George Sluizer Eigenlijk ben ik de redder van een icoon

George Sluizer (Parijs, 1932) is filmregisseur. In 1993 begon hij aan 'Dark Blood'. De opnames waren bijna achter de rug toen hoofdrolspeler River Phoenix aan een overdosis overleed. Sluizer wist de vernietiging van het ongemonteerde materiaal te voorkomen. In 2007 besloot hij, na een bijna fatale slagaderbreuk, de film alsnog af te maken. Inmiddels heeft de regisseur haast: volgens vaatchirurgen heeft hij nog een half jaar te leven.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben
"Godsdienst is het ergste wat de mens heeft voortgebracht. Van de inquisitie tot en met het hedendaagse terrorisme; we hebben het allemaal te danken aan de fundamentele intolerantie van al die verschillende religies.

Ik ben een soort sjamaan. Ik kan met de sterren praten. Er staat niets tussen mij en het universum. Om spirituele gevoelens te ervaren heb ik geen gids - geen rabbijn, geen imam, geen priester - nodig."

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is
"Wat moet ik met een Oscar, of met een Gouden Kalf? Een gevoel van erkenning is prettig, niks op tegen, maar ik zou zo'n ding toch alleen maar hebben gebruikt om dóór te kunnen gaan.

Ik heb geluk gehad met mijn eerste film uit 1961, 'De lage landen', een documentaire die tien keer werd bekroond. Tienduizend kopieën over de wereld verspreid. Daarna was het afgelopen. Het idee dat ik iets moest maken wat voor lange tijd bewaard zou moeten blijven heb ik voor mijn dertigste al losgelaten. Er wordt sowieso te veel bewaard. Eigenlijk moeten we van de vijftigduizend films die er zijn gemaakt de beste honderd bewaren. Daar horen mijn films niet bij. De wereld kan heel goed zonder 'Spoorloos' (Sluizers verfilming van 'Het Gouden Ei' van Tim Krabbé, AV). Dat ik blijf doorgaan, heeft niets met bewijsdrift of met een honger naar succes te maken. Ik ben een ambachtsman. Ik heb plezier in het maken, nee, het is meer: het is een must.

Nadat ik op Eerste Kerstdag in 2007 een slagaderbreuk kreeg, en als door een wonder bleef leven, begon ik erover te denken om 'Dark Blood', de film die ik in 1993 had gedraaid en die na de plotselinge dood van River Phoenix niet meer werd afgemaakt, alsnog te voltooien. Inmiddels heb ik van vier verschillende vaatchirurgen, die onafhankelijk van elkaar naar scans en verslagen hebben gekeken, te horen gekregen dat ik nog een half jaar te leven heb. Ik moest dus een beetje gaan opschieten. Als een eerbetoon aan River, en ook om de creatieve energie van al de mensen die bij het maken van de film betrokken zijn geweest, niet verloren te laten gaan.

Als 'Dark Blood' vanwege juridische problemen niet kan worden gedistribueerd, doet mij dat niets. Zo lang ik maar kan blijven werken. Zoals mijn vrouw zegt: 'Als George niet werkt, dan gaat hij dood'."

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken
"Ik zeg wat er in mij opkomt, en soms is dat, helaas, een vloek. Het is vervelend als mensen daar aanstoot aan nemen. Ik heb moeten uitvinden hoe ik een individu kon blijven in de samenleving; hoe ik niet een slaaf van het systeem zou worden en tóch rekening kon houden met het collectief. Ik ben sociaal in een groter verband - in de samenleving, in politieke zin, in de keuze van de thema's van mijn films - maar in het dagelijks verkeer gedraag ik mij niet altijd als een aardige jongen. Ik ben niet het type van 'Háái, vriendje!', kusje, kusje, of iemand die iedereen gaat bellen voor zijn verjaardag. Ik doe niet aan social networking. Ik kijk liever naar die boom, hier aan de overkant, dan naar een Facebookpagina waarop ik kan lezen hoeveel vrienden ik heb. Wat moet ik met die vrienden? Ik heb genoeg aan mezelf. Aan een mooi boek, of een goed gedicht. Ik ben dus redelijk asociaal op het persoonlijke vlak. Nu praat ik veel, maar vaak zeg ik liever niets."

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen
"Rust is het best. Stress is fataal. Ik bedoel niet onverschillig te zijn, maar als ik mij te druk maak, gaat mijn bloeddruk omhoog. Niet agressief worden, niet overdreven vrolijk doen, de stilte zoeken. Een stoïcijn zijn, dat gaat mij goed af."

V Eer uw vader en uw moeder
"Mijn vader was een humanist. Hij was wel Joods, maar toch: een humanist. Mijn moeder kwam uit Noorwegen, zij was protestants. Ze deden geen van beiden veel aan hun geloof - alleen voor mijn vader kreeg het Jood-zijn na 1945 meer betekenis - en ze besloten dan ook hun kinderen niet lastig te vallen met religieuze ideeën.

Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog sloot mijn vader zich aan bij een groep die Joodse vluchtelingen uit Antwerpen naar onbezet gebied hielp. Toen hij werd gezocht, zijn we in 1942 met het hele gezin - vader, moeder, drie kinderen - vanuit onze woonplaats Parijs naar het zuiden van Frankrijk gevlucht. Ik herinner mij hoe wij hele stukken liepen en in de greppel moesten duiken als er weer een Messerschmitt laag kwam overgevlogen. Ik kan ze nóg horen, weet je dat? Ik wist dat het gevaarlijk was, ik wist dat er doden vielen, maar ik geloof toch dat ik die oorlog zag als een groot avontuur. Of ik het aan die tijd heb overgehouden weet ik niet, maar ik heb weinig gevoel voor fysiek gevaar. Ik ben twee keer bijna verdronken, ik heb drie vliegtuigongelukken overleefd; ik heb de dood al zo vaak in de ogen gekeken, maar het deed mij helemaal niets.

Toen we in Toulouse aankwamen, trok mijn vader met een paar mannen de Pyreneeën over om zo, via Spanje en Portugal, in Groot-Brittannië uit te komen. Dat was te gevaarlijk voor ons, wij zouden wachten op een visum. Mijn moeder ging iedere dag bij de Kommandantur bedelen om een stempel. Ik denk dat ze na drie maanden helemaal gek werden van die vrouw en ons daarom ten einde raad toestemming gaven om te vertrekken.

Mijn vader bleek zich inmiddels bij Radio Oranje te hebben aangesloten. 'Hier Radio Oranje, de stem van strijdend Nederland', dat was mijn vader.

Wij gingen naar het Lycée Français in Londen, maar na een tijdje werd de school geëvacueerd en kwamen we in een plaatsje bij de Schotse grens terecht. Ik zat bij de kleintjes, mijn broer en mijn zus zaten, op een paar kilometer bij mij vandaan, in gebouwen voor de grotere jongens en meisjes. Daar, afgescheiden van mijn familie, drong voor het eerst tot mij door hoe afschuwelijk de situatie was: ik wist niet wanneer ik iedereen weer terug zou zien, áls dat al ging gebeuren, en ik werd door de leraren, de oppassers, erg slecht behandeld. Doordat ze toch niet ontslagen of vervangen konden worden, hadden ze vrij spel; ze sloegen erop los. We zaten daar, afgesneden van de wereld, en toch hoorde ik al heel snel wat er gaande was in het Oosten. Een van de Poolse kinderen bij mij op de slaapzaal had een brief gekregen van zijn ouders die vanuit een getto naar Frankrijk waren gevlucht. Ze schreven hem dat er kampen waren, en dat daar mensen werden opgesloten en vermoord. Dat was in 1943. Ik was elf. Toen wist ik het al. Ik kan je moeilijk uitleggen wat het met mij deed... Zo is het leven dus, mensen maken elkaar af.

De oorlog kwam ten einde en wij werden als gezin herenigd. Al snel bleek dat de familie aan vaders kant, de Joodse tak, zo goed als helemaal was uitgeroeid. Van de negentig Sluizers die er voor de oorlog in Nederland woonden, waren er na de bevrijding nog een stuk of tien over. Ik heb er niet echt om gehuild - op mijn grootouders na, die ik een paar keer heb ontmoet, kende ik die mensen helemaal niet - maar ik ben me er wel bewust van geworden dat ik tot een stam behoor die kennelijk moest worden uitgemoord.

Na de bevrijding zijn we in Nederland gaan wonen. Ik weet niet of mijn vader als een held is binnengehaald; ik heb hem in ieder geval nooit als zodanig gezien. Ik herinner me dat hij zelf wel gevoelig was voor de waardering van anderen, zeker voor de complimenten van het koninklijk huis. Mijn vader werd vaak gevraagd een feestje voor de kinderen - Beatrix, Irene en Margriet - te organiseren op paleis Soestdijk. Hij was een echte gangmaker; ze waren dol op hem. Nee, ik mocht niet mee...

Ik heb slechts één ervaring met het koningshuis, die schiet mij nu ineens te binnen. Het was 1943, denk ik. We waren in Londen, in The Royal Albert Hall, om de verjaardag van koningin Wilhelmina te vieren. Wij, de kinderen, zaten vóór de voorste rij, op de grond. Ik zat voor Wilhelmina. Mijn ouders hadden gezegd dat ik mij vooral niet moest omdraaien, maar ik was nieuwsgierig en deed het toch. De koningin zei: 'Hee jochie, voor je kijken!' en gaf mij een tik tegen mijn wang. Dat was mijn contact met de Oranjes: een klapje van de koningin.

Ik ben nooit zo van de bewondering geweest, maar ik waardeerde mijn vader zeer. Hij was erg actief, altijd. Samen met Henk van den Broek, de vader van de latere minister van buitenlandse zaken, heeft hij de Wereldomroep opgezet, hij was cultureel adviseur van prins Bernhard, wist zijn pensioen vijf jaar uit te stellen, werd cultureel adviseur voor de Japanse regering, ging zich, met een aantal ingenieurs, inzetten voor een betere waterhuishouding van Venetië dat dreigde te overstromen, maakte ondertitels van de komische films van de Marx Brothers, enfin: hij bleef doorgaan. Tot hij erbij neerviel.

Mijn vader móest zich manifesteren. Schrijven, spreken, debatteren. Hij vond het prettig zich omringd te weten door mensen van een bepaald niveau, van een bepaalde standing.

Mijn moeder stak anders in elkaar. Zij was in die hoogtijdagen van mijn vader gewoon huisvrouw, maar iedereen had het over haar. Ze was het natuurlijke middelpunt van ieder gezelschap. Bescheiden, behulpzaam. Een goed mens. Een wijze vrouw. Iemand bij wie je je onmiddellijk en volledig veilig voelde."

VI Gij zult niet doodslaan
"Ik was zeventien, achttien jaar. Ik las Camus, maar ook Sartre en andere filosofen en ik geloofde, met hen, dat je als een klomp vlees, zonder voorbestemming of wat dan ook, wordt geboren en dat je zélf beslist wat je van je leven maakt. Een van de beslissingen die ik nam, was een ander niet te zullen doden. Niet omdat een ander mij dat voorschrijft, maar omdat ik persoonlijk heb besloten mijn leven, de leegte waarmee ik ben begonnen, op die manier in te vullen."

VII Gij zult niet echtbreken
"We zijn al 56 jaar getrouwd, maar ik ben mijn vrouw niet altijd trouw geweest; en dat weet ze. Het is misschien een stupide vergelijking, maar als je altijd appels eet, heb je ook weleens zin in een peertje. Niemand vervult voor 100 procent de wensen van een ander. Ik houd van vrouwen. Ze zijn interessanter dan mannen. Wispelturiger. Je komt er nooit helemaal achter wat ze willen, hoe ze zijn. Ze blijven je verbazen of verrassen.

Ik heb een aantal langdurige relaties met andere vrouwen gehad. Dat werd uiteindelijk ingewikkeld omdat ze meer wilden. Ze trapten er niet in als ik zei dat ik vervangbaar was; alleen vrouwen van mijn eigen leeftijd konden zich erbij neerleggen. Die weten: het is zoals het is.

Nu ben ik oud en redelijk ongeïnteresseerd, dus dit hele verhaal speelt niet meer. Alhoewel er een paar vrouwen zijn die, heel dom, om mij blijven geven. Dom, omdat ze het zichzelf zo moeilijk maken. Ze vragen of ik meega op vakantie, of misschien een tijdje bij hen wil wonen, en als ik nee zeg, raken ze teleurgesteld of worden ze boos. Maar ik heb er gewoon geen zin meer in, ik vind het wel lekker rustig zo."

VIII Gij zult niet stelen
"Na de dood van River Phoenix werden de filmblikken in een loods in Los Angeles opgeborgen. In 1999, toen duidelijk werd dat de filmmaatschappij 'Dark Blood' niet wilde laten afmaken en dat ook andere belanghebbenden zich niet over de film wilden ontfermen, besloot de verzekeringsmaatschappij het ongemonteerde materiaal te vernietigen. Ik had niet veel tijd om een beslissing te nemen. Ik had negen jaar in L.A. gewoond en kende de nodige mensen. Een inbreker was zo gevonden. Ik regelde het vervoer naar New York en zo kreeg ik de banden in mijn bezit.

Ik heb de film laten stelen omdat ik mij ergerde aan het feit dat geld kennelijk belangrijker was dan het conserveren van cultuurgoed. Eigenlijk ben ik de redder van een icoon. Iemand die 'De Nachtwacht' uit een brandend Rijksmuseum sleept, noem je toch ook geen dief?"

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste
"Helaas is mijn cameraman overleden, en ik weet niet waar ik de twee officieren die mij tijdens het maken van een film in 1982 naar Sjaron (voormalig minister-president van Israël, destijds minister van defensie, verkeert sinds januari 2006 in coma, AV) brachten, zou moeten vinden, dus je moet mij op mijn woord geloven als ik zeg dat ik Sjaron twee Palestijnse kinderen zag doodschieten. Zomaar, paf, paf, alsof het een spelletje op de kermis was. Mijn cameraman greep zijn tas, klaar om te gaan filmen, maar ik hield hem tegen omdat ik vreesde voor ons leven.

Ik ben pas over het incident gaan praten toen ik 'Homeland' (documentaire uit 2010, AV) maakte omdat ik daarin de escalatie van het geweld in beeld wilde brengen. In mijn eerdere films ging het over respect, over bestaansrecht; daarin heeft geen druppel bloed gevloeid.

De reacties op mijn uitspraak over Sjaron waren heftig. Van de kant van Israël had ik niet anders verwacht, maar de brief die mijn ex-vriend Léon de Winter in de Volkskrant schreef, heeft mij wel geraakt. Hij maakte mij uit voor een leugenaar. Ik had met hem aan de film 'Bastille' gewerkt, we kenden elkaar; het zou voor hem een kleine moeite zijn geweest om een paar dingen bij mij te checken voor hij zijn verhaal publiceerde. Maar goed, Léon was al een rechtse freak en hij is nu een Joodse rechtse freak geworden, een extremist met een fundamentalistische houding van wie ik eigenlijk niet anders had kunnen verwachten. Ik heb geen zin meer in een debat. Het is wel goed zo.

Ik heb niets tegen Joden, of tegen Israëliërs. Ik heb iets tegen het Israëlische bewind dat het volk wil doen geloven dat Palestijnen geen mensen zijn. Het zijn konijnen, dus die mag je slaan of afmaken. Het zijn geen mensen, dus je mag ze uit hun huizen verdrijven. Je mag hun familiefoto's verscheuren en hun meest dierbare bezittingen in de vuilnisbak gooien of op straat smijten. Het is de soldaten nauwelijks aan te rekenen; ze weten niet meer wat ze doen. Men is gebrainwasht. En zodra iemand zich tegen het bewind verzet, of een schanddaad aan de kaak wil stellen, treedt het verdedigingsmechanisme in werking: die man is een leugenaar. Ik ben geen leugenaar. Sjaron schoot twee kinderen dood. Palestijnen worden als beesten, als Untermenschen behandeld. Ik heb het met mijn eigen ogen gezien."

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is
"Als je jong bent mag je soms een beetje jaloers zijn, daarna wordt het kinderachtige onzin. Ik ben niet jaloers op mensen met meer succes, of op mensen met een betere gezondheid. Het is zoals het is. Ik ga dood. Nog een half jaar, of misschien iets langer, en dan is het klaar. Ik kan steeds minder. Ik heb een rolstoel, twee stokken en een incontinentieprobleem. Twee keer per vier dagen donder ik omver. Ook nu, tijdens ons gesprek, heb ik pijn gehad. De fysieke ellende is nog te verdragen, en als het te pijnlijk gaat worden, spring ik wel uit uit het raam. Zo praktisch ben ik dan ook wel weer.

Cru? Nee hoor, ik ben nu eenmaal geen pillenslikker, dus ik zal een alternatief moeten bedenken. Ik ben niet bang voor de dood. Ik ga terug naar het niets. Voor ik werd geconcipieerd was er nog geen George Sluizer, als ik doodga zal er geen George Sluizer meer zijn. In die periode, tussen het begin en het einde, heb ik geprobeerd iets moois van mijn leven te maken."

www.trouw.nl/tiengeboden

Voor eerdere afleveringen van de tien geboden

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden