Geschilderde portretten tussen hoofden in de krant beeldende kunst Kunstklimaat van Utrecht centraal in Centraal Museum

'De Utrechtse Parade, 1495-1995' is te zien t/m 23 oktober in het Centraal Museum, Agnietenstraat 1 in Utrecht, di-za 10-17 uur, zo 12-17 uur. Onder dezelfde titel verscheen een boek dat de geschiedenis van het kunstleven in Utrecht en die van het Centraal Museum in het bijzonder belicht, geschreven door de conservatoren Hanneke Adriaans, Marja Bosma, Renger de Bruin, Roman Koot, Jos de Meyere en Ida van Zijl, uitgave Centraal Museum, 321 blz, prijs Fl. 35.

Het antwoord is ja, als je kijkt naar het surrealisme van Jopie Moesman en Gerrit van 't Net, Willem van Leusden en Willem Wagenaar en het magisch realisme van Pijke Koch, en tevens ziet dat er van dit werk een lijn doorloopt naar dat van schilders en tekenaars als Dirkje Kuik, Dolf Zwerver en Frans Franciscus.

Het antwoord is te vinden op de grote zomeropstelling van het Centraal Museum in Utrecht. Die wijkt met een originele inrichting af van het gebruikelijke beeld dat musea in deze warme maanden laten zien.

Museumdirecteur Sjarel Ex vroeg zijn vijf wetenschappelijke medewerkers voor deze expositie of zij de collectie van hun afdeling wilden doorlichten, om daar vervolgens één kunstenaar uit te kiezen. Vervolgens moesten ze (in de catalogus) vertellen wat er op grond van hun keuze zo bijzonder was aan de Utrechtse kunstgeschiedenis en die van de museumverzameling.

Het lag tevoren vast dat Utrecht en het Centraal Museum veel met elkaar te maken hebben. “Menige schilder is in het verleden het museum binnengelopen om zich door een bijzonder voorbeeld te laten inspireren”, aldus Ex. Zo'n voorbeeld was voor de schilder Frans Franciscus het beroemde 'Zelfportret met zwarte hoofddoek' uit 1937 van Pijke Koch. In dat portret geeft Koch onverbloemd zijn sympathie voor fascisme weer. Voor de kille schilderwijze greep Koch terug op de portretkunst van de vroege Renaissance, waarin met name Piero della Francesco en Mantegna zijn voorbeelden waren.

Frans Franciscus (1959) citeert uiteenlopende stijlen en stromingen. Zijn op Pijke Koch geïnspireerde portret heeft een driedubbele bodem. Alleen al de titel 'Pijke Koch goes politically correct' verwijst naar de stammenstrijd van Amerikaanse kunstenaars die hun dogma's over 'zuivere' kunst uitdragen. Franciscus heeft het portret van Koch omgedraaid: geen blanke man met een zwarte hoofdband, maar een neger met een witte doek om het voorhoofd geknoopt.

De vijf conservatoren hebben het niet bij één voorbeeld uit hun respectievelijke afdelingen gelaten. Die beperking ging hun wat al te ver, ze kwamen uiteindelijk met 35 namen die ze typerend vonden voor het Utrechtse kunstklimaat. Dat maakt vergelijken er niet gemakkelijk op, maar het doet wel recht aan een aantal namen die anders misschien geheel waren verdwenen.

Zo komt de afdeling toegepaste kunst met wat bijna een retrospectief van Gerrit Rietveld is, een hele zaal ingericht met zijn meubelen. Heeft Rietveld iets te maken met zijn illustere tijdgenoten als Erich Wichmann of de ontwerpers Cris Agterberg en Carel Begeer? In de opstelling die door de kunstenaars Madje Vollaers en Pascal Zwart is bedacht, is Rietveld een eigen zaal (niet ten onrechte de eindzaal van het stallencomplex) toebedacht. Om daarmee zijn unieke plaats in de kunstgeschiedenis, in de Utrechtse kunsthistorie te benadrukken? Feit is dat Rietveld niet hoeft mee te 'paraderen'.

Daarmee wordt de lange rij van schilderijen in de voorliggende zalen bedoeld, waar de oude meesters gebroederlijk met schilders van deze tijd hangen. In de eerste twee zalen hebben de inrichters een aardige grap uitgehaald. Ze hebben de muren behangen met krantepagina's waarop foto's staan van mensen die de lezer rechtstreeks aankijken. Er hangen ook geschilderde portretten uit een tijd toen er nog geen fotografie bestond. Ze zijn vrijmoedig gerangschikt, soms in rijen boven elkaar, losjes en niet chronologisch, maar altijd met een nogal dwangmatige blik, alsof de bezoeker niet aan hun blik mag voorbijgaan. De impact die de nieuwsfoto per definitie heeft, blijkt niets nieuws: ook een schilder in de 17e eeuw wist precies hoe hij een geportretteerde met effect kon laten kijken.

Hangen er in deze zalen portretten, in de twee daaropvolgende ruimtes gaat het om figuurstukken. Daar zijn de wanden niet behangen met krantepagina's, maar hangen de doeken tegen spiegelwanden. Er zit tussen de doeken onderling flink wat ruimte, zodat de bezoeker zichzelf voortdurend in beeld kan brengen. Zo confronteert hij zichzelf tussen de kunst. Het heeft ook nog iets anders tot gevolg: door dit wat afwijkende kijkgedrag zie je opeens hoe fysiek de kunst van de voorgaande eeuwen is geweest.

Het fysieke element in de actuele kunst is momenteel een veel getoond onderwerp (Fort Asperen, Ik + de Ander en Triple X zijn exposities die op de fysieke aspecten in de hedendaagse kunst ingaan), maar het blijkt niets nieuws te zijn; ook in de Gouden Eeuw waren sommige schilders vol van het menselijk lichaam. Met name de Utrechtse caravaggisten als Van Honthorst en Ter Brugghen hadden belangstelling voor de menselijke figuur, die ze zo levensecht mogelijk wilden afbeelden.

Met wat goede wil is er in de schilderkunst van de twintigste eeuw zoals die in Utrecht tot stand kwam, ook het een en ander aan voorkeur voor fysieke aspecten te zien. Bij Moesman spelen zich lichamelijke drama's af (de geblinddoekte vrouw in 'Avonduur' wier rechterborst een behandeling met het mes moet ondergaan) of de gemutileerde vrouw in 'Ontmoeting' over wie zich een dreigende schaduw richt. Ook Van 't Net kon er wat van: hij tekende overgedimensioneerde paren in een lustvol spel van erotische handelingen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden