Geschiedenis wordt een tijdvak

Terug naar het stampen van jaartallen, namen en gebeurtenissen hoeft niet. Een duidelijker chronologische indeling is voor het geschiedenisonderwijs veel belangrijker, zegt de commissie-De Rooij in een advies waarvoor ,,geen alternatief is''.

Geef elke leerling een boekje cadeau van nog geen honderd pagina's met de geschiedenis van zijn geboorteland. Gewoon een overzicht van de opstand tegen de Romeinen onder leiding van Julius Civilus (in het jaar 69) tot het eerste paarse kabinet. Zou dat geen prachtige bijdrage zijn aan het historisch besef van Nederlanders? Absoluut niet, zegt prof. dr. Piet de Rooij.

Het advies van De Rooij's commissie zal voorstanders van een historische canon met 'alles wat een beschaafd mens hoort te weten' teleurstellen. Want, zo zegt De Rooij, al die jaartallen en namen vergeet je toch weer. Dat de chronologie in de hoofden van heel wat Nederlanders overhoop ligt valt niet te ontkennen. Zo was er die beruchte enquete die onthulde dat er kamerleden zijn die denken dat Willem van Oranje bij Dokkum werd vermoord in zestienhonderdzoveel.

Bij een soortgelijk onderzoekje onder eerstejaars studenten in Leiden wisten sommigen te vertellen dat de Burmaspoorlijn in de zeventiende eeuw werd aangelegd en dat de Beeldenstorm het werk van woeste Vikingen was geweest. Vandaar dat de commissie-De Rooij pleit voor een stevig 'raamwerk' van tien tijdperken met hun globale kenmerken, als fundament voor het geschiedenisonderwijs van basisschool tot en met de laatste jaren van het voortgezet onderwijs. Niets weten van de Franse revolutie omdat je geen geschiedenis in je pakket had, mag straks niet meer voorkomen.

De Rooij hoopt dat zijn advies een eind maakt aan het voortdurende gesleutel aan het vak dat nu al een paar decennia duurt. Het gedoe met geschiedenis begon in de jaren zestig, of liever die periode van ongekende sociaal-culturele turbulentie tussen 1965 en 1975. Tot dan toe was het doel van de geschiedenisles onomstreden. Het moest gaan over de opkomst van de westerse beschaving, het moest vaderlandsliefde opwekken en daarbij ook nog het groepsgevoel in de eigen zuil versterken. Maar 'natie' werd een vies woord, een verzuilde geschiedschrijving raakte met de ontkerkelijking overbodig, en met die westerse beschaving was opeens ook van alles mis.

Geschiedenis verloor zijn vanzelfsprekendheid: Met de Mammoetwet (1968) moesten de historici uren inleveren bij het typische jaren-zestigproduct Maatschappijleer en werd hun vak bovendien - uniek in Europa - ook nog eens gedegradeerd tot keuzevak.

Het gevolg is geweest dat leerlingen nergens zo weinig uren geschiedenis krijgen als in Nederland. Maar ondertussen werd de inhoud van het vak wel driftig uitgebreid en vernieuwd. De oude vertrouwde perioden en gebeurtenissen (Egyptenaren, Grieken, Romeinen, Middeleeuwen, Renaissance, Tachtigjarige Oorlog, Gouden Eeuw) ver dwenen niet helemaal, maar kregen gezelschap van vele nieuwe thema's zoals de geschiedenis van de gewone man, vrouwengeschiedenis, milieugeschiedenis en mentaliteitsgeschiedenis.

Die inhoudelijke wildgroei ging gepaard met een fikse didactische verbouwing. Onderwijs was meer dan 'alleen maar' kennisoverdracht, vonden de vernieuwers. Dat betekende dat een scholier aan de hand van 'authentiek bronnenmateriaal' kritisch en genuanceerd moest leren denken over 'interpretaties van historische gebeurtenissen processen'.

Steeds luider klonk de roep om herstel van het historisch overzicht dat zoek was geraakt in de tjokvolle, pseudo-academische lesprogramma's. De Werkgroep herziening eindexamens geschiedenis en staatsinrichting (HEG) uit 1984 twistte eindeloos over de vraag of de lesstof 'thematisch' of 'chronologisch' moest worden geordend. In de Commissie Basisvorming Geschiedenis werd vier jaar later verder geruzied: moest het kleine aantal uurtjes in de lagere klassen van het voortgezet onderwijs worden gevuld met een verantwoord overzicht of een 'beredeneerde keuze' voor bepaalde perioden?

De verschijning van nieuwe advies-examenprogramma's voor de nieuwe bovenbouw havo-vwo (het studiehuis) in 1995 luidde de bel voor een nieuwe ronde. De WIEG (werkgroep implementatie eindexamen geschiedenis) die deze taak op zich had genomen verklaarde meteen de oorlog aan het feitenkamp: ,,Het 'grote overzicht' is een gepasseerd ideaalbeeld gebaseerd op het geschiedenisonderwijs uit een ver verleden met veel lesuren, waarbij werd uitgegaan van een politieke, dominant mannelijke en eurocentristische benadering van het verleden.'' Een legertje van vakhistorici, columnisten en Frits Bolkestein nam vervolgens de 'de politiek correcte grabbelton', die het vak in hun ogen geworden was, onder vuur. ,,Voor leerlingen slavernij en horigheid bestuderen zullen ze toch eerst moeten weten wie eerder leefde; Floris V of Willem van Oranje'', schreef Bolkestein.

De toenmalige staatssecretaris van onderwijs, Netelenbos, zette maar weer eens commissie aan het werk. Het advies van deze commissie-De Wit leek neer te komen op een overwinning van Bolkestein en de zijnen. De Wit wilde een 'minimumpakket aan historische (overzichts)kennis en vaardigheden'. Maar zo'n historische canon komt er dus niet, blijkt nu. De commissie-Rooij houdt het typisch Nederlandse taboe op memoriseren - stampen - in stand. De Rooij: ,,En daar zijn goede redenen voor. Wij doen niet aan geheugentraining maar we willen dat leerlingen inzicht krijgen in geschiedenis. Dat betekent dat je iets moet leren over causaliteiten, breuk en continuïteit, veranderingsprocessen. Doel is historisch besef, niet namaak-eruditie.''

De commissie heeft het er wel nog even over gehad, over een canon. Alle leden hebben geprobeerd lijstjes te maken met onmisbare namen en gebeurtenissen. ,,Maar voor je het weet staan er honderden namen op je lijstje'', verzucht De Rooij. Zijn collega A. Th. van Deursen mengde zich ooit in de discussie met de stelling 'hoe meer jaartallen je kent, hoe gemakkelijker het begrip'. Niets is minder waar, zegt De Rooij: ,,Van buiten geleerde schoolse kennis is helemaal geen garantie voor historisch besef, het beklijft niet. Ga de parate kennis van net afgestudeerde historici maar eens testen. Ook de commissie-De Wit heeft trouwens helemaal niet gezegd dat we terug moeten naar het 'jaartallen stampen', ook al denken veel mensen van wel.''

Hét probleem van het geschiedenisonderwijs is volgens De Rooij ook helemaal niet dat er te weinig jaartallen en feiten in de lesmethoden zouden zitten. ,,Probleem is meer dat ze vaak maar één keer in een schoolcarrière aan de orde komen. Of helemaal niet, als je geen geschiedenis in je examenpakket hebt.''

Dit is op te lossen met het tien tijdperken-model, denkt de commissie. Zo'n tijdperk is als het ware een soort ANWB-paddestoel met 'oriëntatiekennis': geen namen en gebeurtenissen dus, wel algemene kenmerken. Zo wordt bij de tijd van pruiken en revoluties 1700-1800 (tijdperk nummer 7) niet gerept over Jefferson, Voltaire of Robespierre, maar er staat dat het 'verlicht denken werd toegepast op alle terreinen van de samenleving'.

De Rooij: ,,Ook Hitler staat er niet in, maar fascisme uiteraard wel. We gaan ervan uit dat geen enkele leraar of methode de geschiedenis van het fascisme zal behandelen aan de hand van Franco of Salazar.''

Dat iemand niet gehoord heeft van Floris V is niet zo'n ramp, denkt ook Jan Sniekers, commissielid namens het Instituut voor Leerplan Ontwikkeling. ,,Maar het is wel erg als leerlingen de oudheid niet in de tijd kunnen plaatsen ten opzichte van de Middeleeuwen.'' Als ex-PvdA-kamerlid Marjet van Zuijlen les had gehad volgens het tijdperken model, dan had ze Willem van Oranje waarschijnlijk niet in zestienhonderdzoveel bij Dokkum laten omkomen, denkt Sniekers. Dat zij 'Delft, 1584' zou hebben geantwoord is niet te garanderen. Maar zij had meer kans gehad om te weten dat Willem van Oranje thuishoort in vak nr. 5 (1500-1600, de tijd van ontdekkers en hervormers) en niets te maken heeft met tijdperk nr. 3, de tijd van monniken en ridders toen het christendom tot in de lage landen werd verspreid, 500-1000.

Hoe handig en nuttig zijn kapstop ook oogt, De Rooij weet nu al wat de kritiek zal zijn: multi-culturalisten zullen de commissie eenzijdigheid verwijten omdat de rode draad die de tijdperken verbindt onmiskenbaar die van de lotgevallen van het Westen is. Het columnistenfront zal het gemis van een een canon betreuren. Maar De Rooij gelooft dat deze kritiek snel zal verstommen. ,,Er is namelijk geen alternatief voor dit advies. Hier is echt over nagedacht.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden