Gerard van Westerloo

(Trouw)Beeld mark kohn

Gerard van Westerloo (Amsterdam, 1943) is journalist en schrijver. Hij werkte als hoofdredacteur bij Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer. Onlangs verscheen bij De Bezige Bij ’De Pater en het meisje’, een boek waarin Van Westerloo het verhaal vertelt van zijn zus Tineke, die in haar jeugd een verhouding had met pater Frits, een huisvriend van de familie.

I

„God was natuurlijk een man. Een oudere man. Geen aangename man. Hij had bepaald vervelende trekjes. Als je een gewone zonde, een doodzonde of – hoe heette zoiets – een heel erge doodzonde had begaan, zou Hij je straffen. Waarom zou ik zo iemand liefhebben?

Die voorstelling van God werd ons vooral bijgebracht door de broeders die wel celibatair leefden maar niet de mis mochten opdragen, omdat ze daarvoor een te lage wijding hadden; jongens die op hun twaalfde uit de wereld werden weggehaald en tegen wie werd gezegd dat vrouwen gevaarlijke wezens waren, jongens bij wie een paar jaar later de hormonen gingen opspelen waardoor ze met hun seksualiteit geen kant meer op konden. Daar móet je wel verknipt uit tevoorschijn komen.

Pater Frits was zo’n man. Ik was zijn misdienaar, hij werd onze huisvriend. Het heeft jaren geduurd voordat Tineke, mijn zus, mij heeft durven zeggen dat ze als 13-jarig meisje een relatie met hem heeft gehad. Toen ze erover vertelde ben ik de inmiddels 85-jarige pater op gaan zoeken om hem met die geschiedenis te confronteren. Eerst ontkende hij ’seksuele spelletjes’ met mijn zus te hebben gespeeld, later gaf hij toch toe dat er iets was voorgevallen. Maar in al de gesprekken die ik met hem heb gevoerd, heeft hij niet één keer gezegd dat het verkeerd was wat hij had gedaan.

Wat mij, na het verdriet om wat hij mijn zus had aangedaan, het ergst dwarszit, is die dubbele moraal: we werden opgevoed om ons volgens allerlei wetten en regels te gedragen die de paters zelf aan hun laars lapten.

Het katholieke leven had – zag ik achteraf – een zekere onechtheid; het was een vals idealisme waar ik, zeker tot mijn negentiende, in ben meegegaan. Wij waren zó katholiek, zó braaf, dat kun je je haast niet meer voorstellen. Mijn vader had een sigarenwinkeltje. Hij ging iedere dag, voor hij om zeven uur de winkel opendeed, ter communie. We hielden ons aan alle normen, waarden, wetten en plichten die bij het katholieke geloof hoorden. Of ik ook in Gód geloofde? Goeie vraag weet je dat ik dat niet eens zeker weet? Het was een vreemd, fanatiek geloof. Strijdbaar. Een beetje zoals de fundamentalistische moslims van nu in Allah geloven. Als de paus mij had opgeroepen om – bij wijze van katholieke jihad – het Vaticaan tegen de heidenen te komen verdedigen, was ik waarschijnlijk onmiddellijk naar Rome vertrokken.”

II

„Toen ik in militaire dienst zat, ben ik het laatste restje geloof kwijtgeraakt. Ik kwam in aanraking met jongens die grof in de bek waren. Eieren waren neukpatronen – dat soort dingen. Het was een omgeving die zo totaal anders was dan de wereld waarin ik was grootgebracht. Goh, dacht ik, zo kan het ook. Het was afzetten, zeker, ik ben zelfs zo ver gegaan dat ik lid werd van de Partij van de Arbeid – heel even maar hoor – om mijn vader, die fanatiek KVP’er was, dwars te zitten. Toch was afscheid nemen van alles wat mij in mijn jeugd heilig was geweest me niet makkelijk afgegaan en toen pater Van Kilsdonk, die mijn godsdienstleraar op het St. Ignatiuscollege was geweest, suggereerde dat ik me zomaar van het geloof had afgekeerd, maakte mij dat razend. Van Kilsdonk heeft me ook een keer vreselijk laten vloeken. Je moet je voorstellen: wij groeiden op in een standenmaatschappij. Op het gymnasium zaten vooral kinderen van advocaten en doktoren. Op de kinderen van een sigarenboertje werd toch een beetje neergekeken, ook door Van Kilsdonk. Toen ik net voor Vrij Nederland werkte moest ik, samen met Tessel Pollmann, een stuk schrijven over het zoveel jarig bestaan van het college. Ik belde Van Kilsdonk, die zei daar niet aan mee te willen werken. ’Weekbladen,’ zei hij, ’daar besteed ik hooguit anderhalve minuut aan.’ Een dag later had hij zich bedacht. ’Misschien doe ik toch mee, die Tessel Pollmann vind ik wél interessant.’ Ik heb de hoorn op de haak gesmeten en ik heb, tot verbijstering van de hele redactie, alles bij elkaar gevloekt. ’Dat vuile stinkdier!’ Alles, de hypocrisie, de dubbelzinnigheid, alles kwam er in één keer uit.”

III

„Gek genoeg ga ik in het buitenland nog weleens naar de kerk. Meer vanwege de schilderkunst dan vanwege het roomse gevoel. Ik heb in Edam naast een katholieke kerk gewoond. Ik zag de gelovigen iedere zondag voorbijkomen en dacht: die mensen zijn mij nu volkomen vreemd. Nee, er smeult geen vuurtje, er is niets meer van over dat doet me denken aan wat de doopsgezinde moeder van mijn ex-vrouw vlak voor ons huwelijk tegen haar dochter zei: ’Je weet toch wel dat hij katholiek is hé?’ Jawel,’ antwoordde ze, ’maar hij doet er al heel lang niets meer aan.’ Waarop haar moeder zei: ’Dat zeggen die roomsen wel, maar als ze op hun sterfbed liggen, roepen ze allemaal om meneer pastoor!’”

IV

„We waren een hecht gezin en ik heb zielsveel van mijn ouders gehouden, maar door het verhaal van Tineke is er wel een smet op mijn mooie jeugdherinneringen gekomen.

Iemand had ontdekt dat pater Frits meer deed dan bijles gegeven. En dat Tineke niet zijn enige slachtoffer was. Op een avond kwamen er drie paters van zijn orde bij ons thuis, Tineke werd uit bed gehaald en moest vertellen over haar zondige gedrag. Mijn ouders waren boos, teleurgesteld; in plaats van het voor haar op te nemen, lieten ze hun dochter op dit cruciale moment in haar leven in de steek. Pater Frits werd overgeplaatst en liet nooit meer van zich horen. De impact van die hele geschiedenis is voor mijn zus enorm geweest. Ze is, zegt ze, later met de verkeerde man getrouwd en heeft eigenlijk nooit meer een gezonde seksuele relatie kunnen onderhouden. Het is een verdrietig verhaal.

Mijn vader was trots op zijn drie jongens, maar hij wist niet precies wat hij met zijn dochter aan moest. En mijn moeder die, toen háár moeder aan syfilis was overleden, in een weeshuis door nonnen werd grootgebracht, had vanwege die achtergrond ook een ingewikkelde relatie met haar. Ik denk dat ze te veel van zichzelf in Tineke herkende en daar geen raad mee wist Ik heb natuurlijk gemerkt dat ze anders met ons omgingen dan met haar, maar ik heb de eenzaamheid waaronder Tineke leed, destijds niet geregistreerd. Misschien was ik er te ongedurig voor, misschien was dat kleine huis waarin we met z’n zessen woonden te klein om elkaar ook nog eens de maat te nemen.

Toch zijn mijn ouders op een goede manier opgeborgen in mijn hoofd: die ongelooflijk lieve vrouw en die grappige man met z’n bochel. Hij had als jongetje zijn rug gebroken en moest zo vaak naar het ziekenhuis dat hij pas op zijn negende naar school kon. Ik weet het niet zeker, maar ik denk wel eens dat hij het niet altijd heeft kunnen verkroppen dat zijn zoons goed konden leren, of, beter gezegd: dat die mogelijkheid hem was onthouden. Ik heb met hem geconcurreerd, ik heb mijn plaats bevochten. Want hij was niet alleen vrolijk, mijn vader was ook een verschrikkelijke controlefreak. Zo had ik in mijn studententijd voor het eerst omgang met een meisje en vond ik op een dag op zijn bureau een lijst met allerlei gegevens die hij over haar had nagevraagd en opgezocht. Die druk, die bemoeizucht; daar wilde ik onderuit. Ik denk dat daar ook die keuze voor de Partij van de Arbeid voor stond: ik ga mijn eigen gang. Ik genoot ervan dat partijgenoten bij hem in het winkeltje, dat kleine bolwerk van de KVP, mijn contributie kwamen ophalen. Met sociaal-democratische gevoelens had het, al met al, heel weinig te maken

Ik heb altijd gezegd dat ik meer van mijn moeder had gehouden dan van mijn vader, tot iemand een keer opmerkte dat ik tijdens zijn begrafenis toch ook heel erg bedroefd was geweest. Ik herinnerde me die tijd: ik was net afgestudeerd en begon aan een baan bij Vrij Nederland. Ineens was de mogelijkheid om hem nog allerlei dingen te vragen verdwenen. Dat is misschien het verschil met de herinnering aan mijn moeder. Zij speelt op een gevoelsniveau nog een of andere rol in mijn leven. Als het over mijn vader gaat denk ik vooral: ik had nog zoveel over hem te weten willen komen.”

V

„Mijn zoon is dokter. Ik heb hem gevraagd om mij alsjeblieft een handje te helpen als het leven een uitzichtloze onderneming gaat worden. Hij heeft geen ja en geen nee gezegd, ik heb zelf ook geen verklaringen of iets dergelijks ondertekend; ik heb uit willen spreken dat er onder die omstandigheden – dementie en andere verschrikkelijke ouderdomsverschijnselen – maar beter een einde aan kan komen. Ik ben het eens met de initiatiefgroep ’Uit vrije wil’, die vindt dat het ouderen makkelijk moet worden gemaakt om die keuze te kunnen maken. Ik zie daar geen overtreding van een goddelijk gebod in.”

VI

„Er werd liever helemaal niet over gesproken. Wat onkuis was, werd je op een rare manier duidelijk. Hoe moet ik je dat uitleggen misschien zo: ik was met een paar vriendjes naar een tehuis aan de Zuidelijke Wandelweg in Amsterdam gelopen. We hadden het gezellig, we hadden het leuk en toen ik thuiskwam, zong ik met een vrolijk koppie het liedje dat ik die middag had geleerd: ’En dan gaan we naar de keuken en dan gaan we lekker neuken!’ Waarop mijn moeder riep: ’Hou op, hou op! Neuken? Neuken is het ergste wat er is!’ Daarna kwam er een enorm telefoonverkeer met de andere ouders op gang. Er waren vreselijke dingen gebeurd, zeiden ze. Maar er was helemaal niets gebeurd. Het enige effect van hun reactie was dat ik nieuwsgierig werd naar wat dat nou eigenlijk precies zou zijn: neuken.

Mijn seksuele opvoeding is geen succes geweest. Het was een preutse bedoening. Ik heb heel lang niet geweten hoe het er daar van onderen uitzag, bij de meisjes. Ik heb nog een tijdje gedacht dat er misschien wel helemaal niets tussen hun benen zat.

Het effect van die rare beeldvorming en trage ontwikkeling was dat ik nog meer ging houden van de enige twee vrouwen die ik kende: mijn moeder en de heilige maagd Maria. Daardoor waren vrouwen voor mij, tot op zekere leeftijd, onaantastbaar, onbenaderbaar. Ik vind dat ik nu goed met vrouwen kan omgaan, maar in al die verhoudingen blijft altijd een restant Mariaverering zichtbaar.”

VII

„De kassa uit mijn vaders sigarenwinkel was vaak een bron van inkomsten voor mij. Opgebiecht? Ben je gek. We moesten om de veertien dagen met de hele klas, in ganzenpas, naar de kerk en biechten, maar zó’n doodzonde zou ik natuurlijk nooit hebben opgebiecht. Ik kan me alleen maar herinneren onzin te hebben verteld. Maar het gekke is: ik voelde me na afloop tóch even bevrijd, verlost. Voor wat het waard was. En dat was niet veel.”

VIII

„Toen pater Frits ontkende een verhouding met Tineke te hebben gehad, heb ik heel even getwijfeld. Ik ken mijn zus niet als iemand die flauwekulverhaaltjes verzint, maar misschien was het geen correcte herinnering en – afijn, de pater gaf het later tóch toe, maar het krankzinnige is dat hij tot het eind bleef beweren dat zijn bedoelingen goed waren geweest. Toen ik hem een keer vroeg naar zijn ideeën over het hiernamaals zei hij: ’Daar wordt ook niet naar feitjes gekeken, daar wordt alleen op de intentie gelet.’

Het is jammer dat hij niet de moed heeft kunnen opbrengen om te zeggen dat hij in de fout was gegaan, maar ik ben wel blij dat hij aan het boek heeft meegewerkt. We konden samen zijn dossier bij de orde inzien; iets wat ik alleen niet voor elkaar had gekregen. Ik heb hem in mijn dankwoord opgenomen, maar de pater was beslist niet blij met het boek. Hij kon niet begrijpen waarom dat hele verhaal moest worden opgerakeld. ’Wat wil je nou toch eigenlijk van me, Gerard?’

Ik heb begrepen dat hij onlangs is geschorst. Waarom nu pas? De feiten waren al veel langer bekend. Ik denk dat ze deze stap hebben gezet vanwege de negatieve publiciteit.

Het is waar dat hij het leven van mijn zus voor een groot deel heeft verziekt en toch heb ik geen boek willen schrijven waarin ik met een vinger zwaai en roep dat iemand fout, fout, fout is geweest. Dat is niet het verhaal. Het verhaal gaat over de dubbele moraal, over de hypocrisie van de katholieke kerk en over de misdaad die celibaat heet.”

IX

„Ik heb meerdere liefdes gehad – één keer getrouwd – maar ben mijn partners altijd trouw geweest. Serieel monogaam. Altijd, ja. Eén tegelijk.”

X

„Als ik iets begeer, dan is het een talent om goed te kunnen zingen. Ik zou zo graag een opera fatsoenlijk meezingen, maar helaas, het zit er niet meer in dat ik nog een groot operazanger word. Ik kan het wel, in mijn hoofd, maar het komt er zo beroerd uit. Mijn omgeving is er in ieder geval niet blij mee.

Het klinkt gek om zoiets over jezelf te zeggen, maar ik vind dat het me redelijk is gelukt om in het journalistenvak een eind te komen. Ik heb een paar boekjes geschreven – zowel over politieke als over persoonlijke onderwerpen – en ik heb zowel bij Vrij Nederland als bij De Groene Amsterdammer interessante banen gehad. Ik wil niet zelfgenoegzaam klinken, maar ik geloof niet het een mislukt leven is geweest.

Nee, ik denk niet dat mijn vaders positie, of het hele idee van die standenmaatschappij, mij extra bewijsdriftig heeft gemaakt. Ik vind het sowieso een raar woord: bewijsdriftig. Ik ben wel een workaholic geweest. Vroeger was alles gericht op werk. Sinds een paar jaar is alles gericht op een leuk leven. Ik heb een ongelooflijk lieve vriendin met wie ik graag dingen onderneem. Ik heb meer tijd voor mijn zoon, voor mijn kleindochter. Die kant van het leven heb ik misschien wel een beetje verwaarloosd, je moet helaas eerst oud worden om daar achter te komen.

Ik werk nog wel, maar de urgentie, de verslaving, is minder ik bedenk me nu dat ik wel altijd alert blijf. Ik volg in Aken trouwhartig het proces tegen de Nederlandse SS’er Heinrich Boere. Misschien wil hij straks nog met mij praten. Misschien zit er wel een boekje in. Ja, ik geef toe dat ik ook zo naar Tineke heb geluisterd. Natuurlijk: ik leef met haar mee, ik vind het vreselijk wat haar is overkomen, maar ik heb ook onmiddellijk gedacht dat ik die pater Frits zou gaan opsporen om hem met die geschiedenis te confronteren. Je hebt gelijk als je zegt dat ik daarmee in zekere zin afstand neem van de emotionele kant van het verhaal, maar het is ook domweg mijn journalistenhouding; ik wil achter de dingen komen. Ik wil controleren, verifiëren. En natuurlijk blijf ik dicht bij mijn zus, bij wat haar is overkomen, maar – en dat klinkt misschien arrogant, maar ik zeg het toch – het is ook een verhaal dat verteld móest worden.”

'Ik wil niet zelfgenoegzaam klinken, maar ik geloof niet dat het een mislukt leven is geweest.' (FOTO MARK KOHN)Beeld mark kohn
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden