GESCHIEDENIS IN HET GROOT

De verspreiding van besmettelijke ziekten, de opkomst van het westen, het ritmisch bewegen en de militaire drilpraktijken van prins Maurits, boerendorpen in Midden-Amerika, geschiedenis, antropologie, mythen en gevechtspiloten - dat is het werk van een historicus die mensheidgeschiedenis schrijft. Gisteren werd bekend gemaakt dat in november de Erasmusprijs zal worden uitgereikt aan William Hardy McNeill (1917), emeritus hoogleraar in de geschiedenis aan de Universiteit van Chicago. Fred Spier is als wereldhistoricus verbonden aan de Amsterdamse School voor Sociaal-wetenschappelijk Onderzoek. Samen met de socioloog J. Goudsblom organiseert hij aan de Universiteit van Amsterdam de cursus 'Geschiedenis in het Groot', een overzicht van de oerknal tot het heden. Hij is lid van de Executive Council van de World History Association.

Hoe kwam McNeill aan dit thema? Zijn inzet rond 1960 om een overzicht te schrijven van de gehele mensheidgeschiedenis bracht hem op het volgende spoor. Vanaf rond 1500 na Chr. belaagde een bende Spaanse conquistadors het Azteekse rijk in wat nu Mexico is. Deze campagne maakte deel uit van de Spaanse verovering van de Amerika's. De Indiaanse tegenstanders gingen niet zozeer ten onder aan het Spaanse geweld maar veeleer aan de infectieziekten die de indringers meebrachten vanuit Europa. Waarom was dit het geval, en waarom werden de Spanjaarden niet neergemaaid door Azteekse ziekten? Viel hier wellicht een achterliggende structuur te herkennen die verder reikte dan deze episode van de geschiedenis?

Aangezien McNeill stelselmatig denkt in termen van de gehele mensheidgeschiedenis zocht hij ook in dit geval naar algemene patronen in ons gemeenschappelijk verleden. Nieuwe infectieziekten plegen virulent van aard te zijn, omdat de mensen die ermee worden besmet nog geen weerstand hebben kunnen opbouwen. Maar ook virulentie heeft een prijs. Een te krachtige ziektekiem kan aan het eigen succes ten onder gaan. Want als er geen mensen overblijven die anderen kunnen besmetten staat de overleving van de ziekteverwekker op het spel. In de meeste gevallen zien we daarom, aldus McNeill, dat er zich op den duur een evenwicht instelt tussen ziektekiemen en menselijke gemeenschappen. Bij de aanvang van een nieuwe epidemie kan tot negentig procent van de zieken overlijden aan de gevolgen van hun besmetting. Maar onder de overblijvende tien procent bevinden zich mensen die een natuurlijke afweer hebben. Zij leggen de basis voor een bevolking die een aantal generaties later minder vatbaar is geworden voor de betreffende ziekte. Als gevolg hiervan worden de ziekten minder virulent en de mensen meer resistent. Zo verandert na verloop van tijd de oorspronkelijk zeer gevaarlijke plaag in een kinderziekte.

Dit thema werkt McNeill vervolgens uit voor de gehele geschiedenis. Toen de eerste mensen zo'n 2,5 miljoen jaar geleden in tropisch Afrika tot ontwikkeling kwamen, stonden ze bloot aan infectieziekten die door insekten werden overgebracht op zowel mensen als andere diersoorten, zoals bij voorbeeld grote runderen. Deze kwaadaardige microparasieten konden voor de vroege mensen zeer gevaarlijk blijven, zolang ze een veilig toevluchtsoord vonden in de dierlijke populaties die niet door de ziekte werden aangetast.

Na verloop van tijd begonnen groepen mensen vanuit tropisch Afrika naar meer gematigde streken te trekken. De schadelijke micro-organismen konden hen niet achterna reizen, omdat ze gebonden waren aan de dierlijke reservoirs waarbinnen ze een deel van hun levenscyclus doorbrachten, en omdat ze afhankelijk waren van de tropische insekten die hen overbrachten. Als gevolg hiervan raakten de ondernemende migranten verlost van deze tropische plagen.

Elders wachtten hen nieuwe bedreigingen. Want veel ziekten waaraan allerlei zoogdieren lijden, kunnen op een gegeven moment erfelijke veranderingen ondergaan en vervolgens overslaan op mensen. Dit gevaar werd des te groter toen ongeveer 10.000 jaar geleden sommige samenlevingen dieren begonnen te temmen en in te zetten voor eigen gebruik. Mensen en beesten raakten hierdoor steeds nauwer op elkaar betrokken, en dierlijke ziekten konden gemakkelijker de sprong maken naar de nieuwe gastheren en -dames.

Het ontstaan van de eerste vroege staten en de daarmee gepaard gaande opkomst van de eerste steden, zo'n vijfduizend jaar terug, had als gevolg dat mensen dichter op elkaar kwamen te wonen. Voorheen leefden de verzamelaars en jagers veelal in kleine horden die het land afzwierven. Het besmettingsgevaar in de nieuwe steden nam navenant toe, vooral omdat deze woonplaatsen vaak poelen van verderf waren. Met de hygiëne nam men het meestal niet zo nauw als wij tegenwoordig gewend zijn. Een mogelijk verband tussen reinheid en het voorkomen van ziekten werd pas vele millennia later onomstotelijk aangetoond.

De lange en vervlochten handelsroutes werden ook de wegen waarlangs besmettelijke micro-organismen zich van de ene naar de andere civilisatie konden verspreiden. Vooral havensteden waren berucht. Al deze ontwikkelingen droegen ertoe bij dat epidemische ziekten begonnen te behoren tot het onvermijdelijke repertoire van de vroege beschavingen. Doordat de samenlevingen op het grote Euro-Aziatische continent voortdurend in aantal toenamen en met elkaar in contact kwamen, raakten de daar voorkomende ziekten en mensen aan elkaar gewend. Iedere nieuwe epidemie eiste een grote tol. Maar de nakomelingen van degenen die deze ramp overleefden, waren tot op zekere hoogte resistent geworden. In dit lange proces bouwden de bewoners van de Oude Wereld weerstand op tegen de micro-organismen die circuleerden binnen het uitgestrekte Euro-Aziatische ziektenreservoir.

Rond 1500 na Chr. woonden in de Amerika's veel minder mensen dan in Europa en Azië. Hun steden, waar besmettelijke ziekten zouden kunnen toeslaan, waren zowel geringer in aantal als in omvang. Ook hadden de vroege Amerikanen veel minder soorten beesten aan zich onderworpen, hetgeen hen grotendeels had gevrijwaard van dierlijke infectieziekten. De onderlinge handelscontacten waren vermoedelijk eveneens beperkter van aard en omvang. Door dit alles waren er in de Nieuwe Wereld naar verhouding maar weinig kwaadaardige ziekte-organismen in omloop. En vanwege hun geïsoleerde positie ten opzichte van de rest van de wereldbevolking hadden de inheemse Amerikanen geen weerstand kunnen opbouwen tegen de Euro-Aziatische ziekten. Toen deze splendid isolation werd doorbroken maakten de bewoners van de Nieuwe Wereld geen enkele kans tegen de Europese indringers en hun onzichtbare bondgenoten.

Deze korte samenvatting kan geen recht doen aan de rijkdom en reikwijdte van Plagues and Peoples. In de optiek van William McNeill is deze studie evenwel niet veel meer dan de systematische uitwerking van een enkel gedachtenspoor, dat hij in meer rudimentaire vorm formuleerde in zijn magnum opus The Rise of the West: A History of the Human Community. Dit werk, voor het eerst gepubliceerd in 1963, heeft als ambitieuze inzet een overzicht te bieden van alle belangrijke aspecten van de gehele mensheidgeschiedenis. Het was William McNeill's antwoord op Oswald Spengler's Der Untergang des Abendlandes en Arnold Toynbee's A Study of History.

McNeill's The Rise of the West verscheen op een uitermate gunstig moment, namelijk ten tijde van het toppunt van de Amerikaanse macht en invloed in de wereld. Het is daarom niet verrassend dat deze studie in de Verenigde Staten een welwillende ontvangst kreeg en in 1964 werd bekroond met de National Book Award. In Europa is deze kloeke band tot voor kort vrijwel onbekend gebleven.

Zoals alle studies van McNeill is The Rise of the West opgebouwd rond een eenvoudig thema. Contacten tussen vreemdelingen die over verschillende soorten vaardigheden beschikken, verschaffen in McNeill's visie de dynamiek van de geschiedenis. Wie in aanraking komt met onbekenden die gewapend zijn met superieure kennis en techniek, kan twee dingen doen. Je kunt je afschermen en trachten de machtige vreemden te negeren, of je probeert hun vaardigheden tot de jouwe te maken. Beide reacties komen voor, en daarmee is het patroon gezet. Telkens weer komen centra op waar nieuwe vaardigheden tot ontwikkeling komen, en keer op keer verspreiden deze zich na verloop van tijd over de wereld. Zo is het gegaan met de opkomst van landbouw en veeteelt, en zo gaat het nu met de industrialisering.

The Rise of the West bevat naast dit eenvoudige structurerende schema een overvloed aan hypotheses variërend van verklaringen voor de opkomst van vroege staten tot heldere inzichten in de geopolitieke verhoudingen van de twintigste eeuw. Kritiek van vakgenoten is niet uitgebleven. Zo werd McNeill onder meer aangewreven dat zijn analyses opmarcheerden met de grote legers, aangezien hij vooral de aandacht richtte op het wel een wee van de machtige staten. McNeill bracht als verweer naar voren dat zij nu eenmaal de winnaars waren, en dientengevolge hun kennis en cultuur konden doorgeven. De verliezers waren daartoe niet in staat. Hoe onaangenaam deze constatering ook was, het was een onontkoombaar gegeven.

Alhoewel het boek nu, na meer dan dertig jaar, in sommige opzichten als achterhaald moet worden beschouwd, is het nog altijd de standaard waaraan anderen zich meten. McNeill is bovendien de eerste om de beperkingen van deze studie te erkennen, zoals hij onder meer openhartig heeft gedaan in het voorwoord van de tweede druk in 1991.

Openhartigheid en bravoure kenmerken het gehele oeuvre van William McNeill. Mij is geen andere auteur bekend die het aandurft zulke opmerkelijke voorwoorden te laten afdrukken. Zo beschrijft hij zijn bundel Mythistory and Other Essays onder meer als een produkt van luiheid en gekwetste ijdelheid. In deze verzameling essays kaart hij de vraag aan welke waarde moet worden gehecht aan historische structuren. Immers, wat de ene geschiedkundige beschouwt als de enig juiste analyse kan door anderen worden gezien als een mythische vertekening van het verleden.

McNeill meent dat we het niet kunnen stellen zonder structurerende schema's. Het alternatief is een chaotische verzameling van onsamenhangende gegevens. Zulke algemene schema's zijn nu eenmaal niet te vinden in historische bronnen, maar komen enkel en alleen voort uit de verbeeldingskracht van de historicus. Het louter verzamelen van steeds meer gegevens door middel van het doorspitten van onoverzienbare stapels archiefmateriaal staat bepaald niet garant voor het produceren van een zinvolle historische analyse. In de toespraak waarmee hij in 1985 het voorzitterschap van de American Historical Association op zich nam, raadde McNeill zijn vakgenoten daarom aan te stoppen met het uitputten van de archieven voordat ze de historicus uitputten. De interpretatie van het verleden kan alleen vruchtbaar geschieden met behulp van een structurerend schema dat het produkt is van menselijke creativiteit. Wel moet men uiteraard de eis stellen dat de overgeleverde kennis binnen dit raamwerk een bevredigende plaats kan vinden.

William McNeill, die dit jaar 79 jaar wordt, werkt nog immer voort aan de uitbreiding van zijn omvangrijke oeuvre, waarvan hierboven slechts een beperkte indruk is gegeven. Zijn meest recente boek, Keeping Together in Time: Dance and Drill in Human History, in 1995 gepubliceerd bij Harvard University Press, toont opnieuw aan dat McNeill een gewaagde stellingname niet uit de weg gaat. Hij meent dat het ritmisch samenbewegen van grotere groepen individuen een uniek menselijke verworvenheid is die aanzienlijke gevolgen heeft gehad voor de sociale organisatie overal ter wereld.

Hij kwam op deze gedachte toen hij als dienstplichtige voortdurend moest marcheren. Het militaire doel ontging hem grotendeels, maar op de maat voortmarcheren riep bij hem wel een bijna mystiek gevoel van saamhorigheid op. Misschien, suggereert McNeill, was ritmisch samenbewegen een van de eerste vormen van menselijke communicatie, die het mogelijk maakte dat mensen vreedzaam in grotere verbanden konden leven dan hun naaste verwanten de chimpansees, die niet in staat waren samen te dansen. Hij onderbouwt deze hypothese door studies van mensapen te vergelijken met die van verzamelaars en jagershorden.

Maat houden in de tijd, in de vorm van zowel dans als militaire discipline, kan worden waargenomen in de gehele mensheidgeschiedenis. Alle traditionele boerendorpjes kenden hun gemeenschapsdansen. Op vorstelijke hoven waren meer statige danspartijen in zwang. En ook de huidige discogangers kunnen zich McNeill's analyse aantrekken. Wat betreft de militaire drilpraktijken: het was onze prins Maurits van Oranje die in de moderne geschiedenis opnieuw het grote militaire belang onderkende van samen opmarcheren en andere gemeenschappelijke oefeningen. Dit alles diende ter verbetering van het saamhorigheidsgevoel en de discipline van de veelal roerige huurlingen uit verschillende windstreken waaruit zijn leger bestond. Deze vernieuwing bleek dermate effectief te zijn dat de door prins Maurits geïntroduceerde drilpraktijken zich vervolgens snel over de rest van Europa verspreidden. Zelfs in onze hypertechnologische tijd behoren ze nog altijd tot het basisrepertoire van iedere militaire training.

Alhoewel McNeill een historische opleiding heeft genoten, deed hij eveneens inspiratie op uit het werk van Amerikaanse antropologen. Met name de studies van Robert Redfield, die onderzoek deed naar de verhoudingen tussen boerendorpjes en nabije steden in Midden-Amerika, hebben McNeill sterk beïnvloed. Daarbij benadrukt McNeill voortdurend het belang van de ecologische omstandigheden waarbinnen menselijke samenlevingen tot ontwikkeling kwamen, ook toen dit nog volstrekt niet bon ton was binnen de humaniora.

Zo schreef hij zijn proefschrift over de invloed van de aardappelproduktie op de Ierse samenleving, hetgeen in dubbel opzicht een verkenning was van zijn eigen roots. Ook deed McNeill enkele malen veldonderzoek in Griekse dorpjes, wat heeft geresulteerd in verschillende publikaties.

Op de Universiteit van Chicago, waar McNeill het grootste deel van zijn carrière heeft doorgebracht, is geen schoolvorming opgetreden. In een interview beschreef hij de situatie daar als volgt: “Wat ik gedaan heb in Chicago is twintig jaar les geven aan jongerejaars studenten. Toen ik met pensioen ging hoopte ik eigenlijk dat mijn collega's zouden vinden dat dat belangrijk genoeg was om voort te zetten. (...) Maar zo is het niet gegaan. Mijn collega's hadden het gevoel, of ze zeiden althans: 'Niemand anders kan het doen', wat volgens mij helemaal niet waar is. Maar dat beweerden ze, en dus werd mensheidgeschiedenis geschrapt”. McNeill is zodoende een eenling gebleven.

In de Verenigde Staten heeft zich desalniettemin vanaf 1982 een groep voornamelijk jongere historici verenigd in de World History Association. De plannen hiervoor werden gesmeed tijdens een bijeenkomst op de US Air Force Academy. Daar maakte mensheidgeschiedenis deel uit van het verplichte curriculum voor gevechtspiloten, die in alle delen van de wereld inzetbaar moesten zijn. De jongere generatie van mensheidhistorici heeft zich tot taak gesteld om het gedachtengoed van McNeill en anderen verder uit te werken. De World History Association is snel groeiende en heeft nu ook vertakkingen in Europa, Azië en Latijns Amerika.

Bovendien zijn in Australië, de Verenigde Staten en Nederland academici doende de mensheidgeschiedenis op systematische wijze te plaatsen binnen het perspectief van de geschiedenis van het heelal, zonnestelsel, aarde en leven. William McNeill ziet de opkomst van de alomvattende geschiedschrijving als de grootste uitdaging waarvoor historici zich nu gesteld zien. Deze nieuwe vorm van synthese is een reactie op de postmoderne versplintering die de afgelopen jaren de universitaire wereld heeft geteisterd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden