Geruisloos

Het was geloof ik Tsjechov die zei dat het jachtgeweer waarmee de held zich in het Laatste Bedrijf doodschiet in het Eerste Bedrijf al boven de schoorsteen moet hangen.

Aan het einde van 'De Kersentuin' houdt hij zich mooi aan deze toneelwet. De familie staat op het punt voor altijd uit Het Huis te vertrekken. Vanaf het begin van het bedrijf springt de vraag rond: waar is Firs? Hij is de 87-jarige ex-lijfeigene, sinds lang huisknecht van de familie, de man die 1861 voor een catastrofe hield, omdat meesters en knechten vanaf toen allen onherstelbaar op drift waren geraakt. Firs is al enkele dagen niet goed. Tijdens de rommelige drukte van het vertrek wordt de vraag herhaaldelijk gesteld: ,,Waar is Firs?'' Yasha antwoordt: ,,Ik heb gezegd dat ze hem naar het ziekenhuis moesten brengen.'' Maar hebben ze de oude huisknecht nu daadwerkelijk naar het ziekenhuis gebracht of niet?

Vervolgens vraagt Anya: ,,Yepihodov, alsjeblieft zoek eens uit of Firs naar het ziekenhuis is gebracht vanmorgen.''

Als Varya dezelfde vraag vervolgens aan Anya stelt krijgt ze als antwoord: ,,Ja.''

,,Maar waarom hebben ze het briefje voor de dokter dan niet meegenomen?'', vraagt Varya zich af. Het vertrek van de familie gaat gewoon door ondanks de onopgeloste verblijfplaats van Firs. Er wordt op zovele niveaus afscheid genomen dat je ook als toeschouwer de oude man uit het oog verliest. Als moeder toch nog een keer zegt zich zorgen te maken over Firs, zegt Anya, geprikkeld bijna: ,,Mam, Firs is al naar het ziekenhuis gebracht! Yasha heeft hem er vanmorgen heen gestuurd.'' Maar dat heeft Yasha nu juist niet gedaan.

De drukte duurt voort, het rijtuig staat klaar, moeder draalt in het leeggehaalde huis, er klinken kreten van buiten, 'Schiet nou op', een laatste blik, de deur wordt van buiten af goed gesloten, en het rijtuig rolt ratelend weg. Het huis is verlaten.

Van buiten klinkt vaag het geluid door van het omhakken van de kersenbomen. Binnen klinken voetstappen. Binnen? De oude zieke Firs schuifelt te voorschijn.

Hij constateert gelaten dat ze vertrokken zijn en realiseert zich hoofdschuddend dat Leonid Andreyevitsj een veel te dunne jas aan heeft voor dit weer. Dat hoofdschudden breidt zich uit qua bereik, want zijn volgende woorden zijn: ,,Het leven is voorbijgegaan alsof ik nooit geleefd had'', en zachtjes foeterend tegen zichzelf legt hij zich erbij neer.

Dat het leven in zekere zin niet veel om het lijf heeft was voor Tsjechov een even belangrijke waarheid als de constatering dat mensen in staat zijn om deze dubieuze onderneming voor zichzelf of voor anderen aanzienlijk gruwelijker te maken.

Honderd jaar geleden stierf hij, op 44-jarige leeftijd. En hoewel in elk mensenleven dat ene jachtgeweer al vanaf de geboorte boven de schoorsteen hangt, is het vrijwel altijd een verrassing als het ding afgaat. Zo ook bij Tsjechov, wiens overlijden aan tuberculose nauwelijks onaangekondigd mag heten.

Onlangs verscheen in The Times Literary Supplement een vertaling van Leo Rabenecks verslag van Tsjechovs dood. Het relaas is zo treffend, omdat het de zachtheid van sterven, het geruisloze van de dood, zo overtuigend laat zien. Het geweer verdwijnt wel van de vertrouwde plek, maar het gedempte schot in de tuin blijft uit.

Rabeneck en zijn broer kenden Tsjechov en diens vrouw Olga in Moskou en troffen hen bij toeval in Badenweiler een spa in het Zwarte Woud, waar Tsjechov op verhaal dacht te komen. In de nacht van 14 juli werd Rabeneck uit bed gehaald door Olga om de dokter te gaan roepen. Deze kwam gauw en gaf de zieke zuurstof uit een cilinder.

Tsjechov ademde moeilijk. De dokter zond Rabeneck naar beneden om champagne. Hij bood Tsjechov een vol glas aan, die deze met een glimlach accepteerde en helemaal leegdronk. ,,Het is lang geleden sinds ik champagne dronk'', zei hij. Rabeneck vervolgt zijn verslag: ,,Precies op het moment dat ik het glas neerzette, met mijn rug naar Anton Pavlovitsj, kwam er een vreemd gorgelend geluid uit zijn keel, zoals je wel uit een kraan hoort als er lucht in zit. Toen ik mij omdraaide zag ik dat Anton Pavlovitsj, nog steeds ondersteund door Olga Leonardovna, een weinig opzij was gedraaid en kalm op zijn kussens rustte. (...) Het was stil in de kamer, niemand zei iets. De dokter week niet van Anton Pavlovitsj en hield in stilte zijn hand vast. Het kwam niet in mij op dat hij steeds de pols aan het voelen was. Zo gingen enkele minuten in volledige stilte voorbij en, daar ik er geen idee van had dat Tsjechov stervende was, voelde ik dat alles nu, God zij dank, tot rust gekomen was en onze zorgen voorbij. Op dat moment liet de dokter de hand van Anton Pavlovitsj los, leidde mij naar achteren in de kamer en zei zachtjes: Het is voorbij. Herr Tsjechov is dood. Zou u zo vriendelijk willen zijn dit tegen Frau Tsjechov te zeggen?

Ik was verbijsterd en kon slechts uitbrengen: Weet u dat zeker, dokter?

Helaas wel, antwoordde hij. Wij voerden ons gesprek half fluisterend. Olga Leonardovna schonk ons geen aandacht en bleef Anton Pavlovitsj ondersteunen, niet beseffend dat alles voorbij was. Ik ging rustig naar haar toe, raakte haar schouder en gebaarde haar op te staan. Voorzichtig maakte zij haar armen los van achter Anton Pavlovitsj rug, stond op en kwam naar mij toe. Terwijl ik met moeite tegen mijn eigen gevoelens streed zei ik half fluisterend tegen haar: Olga Leonardovna, mijn beste, de dokter zegt dat Anton Pavlovitsj dood is.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden