Gerti Bierenbroodspot

Gerti Bierenbroodspot (Amsterdam, 1940) is dichter, schilder en beeldhouwer. Ze woont afwisselend in Holland, Toscane en Jordanië. Dit jaar verscheen bij uitgeverij Bert Bakker haar bundel gedichten en tekeningen 'Mijn mond sluimert lila'. Bierenbroodspot bereidt een nieuwe overzichtstentoonstelling voor en werkt aan een facsimile-uitgave van haar boek 'Edittha, Kroniek van een onmogelijke verliefdheid', waarin ook een bijdrage van Simon Vinkenoog wordt opgenomen.

1. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

,,God, God, God... ik weet het niet hoor. Als je God wilt definiëren, blijf je steken in stereotypen. Is een prachtige zonsondergang het werk van de schilder God? Lijkt mij onzin. Een zonsondergang kun je berekenen; zoveel wetenschappelijke deeltjes bij elkaar. Maar toch... Waar kijken we naar? Waarom móeten we in het zwerk kijken? En waar komt die behoefte vandaan om er in op te gaan; om te dansen in dat donzige landschap van wolken? Is God dáár dan? Misschien wel. Ik zal nooit die ene vlucht van Florence naar Amsterdam vergeten. Ik had een schilderij van de heilige Sebastiaan bij me dat, waarschijnlijk door de druk in de cabine, was gaan zweten. De Italianen aan boord zagen het en riepen: 'Un miracolo! Un miracolo!' Een jongen naast mij zei: 'Hi, I'm from Los Angeles.' Hij was zo stoned als een aap. 'Yeah, baby.' Hij wilde uitstappen om te gaan slingeren aan zo'n koord van uitlaatgassen dat een vliegtuig voor ons had achtergelaten in de wolken. De overdracht van die jongen op mij was zo sterk, whaa!, dat wil je niet geloven. Toen ik op Schiphol landde, met mijn zwetende Sebastiaan, duizelde het mij nog. Boven of beneden bestonden niet meer, ik was mijn oriëntatie volledig kwijt en ik dacht: dichter bij God zal ik nooit meer komen.''

2. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

,,Edittha, mijn geliefde, ging dood. Ineens was er niets meer. Tot ik haar koffer terugvond. Vol lapjes en stofjes die haar geur dragen, met een masker dat ze had voorgehouden tijdens een festival in Venetië. Het heeft haar adem, haar parfum. Op het moment waarop ik mij realiseerde dat er nooit iets nieuws van haar meer bij zou komen, werd die koffer -en alles wat er in zat- een relikwie, de plekken die ik met haar had bezocht bedevaartsoorden en zijzelf een heilige. Verliefd worden, de liefde bedrijven, je geliefde gedenken: het is één grote afgodendienst. Dat kan niet anders.''

3. Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

,,Ik geloof in bezweren en vervloeken. Je kunt onheil over jezelf afroepen, maar het is ook mogelijk om een ander iets aan te doen. Als je heel sterk aan vreselijke dingen denkt, zal dat zeker niet bijdragen tot de algemene feestvreugde. Nee, ik zal het nooit doen! Ik ben een witte heks, geen zwarte. Ooit was ik in Frankrijk bij een seance van een theofanische beweging en toen werd mij de vraag gesteld: wat zou je willen hebben? Ik vroeg of ik het vermogen mocht krijgen om onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad. Een van die knapen zei: 'Dat is teveel gevraagd' en drukte ergens op mijn hoofd. Maandenlang heb ik een waanzinnige pijn in mijn hartstreek gehad. Ik ben er nooit meer heen gegaan. Ik moet mij verre van dat soort praktijken houden en toch... toch trek ik het op een of andere rare manier aan. Het kleeft aan mij. Je moest eens weten wat ze allemaal in mij zien. Ze noemen mij een sjamaan, een magiër. Mensen schrijven dat ik hen heb verlicht, opgepakt, een kick gegeven. Hoe ik daar op reageer? Ik gebruik de woorden van Jezus: 'Ik heb het niet gezegd.' Jíj zegt het. Het zou allemaal best kunnen, maar ik ga het zelf niet zo benoemen. Als ik dat doe, word ik bijgelovig en misschien raakt de bron dan wel uitgeput.''

4. Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

,,Sinds ik weg ben uit St. Guilhem-le-Désert, ga ik niet meer naar de kerk. Misschien mis ik de kerk, ik weet het nog niet, maar ik verwacht wel dat er iets in die richting gaat gebeuren. Er komt een einde aan de spielerei, ik moet meer naar het spirituele toe. Nee, met het instituut kerk heeft dat allemaal niets te maken. Dat ligt achter me, althans... nee, wacht ik zal bij het begin beginnen. Een geëxcommuniceerde monnik uit Florence had een theatertje opgericht waarin hij filosofen, toneelschrijvers en dichters wilde uitnodigen om met elkaar van gedachten te wisselen over het leven. In zijn palazzo wilde hij graag een schilderij hebben van Het Laatste Avondmaal. Tijdens een voettocht die ik met hem en Edittha door Italië maakte, kwam hij tot de overtuiging dat ik het doek moest schilderen. Ik ging akkoord en vertrok naar Amsterdam om aan de voorstudies te beginnen. Ik liet een speciaal brood bakken, haalde priesterhemden en korenaren in huis, verzamelde een paar apostelen -Peter van Ingen, met die prachtige bos krullen, wilde Judas zijn- en had zelfs Christus al gevonden. Maar hoe ik mijn best ook deed: het lukte niet. Ik wilde erachter komen wat mij tegenhield en ging in gesprek met allerlei geestelijken. Het was een komen en gaan van religieuze heren. Kardinaal Simonis heeft hier nog aan tafel gezeten om de zaak met mij te bespreken. Uiteindelijk kwamen wij tot de volgende oplossing: ik moest gedoopt worden. En wel in de Waalse kerk. Ik ben er stiekem heen gegaan omdat ik wist dat mijn vrienden mij zouden uitschelden als ze erachter kwamen. Ik was een paar uur te vroeg. Ik probeerde in gebed te raken, maar het enige wat ik kon bedenken was: waar ben ik mee bezig? Nog voor de priester arriveerde, was ik al weer vertrokken.''

,,Een paar maanden later ging ik naar mijn huis in St. Guilhem-le-Désert. Naast mijn huis stond een romaanse kerk, prachtig en verlaten. Op een nacht werd er op mijn deur geklopt. Ik deed open en zag een mooie man in een lange cape. Hij noemde mij 'ma soeur' en vroeg of ik iets te eten voor hem had. Hij bleek de nieuwe pastoor van het dorp te zijn die door de bisschop van Montpellier naar Le Désert was verbannen. We raakten bevriend en op een dag vertelde ik hem over Het Laatste Avondmaal. Ook hij geloofde dat het beter was dat ik mij zou laten dopen. Dit keer kon ik het wel, de sfeer was beter. Hij nam mij mee naar het voorportaal van de kerk, strooide zout op mijn hoofd en blies de duivel uit mijn oren. Daarna moest ik twee dagen in afzondering doorbrengen. Ik deed wat mij werd opgedragen, werd gedoopt en ging weer aan het werk. En wéér kreeg ik het tafereel niet op het doek. Terwijl ik zo bereid was geweest! Vrienden beweerden zelfs dat ik mijn ziel had verkocht en misschien is dat in zekere zin ook wel zo. Ik voel mij niet meer vrij. Ik begrijp nu pas waarom het mij niet lukt Het Laatste Avondmaal te schilderen. Dat hele gedoe met die apostelen heeft iets oubolligs, met die homofiele Johannes, dat gezeik met die Judas en het ontbreken van Maria Magdalena die eigenlijk veel belangrijker is dan dat zwakzinnig stelletje bij elkaar geraapte schooiers. Nu ik die apostelen zie als een theatergroepje wordt het weer spannend. Ik word altijd door vagebonden, geniale idioten, zigeuners, rotzooi en afval omringd - dat is mijn wereld, dat is mijn invalshoek. Maar omdat die invalshoek heel heidens is, moet ik nu van dat doopsel af zien te komen. Misschien kan de Dalai Lama mij helpen, ik ben al met hem in contact geweest. Er is toch een zeker ritueel nodig om die bezwering op te heffen. Maak mij vrij, alsjeblieft. Ik wil zo graag weer onbevangen zijn.''

5. Eer uw vader en uw moeder

,,Mijn vader was stuurman op de grote vaart. Hij had een Gandhi-achtige verschijning: een uitgeteerd klein mannetje. Hij raakte al op jonge leeftijd geïnteresseerd in yoga, sloot zich aan bij de theosofische gemeenschap in de Tolstraat in Amsterdam, ontmoette op zijn reizen mensen als Slauerhoff en haalde, samen met Annie Besant, Krishnamurti naar Nederland. In de oorlog ging hij in het verzet. Ons huis zat vol onderduikers. We moesten stil zijn, altijd op ons hoede. Onze benedenburen waren NSB-ers. Ik kan mij die stress, de wanhoop van mijn moeder, nog goed herinneren. Zij stond er alleen voor. Mijn vader was er nooit. Hij was Engelandvaarder en moest ondergedoken blijven als hij in Holland was. Soms was hij er ineens. Dat zijn mijn mooiste herinneringen. Maar als ik de volgende dag mijn ogen opendeed, was hij weer verdwenen. Ik wist nooit of hij nog wel terug zou komen. Ik had het gevoel dat ik het in mijn eentje moest zien te rooien: alleen gelaten, zoek het maar uit. Na de oorlog werd duidelijk hoe bij ons thuis de rollen waren verdeeld: ik was mijn vaders oogappel en mijn zusje hoorde bij mijn moeder. Nee, niets verdrietigs aan, zo was het nu eenmaal. Hij nam mij overal mee naartoe, ik kon alles aan hem vragen. Over het verzet sprak hij niet vaak. Toen Soldaat van Oranje uitkwam, heeft hij me meegenomen naar de bioscoop. Na afloop zei hij: 'Nou kind, dat was het zo'n beetje.' Hij was al bijna negentig toen hij ermee op wilde houden. Hij was niet ziek ofzo, hij had er gewoon geen zin meer in. Niet eten, niet drinken, niets. Toen besloot ik: okee, ga maar, ik neem de boel wel van je over. Mijn moeder heb ik eigenlijk pas in de laatste jaren van haar leven leren kennen. Het heeft heel lang geduurd voordat ik de vrouw achter de moeder kon ontdekken. In die tijd was een leuke jongen -hij is helaas overleden- bezig een biografie van mij te schrijven. Hij heeft drie uur lang met mijn moeder over mij gesproken. Toen ze allebei dood waren, kwamen die bandjes in mijn bezit, maar ik durf er niet naar te luisteren. Waar ik bang voor ben? Voor teveel emotie. Ik ben er nog niet klaar voor. Zo heb ik ook nog steeds haar urn hier boven staan. Ik weet pas sindskort waar ik haar naartoe moet brengen. De tijd is gekomen om mijn moeder uit die cylinder te bevrijden. Ik denk veel aan haar, maar niet zoals ik aan mijn vader denk. Eigenlijk hoef ik niet eens aan hem te denken. Ik ben mijn vader.''

6. Gij zult niet doodslaan

,,Op 9 mei 1940, de dag waarop de eerste bom op Schiphol viel, ben ik geboren. Mijn vader heeft mij gehaald. Kort nadat hij zijn schip had verlaten, in november 1939 werd de Simón Bolívar getorpedeerd of opgeblazen. Bijna al zijn makkers raakte hij kwijt. Mijn geboorte valt samen met het allerergste wat je kunt bedenken: beroving van vrijheid, destructie. Ik heb het gevoeld, van binnenuit. Ik heb het gezien: kinderen die van honger stierven. Ik heb de duisternis ondervonden, de wanhoop, de angst, de verstikking - ik ben claustrofobisch tot op het bot. Als iemand de deur sluit, vliegt het naar mijn keel. Alles is door mij heen gegaan. In die zwarte tijd, móest een kind van licht geboren worden. Dat ben ik. Dat is mijn opdracht: licht brengen. Niet de wereld verbeteren, niet de mensheid redden, maar licht brengen waar het donker is.''

7. Gij zult niet echtbreken

,,Maar ik was nog zo jong! Vlak dat niet uit. Ik trouwde om bij mijn ouders weg te kunnen. Ik voelde mij bekneld en de grote wereld lonkte in de vorm van een man die al van enige betekenis was. We zijn gescheiden, maar dat klinkt zo zwaar... we gingen uit elkaar en bleven goede vrienden. De tweede keer dacht ik dat ik een 'normaal' leven zou kunnen leiden, maar dat bleek niet zo te zijn. Ik moest ophouden met die onzin en gewoon gaan schilderen. Mijn keuze voor het werk sluit een relatie niet uit, maar de partner in kwestie blijkt vaak problemen te krijgen met mijn werkritme, of met alle aandacht die mijn werk met zich meebrengt. Ik denk dat ik mensen wanhopig heb gemaakt. Hoe vaak heb ik het niet gehoord? 'Je maakt mij kapot!' 'Waarom ben ik verliefd op je geworden?' 'Je bent er nooit, je zit alleen maar in dat vervloekte atelier!' Moet je dan altijd bij een geliefde in de buurt zijn en zeggen: ik heb je lief? Ik wilde steeds weer weg, weg, weg. Ik moet die afzondering bereiken om verder te kunnen, weg van de mensen van wie ik zoveel hou. Anders zal ik nooit bereiken wat ik nog moet bereiken. Het ultieme doek is nog niet geschilderd. Ik weet niet of de prijs te hoog is, daar zal ik later pas achterkomen. En zo lang de muze bij me blijft, zal ik nooit echt alleen zijn.''

8. Gij zult niet stelen

,,In 1993 vroeg Henk van der Meijden mij of ik een circusaffiche voor hem wilde ontwerpen. Ik maakte in Artis een portret van een leeuw en ik schilderde, als een hommage aan Salvador Dali, 'zijn' twee springende tijgers. Ik bood Van der Meijden die twee ontwerpen aan, maar vond zelf de leeuw het mooist. Tot mijn grote ontsteltenis zei hij: 'Die tijgers vind ik niks'. Dat maakte mij al pissig. Toen moest er afgerekend worden. Daar deed hij ook nogal vaag over. 'Ik maak jou beroemd,' zei Henk. 'Dat ben ik al lang,' antwoordde ik, 'ik wil gewoon met je afrekenen.' Daarna is die oorlog tussen ons uitgebroken. Hij hielp het praatje de wereld in dat ik geplagieerd zou hebben, terwijl ik achter op het doek van de tijgers had geschreven dat het een hommage was. Het toeval wilde dat de familie van Dali en ik bij dezelfde beeldrechtclub zaten en we zo met elkaar in contact kwamen. Ze vonden het geen enkel probleem dat ik het doek had geschilderd en daarmee was de zaak afgedaan. Nooit meer iets van Henk gehoord. Jammer eigenlijk, want we hadden een mooi contact.''

9. Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

,,Als ik er niet uitkom, als ik geen zin heb in mensen en ik niet meer kan uitleggen hoe dat komt, als ik word vastgehouden ja, dan lieg ik mezelf een weg naar buiten. Om te kunnen ontsnappen, zal ik liegen.''

10. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

,,Ik word alsmaar gelukkiger. Ik voel een enorme kracht. Zelfs na een dag als vandaag: vol turmoil en gedoe. Geschilderd van vijf uur 's ochtends tot negen uur 's avonds, dit wonderlijke gesprek met jou - de nacht is jong en ik veer op. Straks komt er een vriendin eten en drinken en morgen sta ik om vijf uur weer met mijn blote voeten in het atelier. Tijd is mijn vijand. Vroeger kon ik dingen verprutsen omdat er tijd in overvloed was, nu ben ik mij ieder verloren moment bewust. Ik begrijp dat het leven eindig is. Dat sterven, net als ademhalen, onontkoombaar is. Ik heb, als claustrofobisch mens, moeite om mij niet over te geven aan de gedachte dat ik gevangen zit in mijn eigen lichaam en de dood lijkt mij nog erger. Een eeuwigdurende gevangenschap. Ik moet de dood gaan herbedenken, maar over het sterven heb ik mijn gedachten wel rond. Daar moet je iets moois van maken. Het is de laatste kans om creatief te denken en wat doen wij? We gaan als lammeren ter slachting. Ik zal niet, zoals Herman Brood, van het dak gaan springen, maar ik heb wel bewondering voor zijn moed. De dood onder ogen durven komen, dat is de ultieme moed. Lang geleden heb ik mijn plek gevonden in Petra, een grafstad in Jordanië. Daar huur ik nog altijd een huis. Als het tijd is, zal ik zonder water de woestijn inlopen en vrienden worden met de dood.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden