Update Jeugdzorg

Gepest, geslagen, misbruikt of opgesloten: commissie-jeugdzorg meldt stelselmatig geweld tegen kinderen

Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

Kinderen die uit huis zijn geplaatst, zijn vanaf 1945 stelselmatig slachtoffer geworden van geweld, concludeert de commissie-De Winter, die in opdracht van het kabinet ruim twee jaar onderzoek deed naar geweld in de jeugdzorg sinds 1945.

Sommige verhalen waren zo extreem dat ze het voorstellingsvermogen van Micha de Winter te boven gingen. Zoals dat van een kind dat na het in bed plassen zijn natte onderbroek in de mond gepropt kreeg en werd afgeranseld met een leren riem. Of kinderen die hun eten niet wegkregen en als straf werden vastgebonden en hun ­eigen braaksel moesten opeten.

“Wie alles leest, vallen de schellen van de ogen”, zegt De Winter. “De tijdgeest speelde een belangrijke rol. De pedagogische opvattingen waren anders, maar dat is geen excuus voor de excessen, die de commissie boven water heeft gekregen.”

Voor een omvangrijk onderzoek naar geweld in de jeugdzorg sinds 1945 sprak de hoogleraar pedagogiek met zeven andere commissieleden, allemaal wetenschappers, afgelopen jaren met 350 slachtoffers. De conclusies zijn niet mals: een op de tien maakte vaak tot zeer vaak geweld mee, zoals pesten, misbruik, isoleren of vernedering. Die ervaringen zijn van grote invloed op hun latere leven.

Keiharde aanpak

Driekwart van de kinderen die in een jeugdinstelling of een pleeggezin belandden, kreeg te maken met lichamelijk of geestelijk geweld. 

Volgens de commissie werkte de negatieve kijk op uit huis geplaatste kinderen lange tijd geweld in de hand. Strenge tucht werd gezien als dé manier om ‘moreel verval’ van kinderen te bestrijden. Zo werden dove en blinde kinderen in de jaren zestig en zeventig ongelooflijk hard aangepakt. In de jaren na de oorlog werden meisjes, die zwanger raakten door incest onderworpen aan een tiranniek regime, omdat de jeugdzorg ervan uitging dat het meisje de vader had verleid.

Slachtoffers melden dat het geweld tot in de jaren zeventig vooral afkomstig was van de groepsleiding of pleeg­ouders. Daarna is een verschuiving te zien het naar geweld tussen jongeren onderling, waarbij de leiding weinig ingrijpt of slachtoffers nergens terechtkunnen met hun verhaal.

De Winter noemt het een ‘treurige geschiedenis’, die bovendien nog niet is afgesloten. De tijdgeest is sinds 1945 weliswaar flink veranderd, maar er komt nog altijd veel geweld voor in de jeugdzorg. Dat komt onder meer door de vele invalkrachten, gebrek aan toezicht en de omvang van woongroepen. Om het geweld terug te ­dringen, adviseert de commissie onder meer zo min mogelijk jongeren in gesloten instellingen te plaatsen en iedereen toegang te geven tot een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Samenlevings­probleem

“Niet alleen de overheid is nu aan zet, maar ook de instellingen”, zegt De Winter. Hij noemt het geweld in de jeugdzorg een samenlevings­probleem. “Er is al langer best veel over bekend. Maar men vond vroeger dat moeilijke kinderen hard moesten worden aangepakt. Mensen dachten dat je met kinderen kon doen wat je wil. Dat is wel verminderd, maar die maatschappelijke houding is nog steeds een beetje zo. Lubbers vond bijvoorbeeld dat criminele minder­jarigen naar kampementen moesten. Toen kreeg je de Glen Mills-scholen, een soort drilkampen. Dat is helemaal niet zo lang geleden.”

Om het tij te keren, is het volgens De Winter nu het belangrijkst dat er goed wordt geluisterd, zowel naar de slachtoffers van vroeger als de kin­deren van nu. Daarom moeten lot­genotenorganisaties ook ‘ruimhartig’ worden ondersteund en is het belangrijk om verhalen te delen.

De Winter: “Het liefst zou ik zien dat er een openbaar archief komt voor verhalen van slachtoffers, zoals het Holocaust-archief van Steven Spielberg. Zo zorgen we ervoor dat deze zwarte bladzijde blijft open­geslagen.”

Roos Haase: ‘Ik zou geen seconde van mijn jeugd opnieuw willen beleven’

Roos Haase (75). Beeld -

Bij de vraag hoe het is om bij de uitreiking van het onderzoek te zijn, schieten de ogen van Roos Haase (75) vol tranen. “Ik maak een diepe buiging voor de commissie”, zegt ze schor. “Het is zo belangrijk dat we gehoord worden.”

Haase is een van de ongeveer duizend slachtoffers die de commissie-De Winter heeft ondervraagd. Als baby van twee uur oud werd Haase weggegeven aan een pleeggezin. Dat leven is ‘de hel’ geweest, zegt ze. “Ik werd misbruikt en geslagen. Ik zou geen seconde van mijn jeugd opnieuw willen beleven. Dit draag je je hele leven mee.”

Nog altijd komen er herinneringen naar boven. Soms onverwacht, zoals toen ze laatst aan haar neus kriebelde. “Ik stond in mijn badkamer, maar opeens zag ik de kamer van mijn oude huisarts voor me. Als kind was er altijd gedoe met mijn neus, hij zat dichtgebrand ofzo. Toen ik zeven jaar was, ging ik met mijn pleegmoeder naar de huisarts. Ik probeerde hem te vertellen dat het niet goed ging. Maar de huisarts zei: je liegt. Hij gaf me een prik. Dat deed veel pijn, maar mijn pleegmoeder stond er heel hard bij te lachen.”

Als er hulpverleners kwamen, trok ze haar handjes diep in haar mouwen zodat ze de blauwe plekken niet konden zien. “Wie gelooft er nou een kind?” Pas veel later snapte ze dat wat er gebeurde niet normaal was, dat andere kinderen niet werden verkracht of geslagen. “Als kind weet je niet beter.”

Voor het onderzoek sprak ze vaak met commissievoorzitter Micha de Winter over haar ervaringen. “Wat hij heeft gedaan, geeft mij het gevoel: ik mag er zijn. Alleen al het praten heeft me zó gesterkt. Ik ben trots dat ik een klein stukje bij heb kunnen dragen aan het onderzoek. Het gaat mij niet om de schadevergoeding. Voor ons is het vooral belangrijk dat we gehoord worden.”

Erkenning of excuses van haar pleeggezin heeft ze nooit gehad. “Op mijn achttiende ben ik weggegaan om te trouwen met mijn man. We zijn nu 57 jaar samen. Mijn pleegfamilie heb ik nooit meer gezien.”

Na haar vertrek wist Haase één ding zeker: ze wilde zelf pleegmoeder worden en het helemaal anders doen. Samen met haar man zorgt ze al jaren voor verslaafd geboren baby’s. “Dat is geweldig. Het heeft me geleerd hoe het ook kan.”

Henk van Kalken: ‘Bij elke vloek werd ik in elkaar getimmerd door een gereformeerde leider’

Henk van Kalken. Beeld -

“Ik voelde me vreselijk angstig en eenzaam, alsof ik er niet toe deed. Ik had heimwee naar een thuis waar ik niet naartoe kon. Ik stond er echt alleen voor.” Met een heldere stem vertelt Henk van Kalken (74) hoe hij zijn verblijf in een kindertehuis in Amersfoort ervoer. Een tehuis waar kinderen werden mishandeld, zowel fysiek, seksueel als psychisch. Hij woonde er tussen zijn negende en dertiende.

Thuis werd Van Kalken al in elkaar getimmerd, zegt hij. “Mijn vader kon me er niet bijhebben, er waren al te veel kinderen. Dat ging op een dag zo ver dat de politie aan de deur kwam, waarop ik naar een tehuis moest.”

De jeugdinstelling in Amersfoort bleek geen veilige haven. “Ik werd vrij snel geconfronteerd met vormen van wreedheid.” Van Kalken vertelt over begeleiders die kinderen mishandelden. “Ik had het vloeken van mijn pa overgenomen, bij elke vloek werd ik in elkaar getimmerd door een gereformeerde leider. Een andere begeleider ging met een zaklamp over de slaapzalen in de hoop masturberende jongens te betrappen. Die werden vernederd en moesten op hun knieën God om vergeving vragen. Een pedofiele man vergreep zich aan kinderen, ook aan mij.”

Op zijn dertiende mocht hij weer naar huis. “Gelukkig had ik een soort overlevingsmechanisme waardoor ik er nog redelijk doorheen ben gekomen, beter dan veel anderen.” Desondanks is Van Kalken getekend voor het leven. Twee huwelijken liepen spaak, de opvoeding van zijn twee kinderen verliep moeizaam. Ze zijn nu volwassen, maar hij spreekt ze niet meer. 

Pas later leerde Van Kalken om over zijn ervaringen te praten. Hij schreef er een boek over: ‘De Steenrode Jas’. “Ik vertel mijn verhaal omdat ik wil dat er aandacht blijft voor dit soort geweld. Ik heb geleerd het verleden achter mij te laten, er is geen wrok. De beulen van toen zijn dood, zitten gevangen of zijn dement.”

Van Kalken is een van de slachtoffers die op verzoek van de commissie-De Winter werd geïnterviewd voor het onderzoek naar geweld in de jeugdzorg. Ondanks zijn kalmte moet hij drie keer slikken als hij hoort dat driekwart van de kinderen die sinds 1945 in een jeugdinstelling zaten, te maken kreeg met geweld. “Jeetje, dat is schokkend”, zegt hij met een trillende stem.

Het kabinet maakt excuses voor geweld

Excuses zijn op zijn plaats, vindt het kabinet, voor het veel voorkomende geweld in de jeugdzorg sinds 1945. Slachtoffers verdienen erkenning. “Excuses, erkenning en hulp en ondersteuning zijn op zijn plaats”, zegt zowel minister Hugo de Jonge (volks­gezondheid) als minister Sander Dekker (rechtsbescherming).

De excuses zijn vandaag uitgesproken bij de overhandiging van het rapport. Minister Dekker vertelde dat hij in gesprek is met slachtoffers. Als kind werden zij uit huis geplaatst en kwamen terecht in een pleeggezin of jeugdzorginstelling. “Het recht van ieder kind op veiligheid is geschonden, blijkt uit hun verhalen. Eén ding is nog erger: niet worden gehoord”, zei Dekker. “Dit rapport doorbreekt die stilte”.

Of er een schadevergoeding komt, is nog onduidelijk. Het kabinet wil er nog niet op vooruit­lopen. Er wordt gezocht naar een ‘passende invulling van de behoefte aan erkenning’ bij de slachtoffers, zeggen de ministers. Met het maken van excuses neemt het kabinet wel een morele verplichting op zich. Er komt een Kamerdebat over de bevindingen van de commissie.

Sowieso stelt het kabinet zorg en ondersteuning beschikbaar voor mensen die sinds 1945 als kind uit huis zijn geplaatst en slachtoffer werden van geweld. Een politieke discussie wordt nog of het kabinet geld beschikbaar moet stellen om woongroepen in jeugdinstellingen kleiner te maken, zoals de onderzoekscommissie aanbeveelt. Ook andere adviezen vergen investeringen, zoals beter opgeleid personeel, meer ondersteuning van pleegouders en intensiever toezicht.

Minister De Jonge zegt dat er hard wordt gewerkt aan het veiliger maken van de zorg. “Zoals stoppen met separeren, minder plaatsingen in gesloten instellingen, zorgen dat kinderen met hun klachten altijd terechtkunnen. We gaan verder aan de slag, al zijn we er nog niet.”

Lees ook:

Een op de tien jongeren krijgt te maken met jeugdzorg

Het aantal jongeren onder de 23 jaar dat jeugdzorg krijgt, is vorig jaar licht gestegen. In 2017 waren er bijna 420.000 jongeren met jeugdzorg, vorig jaar 428.000, zo blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek vandaag publiceert.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden