Gered door oom Gus, en de padvinderij

Volgende week op deze plek de poëzierubriek. (Trouw) Beeld
Volgende week op deze plek de poëzierubriek. (Trouw)

Keith Richards, tweede man van de Stones, is de rockmythe in persoon. In ’Life’ legt hij uit hoe de roem hem overkwam, terwijl hij alleen op zoek was naar de blues.

Jos Palm

Heldendom was een eeuwigheid lang verbonden met het eervolle krijgsbedrijf, met de krijger die een zwaard vasthield. Tegenwoordig doet een held aan sport of heeft hij een gitaar om zijn nek. En bij de guitar hero denken we aan Eric Clapton en Jimi Hendrix, maar meer nog aan de gitaarheld die in zijn eentje de verraderlijk romantische wereld van de rock-’n-roll verpersoonlijkt:Keith Richards.

Deze tweede ’eerste man’ van de Stones, heeft nu zijn herinneringen opgetekend. ’Life’ heet Richards’ autobiografie, en alleen al het feit dat hij de roekeloze uitputtingsslag met zijn eigen lichaam overleefde rechtvaardigt zijn heldenstatus.

Maar blijft hij na lezing van deze herinneringen ook als held overeind? Wat doet hij zelf met de mythe Keith Richards? Het antwoord is eenvoudig en verhelderend: niets, de mythe zal hem een zorg zijn. Richards vertelt ons gewoon het leven dat hem overkwam, van zijn auntie Doris, tot zijn Zweedse ’hardcore avantgarde’ chick Anita Pallenberg, tot en met zijn kennismaking met blueslegende Muddy Waters die in overall bij Chess Records het plafond aan het witten was op het moment van de ontmoeting.

Zo horen helden dat ook te doen. Heldendom overkomt je, en Keith Richards zocht niet zozeer het sterrendom, hij zocht de blues. „We verachtten geld”, schrijft hij, „we wilden alleen maar black motherfuckers zijn.” Hij beschrijft hoe hij met Mick, Brian en andere ’bluesfanaten in kleine groepjes zoals de eerste christenen’ door Londen trokken op zoek naar vrienden met bluesplaten. Uit dat verlangen en natuurlijk uit heel veel oefenen (bijvoorbeeld ’naar het verloren akkoord dat niemand heeft gevonden’), ontstonden de Stones.

Welbeschouwd is de titel ’Life’ paradigmatisch. Dit boek gaat over het leven van een gewone jongen die per ongeluk wereldster werd. Zijn ouders, Bert en Doris, waren arbeidersmensen die het beste met hun enig kind voorhadden in een Londense wijk waar het leven twee kanten op kon. ’In Dartford was je een dief’, schrijft hij, of je werd gered.

Richards’ redding kwam niet van school, waar hij onvoldoendes verzamelde, ze kwam van twee instituties waarvan een hem zwaar teleur zou stellen.

Allereerst was er het jongenskoor waar de school goede sier mee maakte, en waar hij zich ’kapot’ voor zong, om verwijderd te worden zodra hij de baard in de keel kreeg, een ’onrecht’ dat hij de volwassenenwereld nooit zou vergeven en dat zijn rebelse aard aanwakkerde. En dan was er nog de verkennerij. ’De trompetsteek, de paalsteek, de schuifknoop’, hebben hem, zo lezen we, behoed voor verder maatschappelijk afglijden. Nog jaren later, als hij op een hotelkamer toevallig een reportage ziet over de honderdjarige padvinderij, schiet hij in de houding, salueert en zegt: „Patrol Leader, Beaver Patrol, Seventh Dartford Scouts, Sir.”

Maar het belangrijkste was natuurlijk de muziek. De radio waarop zijn moeder altijd de juiste zender wist te vinden en waar hij via jazzgitarist Django Reinhardt en Elvis zijn ’oren trainde’. En de Spaanse gitaar van zijn oom Gus, die hem de eerste ’licks’ leerde.

Zo zijn er meer feiten die dit boek tot een ontdekkingstocht maken van de legende Richards, die voor zijn eigen rebellenstatus maar één verklaring heeft: de oorlog. De leidende elite wilde deze doen vergeten door zo snel mogelijk weer het Good Old England van orde en tucht te reorganiseren, en dat was precies waar hij noch Mick (die een paar straten verder woonde) behoefte aan hadden.

Wat het boek ook bijzonder maakt, is dat we Richards lijken te horen als we hem lezen. Bijvoorbeeld als hij vertelt over de vlucht voor gillende meiden over de daken onder leiding van een politieagent. Zijn geweldige ’Escape from Colditz-plan’ mislukte volledig, aldus Richards. Of als we hem lucide het drama Brian Jones horen samenvatten: „Hij verloor eerst zijn status, daarna zijn belangstelling.” Heel mooi is ook zijn omschrijving van de wijze raad van zijn socialistische opa: „Steek over als je een vent in een zwarte toga ziet aankomen.”

Het enige vlekje aan het boek is het gezeur over kameraad Mick Jagger, wiens georganiseerde popprofessionaliteit Richards ervaart als een verraad aan oude tijden. Maar voor de rest hebben we hier te maken met de laconieke en onderhoudende zelf- en levensreflectie van een ster die zijn onontkoombare heldendom benadert zoals zijn filmische alter ego, captain Jack Sparrow uit ’Pirates of the Caribbean’, dat doet. Alsof het een grap is.

In 1990, met Mick Jagger, volgens Richards te veel een 'popprofessional'. (Trouw) Beeld
In 1990, met Mick Jagger, volgens Richards te veel een 'popprofessional'. (Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden