GEOMETRIE VRAAGT OM GEOMETRIE

'Een reis door Nederland is een reis door de eerste boeken van Euclides.' Dat schreef Aldous Huxley nadat hij ons land had bezocht, in de jaren twintig.

MARTIN REINTS

Zijn reisindrukken zijn de moeite waard. Net als andere buitenlanders valt hem op dat het land hier plat is, maar als geen ander begrijpt hij wat voor gevolg dat heeft voor de inrichting ervan: “Op een land dat het ideale platte vlak van de geometrieboeken is, zijn de wegen en kanalen de kortste afstanden tussen twee punten. In de eindeloze polders snijden de dijkwegen de weerkaatsende sloten in rechte hoeken, een netwerk van volmaakt evenwijdige lijnen. (...) Aan de egale horizon zwaait een rij molens hun armen als dansers bij een geometrisch ballet. Onafwendbaar leiden de wetten van het perspectief de lange wegen en het glanzende water naar een vaag verdwijnpunt. Hier en daar - onbeduidend in het midden van dit volmaakte platte vlak - grazen een paar bonte koeien uit een schilderij van Cuyp onvermoeibaar in het malse gras of, zich Paulus Potter herinnerend, spiegelen zichzelf als even zovele herkauwende Narcissi in het water van een kanaal. Af en toe passeer je een paar mensen, erbarmelijk misplaatst, maar over het algemeen hun best doend om hun weinig geometrische verschijning goed te maken door op fietsen te zitten.' Dat de mens misplaatst is in dit landschap klopt niet. Maar de opmerking over de fiets, die immers uit niet veel meer dan twee cirkels bestaat, is aardig.

Maar dan komt, wat mij betreft, het hoogtepunt in zijn betoog. Huxley ziet aan de overkant van een kanaal een boerderij en zegt daarover: 'Wat past die volmaakt in het geometrische systeem! Op een tot op een derde van zijn hoogte afgesneden kubus is een uitgerekte piramide geplaatst. Dat is het huis. Een boombeplanting als de vijf van een dobbelsteen staat eromheen. (...) Geometrie vraagt om geometrie; met een gevoel voor esthetische kenmerken die je niet hoog genoeg kan schatten, hebben de Nederlanders gevolg gegeven aan de roep van het landschap en hebben zij het platte vlak van hun landschap bezaaid met kubussen en piramiden. Heerlijk landschap! Ik ken geen enkel landschap waar het geestelijk opbeurender is om in rond te reizen. Geen wonder dat Descartes aan Nederland de voorkeur gaf boven elke andere omgeving. Het is het paradijs voor de rationalist.'

Trefzekerder dan ik het ooit elders heb gelezen, brengt Huxley hier de grote samenhang onder woorden die het Noord-Hollandse polderlandschap tot zo'n overtuigend geheel maakt. Het is jammer dat hij zich even door zijn eigen retorica heeft laten meeslepen in zijn opmerking over de misplaatste mens in dit landschap, maar de karakterisiek van de Noord-Hollandse stolpboerderij maakt alles goed. Huxleys verslag is opgenomen in de bijzondere bloemlezing Achter de dijken; buitenlandse schrijvers over Nederland, samengesteld door René van Stipriaan en al eens eerder verschenen onder de titel Hotel in Holland.

Huxleys beschrijving heeft betrekking op het grootste deel van Noord-Holland, maar natuurlijk vooral op de droogmakerijen. Zijn beschrijving is enigszins karikaturaal, want niet alle boerderijen zijn een combinatie van een kubus en een piramide. Bovendien tonen de boerderijen die die grondvorm wel hebben een aantal variaties, ieder weer met zijn eigen kenmerken. Vaak heeft de vierkante boerderij bij voorbeeld een zogenoemde staart voor extra stalruimte, soms is er als het ware een hap of zelfs een aantal happen uit het gebouw genomen, vaak eindigt de piramide niet precies in één punt. In het oog van een euclidische purist moeten dat onzuiverheden zijn.

Aan de andere kant is Huxleys karakteristiek, zo ongenuanceerd als hij is, raker dan hij waarschijnlijk zelf heeft geweten. Hij zag de stolpboerderij als een soort plak van een kubus met een piramide er bovenop. Had hij zo'n boerderij van binnen gezien, dan zou hij er toch zeker een enthousiaste passage aan hebben gewijd dat de boerderij in de kern echt een volledige en volmaakte kubus is. Die kubus heet het 'vierkant' (spreek uit: vierkánt). Het is een hecht getimmerte van vier staande balken en daarop vier liggende balken: de ribben van een kubus. Dit is de eigenlijke constructie van het bouwwerk, waar het piramidale dak als het ware overheen wordt gelegd en waar de muren op een afstand omheen worden gezet. De ruimte die de kern van de boerderij vormt, dient in zijn geheel voor de berging van het hooi. Ook deze ruimte zelf wordt 'vierkant' genoemd. De woonruimte, de stallen en de werkruimten liggen om de vierkante hooiberg heen.

Huxley schrijft: 'Ieder huis in het noorden van Nederland is van dit type, dat traditioneel is en zo volmaakt bij het landschap past dat het onmogelijk zou zijn iets passenders te ontwerpen.' En inderdaad, als je de rationaliteit en het wiskundige karakter van het landschap eenmaal ziet, ontkom je haast niet aan de gedachte dat dit type boerderij op een goede dag tijdens een brainstorm is verzonnen. Alsof de inrichting van de droogmakerijen door een ingenieursbureau was ontworpen, compleet met een voorstel voor het ideale gebouw erin. Het maakt nieuwsgierig naar het gedachtengoed waaruit het landschap is voortgekomen en naar de herkomst van de stolpboerderij - waarvan de eenvoudige grondvorm overigens ook wel eens is toegepast voor een kaasfabriek.

Ooit waren het midden en het noorden van Nederland bedekt met gletsjers, in de tijd dat er geen Noordzee was en de Theems in de Rijn uitkwam. Toen het ijs smolt, steeg daardoor de zeespiegel. Maar ook werd het pak ijs op Scandinavië zoveel lichter, dat daar het land omhoog kwam. Nederland ligt op de andere kant van de wip, zodat hier het land omlaag ging. Van hieruit gezien steeg de zeespiegel dus met dubbele kracht, tientallen meters. Toen Plato in Griekenland rondliep, werden in het modderige noorden van ons land de eerste terpen opgeworpen. In de middeleeuwen begonnen onze voorouders het veen af te graven; de gestoken turf diende als brandstof voor de bierbrouwerij. Wat ze niet weggroeven klonk in en oxideerde, waardoor grote stukken land nog dieper kwamen te liggen. Grote overstromingen, waarbij kostbaar land wegspoelde, waren in de tweede helft van de middeleeuwen aanleiding tot het bouwen van dijken en sluizen. In Noord-Holland waren veenrivieren in de twaalfde en dertiende eeuw uitgegroeid tot grote en minder grote meren. Na de Val van Antwerpen raakte bovendien de grond in de steden volgebouwd, de behoefte aan graan en ander voedsel nam toe, maar ook de behoefte aan land om lusthoven te bouwen voor de nieuwe handelselite.

In 1533 was het kleine Achtermeer ten zuiden van Alkmaar drooggemaakt: een proefproject voor de Egmondermeer en de Bergermeer, die in 1564 werden drooggemaakt. Deze initiatieven van de graaf van Egmond en de heer van Brederode vormden de voorboden voor de enorme droogmakerijen die in de zeventiende eeuw werden ondernomen door vermogende kooplieden in de grote steden. Zij zochten naar mogelijkheden om hun opeenhopingen van kapitaal ergens in te beleggen. Met elkaar vormden ze gelegenheidscompagnieën die toestemming verwierven om de meren droog te malen, die opdrachten verstrekten aan landmeters en molenbouwers, die onderhandelden met boeren die het land bezaten waar de afwateringskanalen moesten worden gegraven en met vissers die hun visgebied verloren. In 1612 viel de Beemster droog, in 1622 de Purmer, in 1626 de Wijde Wormer, in 1630 de Heerhugowaard en in 1635 de Schermer. Daarnaast waren er talloze kleinere droogmakerijen, zoals de Bijlmermeer in 1627 en de Diemer- of Watergraafsmeer in 1629.

Aan de droogmaking van de Beemster is vooral de naam verbonden van Dirk van Os, een ondernemend man die vanaf het vroegste begin deelnam in de handel op Oost-Indië en bewindhebber was geworden van de VOC. Het eerste grote geld dat in de Beemster werd gestoken kwam alleen niet van een rijke koopman, maar van de avontuurlijke schipper Pieter Pikmans. Pikmans was aan het einde van de zestiende eeuw op het idee gekomen dat de gezonken Spaanse schepen voor de kusten van Ierland niet in het zand waren verdwenen, maar op de rotsbodem moesten liggen. Hij voer er een paar keer heen en haalde met eenvoudig gereedschap zoveel goud, zilver en andere kostbaarheden op, dat hij sindsdien tot de heel rijken behoorde. In 1607 werd een compagnie opgericht om de Beemster droog te maken.

Nu zou je je dus voor kunnen stellen dat het kleine en vermogende gezelschap dat zich voor deze onderneming inspande, opdracht verstrekte tot het ontwerpen van een nieuw type boerderij. Maar zo is het niet gegaan. Er blijkt weinig met zekerheid over te zeggen, maar wel dat er geen bouwtekeningen van bekend zijn. Het vierkante gebouw met het piramidale dak werd gebouwd met kennis van de traditie en een groot ruimtelijk voorstellingsvermogen: niet volgens het plan van een architect maar volgens het inzicht van de timmerlieden zelf. De opmerkelijke stap om van eikenhouten stammen een simpele kubus te bouwen als dragende constructie voor een piramide is geen plotselinge uitvinding, maar iets wat zich geleidelijk heeft ontwikkeld. Het valt niet vast te stellen wanneer de eerste boerderij met deze opzet werd gebouwd. Maar het gebouw ligt wel voor de hand, als je bedenkt dat het vierkant als opslagplaats voor het hooi dient. De stolpboerderij ontstaat vanzelf als je met je vee tegen een hooiberg aan gaat wonen en om die reden het dak een stuk door laat lopen naar beneden.

Ook al is de stolpboerderij misschien vanzelf ontstaan, hij zal toch zeker de zeventiende-eeuwse behoefte aan helderheid, soberheid en wiskundigheid hebben bevredigd. In 1606 verscheen de eerste Euclides-vertaling, door Jan Pietersz. Dou. De vertaling was een groot succes. De wiskunde was niet alleen een leidende rol gaan spelen in de natuurwetenschappen, maar ook in de bouwkunst, de stedebouw en de landinrichting. De grote droogmakerijen ontstonden in dezelfde periode als de grachtengordel en de Jordaan in Amsterdam, tot de aanleg waarvan in 1610 werd besloten. In 1600 woonden er 50.000 mensen in Amsterdam, in 1625 waren het er 100.000, in 1650 200.000. De grachtengordel heeft als geheel de vorm van een cirkel, terwijl de straten loodrecht op de grachten staan. De Jordaan is anders opgebouwd: daar volgen de straten het middeleeuwse slotenpatroon, terwijl dat patroon met rechte hoeken wordt doorsneden door de dwarsstraten.

Het is ook de periode waarin de Nederlandse tuin tot ontwikkeling komt. In 1669 verscheen Jan van der Groens Den Nederlantsen Hovenier, waarin de opvattingen die sinds een tijd golden nauwkeurig onder woorden werden gebracht. Van der Groen was hovenier van de prins. Zijn werk werd meestal samen uitgegeven met Den Verstandigen Hovenier, Den Ervaren Huys-houder, Den Naerstigen Byen-houder en De Verstandige Kock. De 'Hof-bouw' en het 'buyten-leven' noemt Van der Groen 'het vermaeckelijckste, voordeelighste, gesondtste, ja meenighmaal ook wel het salighste leven, dat men sou kunnen wenschen, voor die geene, die aen geen beroep, in de Steden vastgebonden is'. Tuinaanleg is ordening van de natuur: je moet bergen en heuvels wegkruien, laagten en dalen verhogen, water tot land en land tot water maken. De kunst, schrijft Van der Groen, maakt alles regulier, 'dat is, beyde de zijden gelijkformig'. Hiermee is het ideaal verwoord van het platte vlak dat wordt gevuld met rechte lijnen die symmetrieassen volgen en zo met elkaar een reeks regelmatige patronen vormen.

Of het nu ging om huizenbouw, om tuinaanleg, om stadsuitbreiding of om de inrichting van nieuw land, in de zeventiende eeuw en lang daarna werd niets op dit gebied gedaan zonder passer, liniaal en tekendriehoek. Een opmerkelijk geval is het ontwerp uit 1741 van een bosket voor een hoek van een park bij Heemstede. De 'Meetkunstenaer en Architect' A. Speelman wilde de lanen hier zo aanleggen en zo beplanten dat ze zelf een enorme passer, een gradenboog, een liniaal en een waterpas verbeelden - een ontwerp waarin de grenzen tussen strengheid en speelsheid volledig zijn opgeheven.

De Beemster is het meest uitgesproken voorbeeld van de zeventiende-eeuwse landinrichting. In 1608 werd besloten hoe hoog en hoe breed de ringdijk moest worden, hoe diep en hoe breed de ringvaart, en waar de windmolens moesten komen. In 1609 was hij drooggemalen, maar in januari 1610 bezweek de dijk onder een stormvloed en liep de polder weer vol. In januari 1611 was de bijna opnieuw droge Beemster dichtgevroren. Vijf landmeters begaven zich met meetkettingen op het ijs en verzamelden de gegevens voor de 'perfecte caerte'. Op deze kaart werd in maart 1611 het ontwerp voor de ontsluiting getekend.

De verdeling van wegen en tochten is opgebouwd uit vierkanten. Ieder vierkant van 900 x 900 meter bevat vijf gelijke kavels. De vierkanten zelf vormen steeds met zijn vieren een vierkant van 1800 x 1800 meter. Het systeem van twee soorten vierkanten, de ene gevormd door het wegennet en de andere door het slotenstelsel, geven een ritmisch beeld op de landkaart. De kaart is zo goed als onaangetast.

Wel zijn er in onze tijd twee snelwegen door de Beemster getrokken die door hun breedte, hun flauwe bochten en hun lawaai het oorspronkelijke landschap aantasten, maar gelukkig liggen ze grotendeels op de lijnen van een paar tochten - net zoals dat in de Wormer het geval is.

De Beemster wordt op twee manieren in tweeën gedeeld: door de Middensloot en door de Middenweg. Het middelpunt van het wegennet ligt op de kruising van de Middenweg en de Rijperweg. Het dorp dat om dit kruispunt ontstond, heet natuurlijk Middenbeemster. Hier werd Carel Fabritius geboren in 1622, de schilder van het Puttertje in het Mauritshuis en het zelfportret in het Boymans-Museum, en hier woonde Betje Wolff van 1759 tot het overlijden van haar man in 1777.

De inrichting van de Beemster, en in iets mindere mate ook die van de andere droogmakerijen, is spectaculair. Doordat een groot deel van de wegen beplant is met bomen, is het landschap waar je ook kijkt verdeeld in een aantal achter elkaar liggende rechte stroken. Dat geeft een enorme dieptewerking. Overal merk je dat je in een groot gebied bent, maar nergens voel je je verloren. Verplaats je je door dit landschap, dan beleef je twee dingen tegelijk. De wegen, de sloten en de boerderijen zijn zo geplaatst dat er een strakke regelmaat onstaat: elke zoveel meter is een herhaling van de vorige zoveel meter. Maar aan de andere kant is iedere boerderij in zijn details uniek, net als de beplanting van de gelijkvormige kavels. Daardoor is er niet alleen regelmaat maar tegelijk ook afwisseling. Doordat de wegen, lanen zijn het eigenlijk, nergens met een bocht lopen, zie je overal waar ze op uitkomen: de hoge ringdijk. De ruimte is daardoor open en besloten tegelijk. En na al die eeuwen vertegenwoordigt het land met zijn rechte, bedachte wegen nog steeds het nieuwe, in contrast met de bochtige dijk aan het eind, waarvan de vorm door de wilde natuur is bepaald.

De stolpboerderijen zijn veel groter dan ze lijken. Hun hoogte varieert van 10 tot 15 meter - dat is vergelijkbaar met de hoogste panden aan de Amsterdamse grachten. Maar door de piramidevorm hebben deze bouwwerken niets kolossaals. De maatvoering is volstrekt menselijk. De symmetrie, zo belangrijk in de inrichting van het landschap, de vorm van de gebouwen en de beplanting van de tuinen, lijkt onnatuurlijk. Maar in zeventiende-eeuwse ogen was de symmetrie afgeleid van het menselijk lichaam. De toepassing ervan was een afspiegeling van de natuur, en daarmee een eerbetoon aan de Schepper. Dat de mens hier misplaatst zou zijn, berust dus op een misverstand.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden