in de joodse traditie ongetwijfeld de meest gedrukte en meest geillustreerde tekst. Dit blijkt uit het bestaan van vele honderden geillumineerde handschriften en ongeveer 3000 gedrukte, vaak ook geillustreerde edities.

Er is in de loop der eeuwen een aantal Nederlandse vertalingen van de Haggada verschenen. De eerste verscheen in 1791 in Den Haag onder de titel 'Plechtigheid voor de twee eerste avonden van het feest der ongezuurde brooden, door een Joodsch genootschap uit het Hebreeuwsch vertaalt'. In 1837 verscheen de volgende vertaling, van de hand van Samuel Israel Mulder, en in 1855 een van de hand van G. A. Parser. De vertaling van Mulder beleefde nog in 1958 een twaalfde druk. Bij het Verbond van Liberaal Religieuze Joden verschenen voor de oorlog twee Haggadot en in 1959 een nieuwe editie, 'die van de traditionele niet wezenlijk verschilt en toch gelegenheid biedt tot nieuwe uitlegging', een mening die niet iedereen zal kunnen onderschrijven.

Bijzondere vermelding verdient nog de naar mijn smaak ongeevenaarde vertaling van E. S. Hen, hoofd van een godsdienstschool van de Nederlands-Israelietische Hoofdsynagoge te Amsterdam, die in 1928 in Berlijn verscheen (en nog in 1941 in Amsterdam herdrukt werd!), die voorzien is van zeer aantrekkelijke naieve afbeeldingen door Otto Geismar.

In de nu verschenen nieuwe vertaling 'is zoveel mogelijk getracht de grondtekst te volgen, opdat degene die Hebreeuws en Aramees kent dit ook in de vertaling kan terugvinden. Tegelijkertijd is geprobeerd het Nederlands zo eenvoudig mogelijk te houden, alhoewel de aard van de tekst zich niet altijd leent tot een populair spraakgebruik'.

De Hebreeuwse tekst is overgenomen uit een voor het eerst in 1953 verschenen Hebreeuws-Engelse editie verzorgd door Nahum Norbert Glatzer, een keuze waar op zichzelf weinig op aan te merken is maar ook een waarbij men zich afvraagt: waarom niet bijvoorbeeld de tekst van Mulder overgenomen? De kosten van die overname zouden waarschijnlijk wel wat hoger uitvallen, aangezien Mulders tekst opnieuw gezet zou moeten worden, maar ik maak mij sterk dat voor die kosten niet eenvoudig een subsidiegever gevonden had kunnen worden.

De vertaalster is over het algemeen meer dan in haar opzet geslaagd. De tekst van de Haggada is bepaald weerbarstig te noemen en alleen een ervaren vertaler, die R. C. Musaph-Andriesse bepaald is, blijft daarbij op de been en is in staat daar een vlot leesbare Nederlandse tekst van te maken.

Vanzelfsprekend zou het niet al te moeilijk zijn om met andere en natuurlijk 'veel betere' vertalingen voor bepaalde tekstgedeelten te komen, maar daar is niemand bij gebaat. Ik wil hier daarom slechts wijzen op een alternatieve vertaling, en wel de vertaling van E. S. Hen van een van de afsluitende liedjes: Chad Gadja of 'De geschiedenis van een lammetje'.

Dit liedje, net als enkele andere die aan het eind van de Haggada figureren, was vooral bedoeld om de kinderen wakker te houden. Het vertelt het verhaal van een lammetje, dat gegeten wordt door een kat, die verscheurd wordt door een hond, die geslagen wordt door een stok, die verteerd wordt door het vuur, dat gedoofd wordt door het water, dat gedronken wordt door de os, die geslacht wordt door de slachter, die gedood wordt door de Engel des Doods, die uiteindelijk gedood wordt door de Eeuwige, Geprezen zij Hij.

Het liedje is in de nieuwe uitgave helaas nogal vlak vertaald. Zo luidt het laatste couplet: 'En toen kwam God en vernietigde de engel van de dood, die de slachter had vernietigd, die de stier had geslacht enz.' E. S. Hen echter creeerde een geheel nieuw lied, in tien coupletten van elk vier rijmende regels. Wat stijlproeven: 'Mijn vader kocht mij eens een lam / Twee gulden kostte het dier / Wat was het mak, wat was het lief / Wat had ik een plezier . . . De goot van buurman was verstopt / En juist waar 't vuur toen was / Daar viel het water stroomend neer / en doofde de vlam in een plas; Een os door grooten dorst gekweld / Kwam toen naar 't water toe / Hij likte het op, wat was hij blij / Hij riep maar steeds: boe, boe . . . De Engel werd toen op zijn beurt / Door Godes hand gedood / En Hij bleef in Zijn Majesteit / de Heer van klein en groot.

De verklarende noten van de hand van Edward van Voolen bieden meer dan voldoende houvast aan de gebruikers van de Haggada om het verhaal van de uittocht te actualiseren; er staat in de tekst niet voor niets: 'In elke generatie is iedereen verplicht zichzelf te beschouwen alsof hij zelf uit Egypte is weggetrokken'. Zo wordt de Holocaust in menige verklaring betrokken, en wordt bij een tekstgedeelte over vier zonen bijvoorbeeld ook stilgestaan bij een alternatieve tekst over vier dochters. De noten lijken mij overigens vooral geschikt als voorbereiding voor de leider van de seider-avond en, ook door de af en toe wel wat erg staccato aandoende stijl, wat minder voor gezamenlijke lezing aan tafel. De keuze voor veel toelichting, liever dan lange excursen, is echter alleszins te verdedigen.

Juist omdat een Nederlandse vertaling van de Haggada niet ieder jaar verschijnt en de Haggada het geillustreerde joodse boek 'par excellence' is, is het jammer dat niet wat meer aandacht is besteed aan de keuze van de afbeeldingen die het boekje verfraaien. Ik bedoel daarmee niet zozeer de kwaliteit van de afbeeldingen, daar is weinig mis mee, maar veeleer het feit dat de afbeeldingen nauwelijks in de verklarende teksten betrokken worden, en niet zozeer lijken te functioneren als illustratie, maar veeleer als decoratie. Het zou naar mijn idee niet veel extra moeite hebben hoeven kosten om op basis van de collectie van het Joods Historisch Museum tot een wat evenwichtiger selectie te komen.

Deze nieuwe Nederlandse uitgave van de Haggada zal ongetwijfeld zijn weg naar een dankbaar gebruikerspubliek vinden en die gebruikers zullen het boekje in de loop van de jaren ongetwijfeld voorzien van het grootste compliment dat de makers van een Haggada kunnen krijgen: de wijnvlekken en etensresten op en tussen de bladzijden, die reeds eeuwenlang aangeven hoe jaarlijks het nuttige herdenken van de Uittocht uit Egypte verneigd wordt met het aangename nuttigen van de gezamenlijke seider-maaltijd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden