Review

George IV: dik maar niet dom

De Engelsen hebben nooit veel op gehad met hun kroonprinsen. Wat dat betreft zat het volk vaak op één lijn met de hoogedele vaders van de betrokkenen. De huidige erfopvolger Charles heeft dat evenzeer ondervonden als zijn verre voorganger George Augustus Frederick, geboren in 1762, die later als George IV (1820 - 1830) de Britse geschiedenis is ingegaan.

Beiden hadden de pech op bevel van hogerhand te moeten trouwen met een vrouw die ze niet zagen zitten en die ze daarom bedrogen en verwaarloosden. Gevolg was dat hun echtgenotes bij het publiek veel meer populariteit genoten dan zijzelf. Ondanks het feit dat de betrokken dames het evenmin erg nauw namen met de echtelijke trouw. In alle twee de gevallen werd het mislukte huwelijk een nationaal schandaal waar de regering zich mee moest bemoeien.

Overigens was de minachting die het volk een kleine twee eeuwen geleden 'Prinny George' toedroeg, vele malen groter dan wat Charles zelfs tijdens zijn laagste populariteitscurve moest meemaken. De koets van de achttiende eeuwse prins werd zo vaak met stenen bekogeld, zijn naam door de pers zo door het slijk gehaald (ook toen), dat hij als vorst mensenschuw werd.

Nu had de prins het er zelf naar gemaakt. Vergeleken met hem lijkt Charles een ascetische koorknaap. 'Fat George', een womanizer van het allerergste soort, zadelde de gemeenschap, dat wil zeggen het straatarme volk, op met torenhoge schulden, gevolg van zijn exorbitante levensstijl. Het leverde hem het imago op van dikke, fatterige en oversekste potsenmaker die met een, zelfs voor kroonprinsen uit het Huis van Hannover, opvallende gretigheid zat te wachten op de dood van zijn vader, de plompe, koppig-autoritaire George III ('Mad George').

Recente portretteringen, zoals in de film 'The Madness of King George' en in de satrische tv-serie 'Blackadder', versterken het beeld van de decadente prins-onbenul die 23 jaar lang in de coulissen stond te trappelen van ongeduld, voordat hij in 1811 als regent eindelijk het roer van zijn, toen voorgoed zwakzinnig geworden, vader kon overnemen.

Overigens leed de zoon, hoewel in mindere mate, aan hetzelfde enzymengebrek (porfyrie) dat het geestesvermogen van de vader steeds verder aantastte. Dit en nog veel meer valt te lezen in een fascinerende biografie die onlangs verscheen en die zowel geestig als grondig is.

In het voetspoor van de bekende Britse historicus Christopher Hibbert, van wiens hand vorig jaar een hoog geprezen levensbeschrijving van

George III verscheen, heeft diens jongere landgenoot Saul David zich gewaagd aan het analyseren van het wel en wee van de oudste zoon van de koning. En met succes. Qua diepgang doet zijn studie niet onder voor het werk van Hibbert. En wat leesbaarheid aangaat overtreft David zelfs de meester. Zijn portret van de latere George IV, dat vooral maar niet uitsluitend, gaat over de periode vóór diens regentschap, is evenwichtig en fair. Zo ontkent David niet dat de prins een losbol was die noch zijn geliefden noch zijn naaste vrienden trouw wist te blijven en die evenmin een toonbeeld vormde van morele standvastigheid en fysieke moed. Maar hij laat daarnaast de ándere kant zien van de smoezelige medaille, die tot voor kort onderbelicht is gebleven.

Want George bleek behalve decadent ook intelligent. Zo gaf hij in 1811, toen hij als prins-regent het bestuur overnam, niet toe aan de druk van de Whigs, wier vriendschap hij - mede om pa te pesten - jarenlang had gecultiveerd. Hun eis om de regerende Tories naar huis te sturen werd afgewezen.

David behoort niet tot de historici die dit als voorbeeld van politieke onbetrouwbaarheid beschouwen. Volgens hem was het juist heel verstandig. De Tories bleken immers veel meer geneigd de oorlog tegen Napoleon voort te zetten dan de Whigs. Samen met de Oostenrijkse keizer Frans I en de Russische tsaar Alexander I werd George de drijvende kracht achter het indammen van Frankrijks hegemonie over Europa.

De breuk met de Whigs had ook te maken met het feit dat de terreur van de Franse Revolutie George voorgoed had genezen van zijn flirt met het opkomend liberalisme. Temeer toen in de eerste jaren na de val van Bonaparte grote sociale onrust onder de Engelse bevolking hem en het establishment de schrik om het hart deed slaan. De Tories die van geen vernieuwingen wilden weten, leken in de ogen van de prins een betere garantie voor de status-quo dan de Whigs. Elke vorm van kiesrechtuitbreiding werd tijdens zijn regeerperiode geblokkeerd en de emancipatie van de Ierse katholieken zolang mogelijk (tot 1829) tegengehouden.

George mocht dan promiscue en spilziek zijn, dom en onbenullig was hij zeker niet. Anders had een man als de dichter Byron hem nooit intellectueel in de armen gesloten. De prins wist het vernieuwende in het werk van auteurs als Jane Austen en Walter Scott te waarderen, liet de Elgin Marbles uit Griekenland naar Londen komen en legde de grondslag voor zowel de National Portrait Gallery als voor de Royal Society of Literature. Daarnaast was hij een gulle mecenas voor architecten, beeldhouwers, wetenschappers en musici. Zij merkten verrast dat hun weldoener verbluffend veel afwist van hun werk.

Op het eerste gezicht leek de onverzadigbare honger van de prins naar minnaressen louter seksueel van aard, maar Saul David ziet er ook een onbewust zoeken naar de moederfiguur in. Koningin Sophie Charlotte was afstandelijk. Ze gaf geen blijk van enige moederliefde jegens haar oudste zoon en haar veertien andere kinderen. Dat vroeg om compensatie. Niet voor niets had George zijn hele leven een voorkeur voor dames van middelbare leeftijd. Dat gold zowel voor Maria Anne Fitzherbert, de rooms-katholieke weduwe die hij in 1785 in het geheim huwde, als voor zijn laatste twee maîtresses, de markiezinnen van Hertford en Conyngham.

En toen hij een jonge vrouw trouwde ging het prompt mis. Het betrof zijn nicht Caroline van Brunswijk, met wie hij begin 1795 in het huwelijk trad. Vooral omdat hij een forse verhoging van zijn toelage verwachtte. Zeer welkom voor een man bij wie de schuldeisers in rotten van vier voor de deur stonden. In feite maakte hij zich schuldig aan bigamie, want hij was ook nog steeds met Fitzherbert getrouwd. Na met Caroline één keer de 'liefde' te hebben bedreven - het resulteerde in de geboorte van een dochter, Charlotte, die op 22-jarige leeftijd in het kraambed overleed - hield George het voor gezien. Niet alleen bleek Caroline vóór haar huwelijk al geen maagd te zijn geweest, maar tevens nam ze het niet erg nauw met de lichaamshygiëne. Tot aan haar overlijden (1821) leefden de echtelieden gescheiden en gingen ze ieder hun eigen gang.

Na de dood van zijn dochter wilde haar vader, die diverse onwettige kinderen had maar geen legitieme erfgenaam, zich van Caroline laten scheiden om via een nieuw huwelijk een wettige nakomeling te produceren. De inmiddels koning geworden George spande daartoe in 1820 een proces wegens overspel tegen haar aan, met het Hogerhuis als rechtbank.

Al waren de bewijzen overvloedig, toch durfden parlement en regering het niet aan om koningin Caroline te veroordelen. De publieke opinie walgde van de doorzichtige hypocrisie van de koning en de Whig-oppositie dreigde uit het proces een politiek slaatje te slaan. De koning kon hertrouwen vergeten en werd later door een van zijn broers opgevolgd.

Toen George in 1830 aan arteriosclerose overleed was er amper een onderdaan die dat betreurde. Zoals de Times in een in memoriam schreef: ,,Als

George IV ooit een vriend, een toegewijde vriend, op welk niveau van de samenleving ook, heeft gehad, dan protesteren wij tegen het feit dat de naam van hem of haar onze redactie nooit heeft bereikt.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden