Gereserveerd jegens bekeerlingen

Hoe bescheiden de communisten waren met hun vijfjaren-plannen, laat ons paus Johannes Paulus II zien. Die rekent in millennia. Zoals in het eerste millennium Europa tot het christendom is bekeerd, en in het tweede Amerika en Afrika, zo moet in het derde Azië worden gekerstend. Aldus de paus. Hoe is het gesteld met de zendingsijver van de drie monotheïstische godsdiensten? Vandaag aflevering 1: Het jodendom: 'Laat ieder maar zalig worden op zijn eigen manier.'

Chris Rutenfrans

Je zou kunnen denken dat missionaire ijver - de onstuitbare drang om anderen te bekeren tot het eigen geloof - typisch is voor het monotheïsme. Wie gelooft in één God, in één waarheid, is wellicht sterker geneigd anderen in die waarheid te laten delen dan wie gelooft in meerdere goden. Maar het kan ook een kwestie van psychische gerichtheid zijn. Tegenover het extraverte christendom dat zichzelf wil uitzaaien staan dan de introverte Aziatische religies die er juist sterk in zijn andere religies te absorberen. Zo gaat het verhaal dat de poly-theïstische hindoes, toen zij voor het eerst een christelijke missionaris hoorden vertellen over Jezus Christus als Gods zoon, graag bereid waren om die Jezus ook op te nemen in hun goddelijke pantheon. Een boeiend misverstand, omdat die missionaris nu juist gekomen was om dat pantheon eens stevig uit te dunnen.

Helaas houdt de werkelijkheid zich niet altijd aan onze fraaie theorieën. Monotheïsme gaat helemaal niet noodzakelijk gepaard met bekeringsijver. Het jodendom dat verreweg de oudste monotheïstische godsdienst is - uitvinder of ontdekker van de ene onzichtbare God - heeft nooit een sterke missionaire drang gekend. Mensen die te kennen gaven over te willen gaan tot de joodse godsdienst werden eerder met een zekere reserve tegemoetgetreden.

Dat komt doordat in het jodendom het joodse volk wordt gezien als het door God uitverkoren volk, zegt een medewerker van de vakgroep Hebreeuws van de Universiteit van Amsterdam, die zijn naam liever niet in de krant wil. Het jodendom definieert zichzelf als een volk en als een religie, maar je hoort er pas echt bij als je bij het volk hoort. Hoe belangrijk dat is blijkt wel uit de nog steeds geldende regel dat alleen zij joods zijn die een joodse moeder hebben. Een joodse vader is niet voldoende, omdat het vaderschap nu eenmaal minder zeker is dan het moederschap. De thora illustreert dat met het verhaal van Ruth. Als de joodse Naomi vanuit het land van Moab terugkeert naar haar eigen volk, bezweert haar Moabitische schoondochter Ruth haar te zullen volgen met de woorden: 'Uw volk zal mijn volk zijn, en uw God mijn God.' Eerst komt het volk, en dan pas God. De niet-joodse Ruth zou de oermoeder worden van koning David.

Zij die geen joodse moeder hebben, kunnen pas toetreden tot het jodendom als ze er uitvoerig en langdurig blijk van hebben gegeven dat werkelijk heel graag te willen. Toch varieert de openheid van het jodendom voor nieuwelingen in verschillende historische perioden. Ten tijde van de Griekse Oudheid en de Romeinse tijd kende de joodse godsdienst veel bekeerlingen. De medewerker van de vakgroep Hebreeuws zegt dat het jodendom destijds zo aantrekkelijk werd gevonden omdat monotheïsme als intelligenter en intellectueler werd ervaren dan polytheïsme; en het jodendom was toen de enige monotheïstische godsdienst.

De islamoloog en voormalige christelijke zendeling Jan Slomp wijst erop dat tussen de eerste en de zesde eeuw n. C. nog verschillende Arabische stammen joods zijn geworden. In Jemen bestond in het jaar 500 nog een joodse staat, evenals in Elefantine in het uiterste zuiden van Egypte. Ten tijde van Mohammed (570-632) waren er nog zeker zes joodse stammen onder de Arabieren. Al deze bekeringen kwamen voort uit een spontane aansluiting bij het jodendom dat daar in die tijd voor openstond, en minder uit een actieve zendingsdrift. Toch sluit Slomp niet uit dat joden al in de dia-spora vóór de verwoesting van de tweede tempel (in het jaar 70) zending bedreven. In Mattheüs 23 vers 15 zegt Jezus: 'Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden; want gij omreist zee en land om één Jodengenoot te maken; en als hij het geworden is, zo maakt gij hem een kind der hel, tweemaal meer dan gij zijt.' Bewijzen van een joodse verkondiging zijn echter moeilijk te vinden.

De zendeling Slomp heeft in deze harde woorden van Jezus altijd een waarschuwing gezien tegen een ondoordachte bekeringsijver die misbruik van mensen maakt: ,,Je kunt een bekeerling het leven ontzettend zuur maken. Als hij na te zijn bekeerd wordt uitgestoten door zijn gemeenschap en in een sociaal isolement terechtkomt, kan hij zich inderdaad in een hel wanen. Ik heb in Pakistan mensen gekend die uit volle overtuiging christen waren geworden, maar psychisch toch volkomen in de knoei kwamen. Als je de zending ingaat, moet je allereerst jezelf bekeren van je stupiditeit en naïviteit. Natuurlijk zijn er moslims die zich beter thuis voelen in het christendom en omgekeerd, maar je moet ontzettend uitkijken dat je geen valse zekerheid geeft aan labiele mensen die daardoor nog dieper in de put raken.''

Hoe aantrekkelijk het jodendom óók voor christenen kon zijn, ontleent Slomp aan 'de irritatie die aan de vooravond van de eerste kruistocht bij de christenen in Engeland en Duitsland bestond over de argumentatieve kracht van de joden'. Anselmus van Canterbury - die tegen de kruistochten was en weigerde de Spaanse bisschoppen ook maar een cent te geven om Spanje te helpen bevrijden van de moslims - voorzag de christenen wél van argumenten voor mogelijke discussies met joodse en moslim-intellectuelen. Hij waarschuwde de christenen niet in debat te treden met rabbi's 'want die zijn veel slimmer'.

De medewerker van de vakgroep Hebreeuws vertelt dat aan de joodse openheid tegenover bekeerlingen een einde kwam met de opkomst van het christendom dat pretendeerde het enige echte jodendom te zijn omdat het de goddelijke profetie van de komst van de Messias beter zou hebben begrepen dan de eigenlijke joden.

Toen het christendom in het jaar 380 van Theodosius de Grote een monopoliepositie kreeg, werden joden voorzichtiger en argwanender tegenover bekeerlingen. De angst was groot om met bekeerlingen het paard van Troje binnen te halen.

Bovendien werden er algauw wetten uitgevaardigd die bekeringen tot het jodendom verboden. Door de permanente onderdrukking van de joden in Europa bleef het jodendom wantrouwend tegenover nieuwsgierige buitenstaanders. Dit werd nog versterkt door het trauma als gevolg van de massamoord op de joden door de Duitse nationaal-socialisten. De joodse houding tegenover bekeerlingen blijft afhoudend: 'Laat ieder maar zalig worden op zijn eigen manier.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden