Geschiedenis / De lijn van Karel de Grote naar Flipje

Van Doorn zit ernaast als hij stelt dat details en bijzaken slechts de marge zijn van het historisch bedrijf. Integendeel, ze bepalen vaak de hoofdlijn van de geschiedenis.

door István Bejczy

In zijn rubriek liet J.A.A. van Doorn onlangs een meewarige blik glijden over de recensies in het jongste nummer van Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden. Veel van de besproken boeken gaan over onderwerpen die volgens Van Doorn in de marge van het historisch bedrijf thuishoren: tweederangs schrijvers en politici, regionale en lokale bestuurspraktijken, vrouwelijke geleerde genootschappen en wat niet al. Hij wees in dit verband op Johan Huizinga, die al in 1929 klaagde over de ’onvoldoende formulering der vragen’ waaronder de geschiedwetenschap gebukt ging. Is Huizinga dan zozeer vergeten, vraagt Van Doorn zich af, dat historici geen hoofd- en bijzaken meer onderscheiden?

De vraag van Van Doorn prikkelt tot antwoord. Laat ik beginnen met zijn beroep op Huizinga, dat mij niet op zijn plaats lijkt. Waar Huizinga sprak over onvoldoende formulering der vragen, had hij het over een probleem van aanpak en methode: ’men gaat stof verwerken zonder goed te weten, wat men erin zoekt’. Dat is een heel ander probleem dan de vraag, welke onderwerpen historische studie verdienen. Huizinga verweet zijn vakgenoten niet dat zij de verkeerde onderwerpen kozen, maar dat zij niet genoeg nadachten over de vraag wat zij met hun werk wilden laten zien. In het door Van Doorn geciteerde werk De taak der cultuurgeschiedenis merkt Huizinga hierover op: ’In het onbepaalde van de vraag schuilt het euvel, niet in het overmatig speciale van het onderwerp zelf”.

Tegen gedegen studie van kleinere onderwerpen had Huizinga geen enkel bezwaar. Integendeel. Nog maar een citaat uit hetzelfde werk: de detailvorser ’vervult een levensbehoefte, hij gehoorzaamt aan een edelen zucht van den modernen geest (*) Hij realiseert, door het slijpen van één facet uit duizenden millioenen, de historische wetenschap van zijn tijd’. De geschiedwetenschap bestaat nu eenmaal uit de studie van bijzonderheden. Wel moet het om geïnspireerde studie gaan. ’Och, het doet er zo weinig toe, wat de stof is, als er maar wat geest in gaat’ (brief van Huizinga aan Dirk Coster, 28 juni 1918). Is Van Doorn doorgedrongen tot de geest van de historische studies waarover hij de staf breekt? Ik vrees van niet. Van de meeste noemt hij niet meer dan het onderwerp en de omvang.

Volgens Van Doorn dient in de (Nederlandse) geschiedwetenschap de vraag centraal te staan ’naar wat beslissende invloed op het geschiedverloop uitoefende, wat hoogtepunten, breuklijnen en crisissymptomen waren, wat ons onderscheidde van andere landen en beschavingen’. Die vraag is zeker van belang en mag misschien zelfs maatgevend zijn. Maar hoe kan ze anders worden beantwoord dan door moeizaam onderzoek van bijzonderheden? Zou niet juist een studie naar een negentiende-eeuws genootschap van Middelburgse, in fysica geïnteresseerde, dames licht kunnen werpen op grote thema’s als vrouwenemancipatie en de verbreiding van de natuurwetenschap? Zegt een studie naar het Fries in het juridisch en bestuurlijk verkeer in de laatste twee eeuwen niet veel over de vorming van regionale en nationale identiteiten? Vertelt een boek over de positie van Nederland en Indië op wereldtentoonstellingen tussen 1880 en 1931 dan niets over datgene wat ’ons’, in eigen ogen, van andere landen en beschavingen onderscheidde?

In de geschiedwetenschap kan mierenijver lonend zijn. Een jaar of tien geleden verscheen een boek van 700 bladzijden over de middeleeuwse landbouwgeschiedenis van de Betuwe, geschreven door Bas van Bavel. Onderwerp en omvang van het boek zouden Van Doorn wellicht afstoten. Ook mijn eigen historische interesses liggen elders. Toch heb ik uit dat boek veel geleerd. Van Bavel toont in detail aan onder welke voorwaarden de commerciële landbouw in Nederland kon opkomen. Hij toont bovendien aan dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de ontginning van de Betuwe door vroeg-middeleeuwse Frankische koningen en de latere opkomst van de intensieve fruitteelt. Hoe er, met andere woorden, een rechte lijn loopt van Karel de Grote naar Flipje van Tiel. Ik vond het boek zo rijk dat ik er in Nijmegen de eerstejaarsstudenten geschiedenis al mee heb laten werken. Was het nu niet jammer geweest als Van Bavel dat boek niet had mogen schrijven omdat historici zich niet te veel in bijzaken moeten verdiepen?

Dr. István Bejczy is historicus aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Kijk op www.trouw.nl/discussie voor de column van Van Doorn

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden