GENOEG

Novib en Trouw verzorgen donderdagavond het vijfde 'Grand Gala van het Genoeg' in De Rode Hoed in Amsterdam. Het debat over de broze relatie tussen productie en duurzaamheid gaat dit jaar over de visserij in het rijke westen en in ontwikkelingslanden. Aan het debat nemen deel Paul Kleemans, directeur Visserij van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij, Monica Verbeek van Greenpeace Nederland, Johan Kornelis Nooitgedacht, voorzitter van de Nederlandse Vissersbond, Dik Langstraat, voorzitter productschap vis, Jan Mulder, voor de VVD lid van het Europarlement en Max van den Berg, algemeen directeur van de Novib. Als voorproefje een gesprek met Cornelis Vrolijk over de vraag of hij de vis wegkaapt voor de West-Afrikaanse kust en met Theo Dekker, directeur van de Zeehaven IJmuiden, over vis als schaars goed.

Organisaties voor ontwikkelingssamenwerking uiten regelmatig kritiek op de wijze waarop het rijke westen omgaat met de visgronden van de arme Afrikaanse landen. De overcapaciteit van de Europese vloot zou worden geëxporteerd naar de kusten van West-Afrika. Daar vangen de grote vriestrawlers met hun lange netten weg wat eigenlijk door de lokale bevolking gevangen zou moeten worden. Met de Novib voorop, zijn de visserijakkoorden met de EU door de ontwikkelingshulporganisaties op de agenda geplaatst: de akkoorden moeten rechtvaardiger worden. De Novib richt zich vooral op eigen onderzoek op de stranden van Senegal, Vrolijk spreekt op grond van zijn ervaringen voor de kusten van Mauretanië. Het beeld dat de Europese vloot, nu de visgronden van de Noordzee uitgeput lijken te raken, uitwijkt naar alternatieven, lijkt op voorhand al onjuist. De Europese vissers, en zeker de vloot van Vrolijk, vist al jaren buiten de grenzen van Europa. En zet ook al jaren vis af op markten ver buiten Europa. Ongewild levert C. Vrolijk zelf het bewijs dat zijn bedrijf mondiaal opereert. Op de achterzijde van zijn visitekaartje worden naam, adres en telefoonnummers van zijn IJmuidense bedrijf herhaalt in Chinese karakters.

Niet bekend

Dat de vis niet in het land van herkomst, Mauretanië, aan wal wordt gezet, komt omdat er geen geschikte haven is, geen koelhuizen zijn en geen infrastructuur is om het product verder te exporteren. En daarbij, de bevolking van anderhalf miljoen inwoners is een te kleine markt om de vis af te zetten.

Zeker als het om de afspraken met Mauretanië gaat, voelt Vrolijk zich geen kaper op West-Afrikaanse kust. “Daar zie je wat kano's het strand op komen. Daar zitten dan wat visjes in. Die worden in het achterland op tafels verkocht. Dat zijn vooral baarsjes. Sinds wij daar vissen, zijn we nog nooit een lokale visserman tegengekomen. Die zie je ook niet waar wij vissen. Die kunnen hooguit een mijl of vijf de zee opkomen. Wij vissen op afstanden van veertig tot honderveertig mijl uit de kust. De oceaan loopt daar drieduizend meter naar beneden. Daar kunnen die lokale vissers niet vissen. Wij vangen daar met onze grote netten vis die tegen de oppervlakte zwemt. Inderdaad, dat doen we met grote schepen, maar anders kun je niet rendabel vissen. Maar dat betekent niet dat je de boel leeg vist. Dat is economisch ook niet interessant. Twintig jaar geleden wisten wij ook al dat de haringstand hier slecht was. Vis je te veel weg, dan moet je stoppen. Anders is het ook economisch helemaal niet aantrekkelijk. Als je twintig ton moet vangen en je vangt vervolgens maar één ton, dan vis je met verlies. Het is allemaal heel simpel: hoeveelheid maal prijs. Levert dat te weinig op, dan moet je stoppen, zo zijn de economische wetten.”

“Nu wordt er ineens een hoop geschreeuwd en geschopt - en er zitten gerust ook mensen bij die er wel wat van weten - over de EG en de visserijakkoorden. Maar laten we niet vergeten dat wij zijn uitgenodigd om in Mauretanië te komen vissen. In eerste instantie waren we niet echt geïnteresseerd. Mauretanië stond bij ons bekend als een land waar je heel slecht zaken mee doet.”

Vrolijk verkocht in het verleden schepen aan Nigeria. Die hektrawlers haalden weinig op uit de Nigeriaanse wateren en weken uit naar Mauretanië. “We hebben dat project begeleid. Het was een drama. In Mauretanië werd de bemanning voor van alles en nog wat gearresteerd. Ze wisten altijd wel wat te vinden. Nu we weer werden gevraagd om te komen, hebben we over dat soort zaken wel afspraken gemaakt.”

Dat de Europese vissers gelijk Vrolijk weer in Mauretanië varen, heeft alles te maken met het compleet wegvallen van de Oost-Europese vissersvloot. Honderd tot tweehonderd schepen uit het voormalig Oostblok voeren drie, vier jaar geleden voor de kust. Nu zijn dat er volgens Vrolijk gemiddeld nog twintig. “Mauretanië is echter wat zijn inkomsten betreft voor zestig procent afhankelijk van de verhuur van zijn visrechten. Door het vertrek van de Russen zagen ze daar dus al hun inkomsten wegvallen. Ze zijn vervolgens gaan 'shoppen' met hun visrechten. Het gaat daarbij niet om de bodemvissoorten zoals octopus en dergelijke, want daarvoor hebben ze al lang contracten met China, Spanje en Portugal. Maar voor pelagische vis was nog geen gegadigde. Omdat met uitzondering van de schepen uit de voormalige Oostbloklanden niemand op de hele wereld schepen heeft die geschikt zijn voor het vangen van goedkope pelagische vis. Wij zijn de enigen die dat werk kunnen doen. Er wordt vaak over overbevissing gesproken, maar je zou kunnen zeggen dat daar sprake was van een onderbevissing. En dat is ook zonde. Zeker als je op de wereld een voedseltekort hebt.”

In de private overeenkomst met Mauretanië is voorzien dat zeker twintig hektrawlers (van vier Nederlandse reders) tegen een prijs van 50 000 dollar per maand (bij een schip met een bruto tonnage van 5000 ton) vis mogen vangen. In de overeenkomst, die inmiddels is overgenomen door de Europese Unie, is tevens opgenomen dat de Europese schepen Mauretaniërs aan boord opleiden. “Op die afspraak hebben we overigens zelf aangedrongen.”

De ervaringen op de 'nieuwe visgronden' noemt Vrolijk hoopgevend. De eerste zes maanden gaven goede vangsten, juli en augustus waren minder in verband met het warme water en in september trokken de vangsten al weer aan. Dat wil nog niet zeggen dat de visserij al rendabel is. Daarvoor ontbreken volgens Vrolijk nog te veel gegevens. “We willen meer weten over de hoeveelheid vis die er zit. We hebben onze eigen schattingen. Maar biologisch onderzoek is nodig. De prijzen die we nu nog krijgen voor de vangsten zijn ook nog te laag. Maar het is zeker een visgrond met toekomst.”

“Ik durfde het vroeger niet hardop te roepen, maar het quotum is een verrot goed middel geweest om in de visserijwereld schaarste te creëren en mensen aan het denken te zetten.” Theo Dekker, opgegroeid in de marketingwereld van Unilever en inmiddels vier jaar directeur van Zeehaven IJmuiden, houdt van prikkelende stellingen. In ieder geval weigert hij stelselmatig mee te huilen met wat hij de 'jankers' in de visserijwereld pleegt te noemen.

Waar veel vissers de markt, de quotering of in zijn algemeenheid het visserijbeleid de schuld geven van verminderde inkomsten, zoekt de directeur van de IJmuidense visafslag liever het offensief. Een offensief dat soms moet leiden tot publieke excuses, zoals die keer dat hij zijn verwondering uitsprak over de visafslag van Urk: “Je zet toch geen visaflag op de Veluwe!” Dekker excuseerde zich met de mededeling dat hij Urk veertig kilometer op de kaart had verschoven en dat hij vroeger op school ook al niet goed was in aardrijkskunde.

Dekker voorziet een belangrijke kentering in het denken van de vissers. “De vissers zien nu ook wel in dat ze hun eigen brood wegvissen. In Nederland hebben ze in het voorjaar aan de kant gelegen voor het quotum van tong, schol en kabeljauw. Men jankt wel, maar de goeien komen daar wel overheen. In iedere sector heb je een groep die een visie heeft op de toekomst. Die overleeft wel. De kleintjes die die visie of het kapitaal niet hebben, die klagen. Men luistert altijd naar de klagers, maar niet naar de mensen die overleven.”

De visserijwereld van Dekker wordt onderscheiden in twee groepen. De grote reders met de grote vriestrawlers op zoek naar vis op de mondiale visgronden, maar vooral ook op zoek naar nieuwe markten, van Cuba tot China en Nigeria. Over die groep maakt hij zich geen zorgen. Ze zijn goed georganiseerd, denken marktgericht en opereren op een schaal die eventuele tegenvallers laat wegmasseren door meevallers. Het is meer de groep die vist op 'verse vis' zoals schol, tong, kabeljauw, griet en tarbot waar Dekker zich zorgen over maakt. “In die sector heb je veel meer ondernemers. Misschien wel 200 tot 250 aanbieders van vis in Nederland. De handel die daar tegenover staat, is ook versplinterd. En daarbij, de enige strategie die ze volgen is prijs, prijs en nog eens prijs. Naar behoefte wordt niet echt gekeken. De aanvoerders beginnen iets meer te kijken naar markten, maar de vishandel, de goede niet te na gesproken, is daar nog steeds niet aan toe. Dat is ze niet te verwijten. Het zijn vele kleintjes die vechten voor hun bestaan. Vanuit die situatie kun je niet verwachten dat ze een eenheid vormen. Ik roep, en dat doe ik nu anderhalf jaar, dat er een sanering komt. Hoe dan ook. Er zijn elf afslagen in Nederland en dat zijn er veel te veel. Als je iets wilt in een sector met een schaars goed, en dat is vis door het quotum, dan moet je zoeken naar een oplossing. En die flessenhals die de visafslagen vormen, is daarvoor een belemmering. Je hebt drie geprivatiseerde afslagen en de rest is gemeente-eigendom. Dat gemeente-eigendom is op zich al een probleem. Vier afslagen op een omzet van 900 miljoen gulden is dik voldoende. Die andere acht afslagen moeten gewoon weg. Welke afslagen er overblijven, is mij om het even. Als de markt uitmaakt dat IJmuiden moet verdwijnen, dan maak ik van die tent wel wat anders. Ik denk dat IJmuiden moet blijven, maar dat maak ik niet uit, maar de markt. Er wordt wel geroepen dat de afslag van Urk al tachtig jaar bestaat, maar de textiel bestond in Twente ook al tweehonderd jaar. Dat wil toch niet zeggen dat de gemeente maar textielfabrieken moet gaan runnen als de markt tegenzit.”

Saneren van de visafslagen is een van de belangrijkste pijlers voor het nieuwe beleid dat Dekker voorstaat. De andere pijler is marktgericht denken. Of om in de termen van Dekker te blijven: hoe maak je van een jankwereld een sector die denkt in termen van klanten en niet in termen van scheepladingen vol vis waarvoor de koper zich maar dient te melden. “Vis is een schaars goed. En ik zeg daarbij: wel een verrot goed product. Je kunt beter elke dag vis eten dan dieetmargarine op je brood smeren. Het is een gezond product en betaal daar dan ook maar voor.”

Dat de markt bereid is om wat meer voor vis te betalen, blijkt volgens Dekker wel uit het feit dat zeventig procent van de vis in restaurants wordt genuttigd. Meer betalen voor vis lijkt zo op het eerste oog nu niet direct een weg om vis op te stuwen in de vaart der volkeren. Dekker beweert het tegendeel. De vis mag duurder worden, maar dat moet dan wel gepaard gaan met een betere kwaliteit.

De Zeehaven IJmuiden heeft voor die strategie samen met de havens van Den Helder, het Belgische Zeebrugge en het Franse La Rochelle het zogeheten Silver Sealed label ontwikkeld. Uitgangspunt daarbij is dat de consument voor 'superverse' vis, dat is vis die is gevangen tijdens de laatste twee dagen dat de kotter op zee was, bereid is meer te betalen. Voor de vis van de eerste vier dagen geldt alleen het predikaat 'vers' en die krijgt dus een lagere prijs. Verse vis moet je volgens Dekker niet vertalen in tonnen, maar in kilo's of zelfs grammen. Het product komt niet in bulk bij de consument en zo moet je het dan ook niet behandelen. Dekker: “Wat is het imago in Nederland van de visserij: aanvoer in bulk, ze ruimen die zee leeg bij tonnen tegelijk. Maar vis is gelijk goud en goud verhandel je ook niet in tonnen of kilo's, maar per gram. Zo moet dat ook bij de verse vis.”

Denken in grammen vereist een cultuuromslag in de sector, een omslag waar volgens Dekker de visafslagen een cruciale rol in spelen. “Dat zijn de enige die dat kunnen veranderen. Vandaar ook dat er minder visafslagen moeten komen. Je moet verder niet alleen kijken naar Nederland, maar naar heel Europa. Vandaar dat we met Den Helder, Zeebrugge en La Rochelle zijn gaan samenwerken. Waarom die vier? Zeebrugge is de enige geprivatiseerde afslag in België. Den Helder is geprivatiseerd en dat geldt ook voor IJmuiden en La Rochelle. Alle vier voldoen we aan de EG-eisen.” Dat betekent dat via die afslagen aangevoerde vis kakelvers kan worden verwerkt, opgeslagen en verkocht.

“Er is grote bereidheid bij bijvoorbeeld de vissers van Den Helder en Texel om hier achter te gaan staan. Ze zijn zelfs bereid om maar twee dagen te vissen. Die bereidheid is er, omdat ik ze snel kan benaderen en dus beïnvloeden. De handel ligt moeilijker. De handel is niet echt sterk georganiseerd. Wel als er met een defensieve opdracht wordt geopereerd, maar niet met een offensieve benadering. Ik kan slecht werken met een dergelijk houding. Daarom heb ik ook zo'n diep respect voor de trawlervisserij. Ze zijn al jaren offensief bezig.”

Silver Sealed is voor Dekker bijna een toverwoord. “Ik haal uit het ene type vis de beste kwaliteit. Ik maak dus 'verse' kabeljauw en 'superverse' kabeljauw. Dat was tot voor kort niet mogelijk. Na de eerste berichten over Silver Sealed in de pers - en ik was er niet op uit dat die berichten al verspreid werden - kreeg ik tien telefoontjes van grootwinkelbedrijven. Met de vraag: waar kun we het krijgen, wanneer ga je er mee beginnen, want dit is wat we willen. De hele trend in Nederland is vers, vers en vers. Dat is al een paar jaar zo en aan die trend appelleren wij. Dat betekent ook dat je de vis niet meer op een laag ijs in het ruim dondert. Je gooit eerst ijs dan vis dan weer ijs. In de hele keten ga je de vis anders behandelen en dat heeft tot gevolg dat je de andere vis ook in kwaliteit opkrikt. Dat gebeurt automatisch.” De hele keten moet volgens Dekker straks Silver Sealed denken. De viszaak verkoopt over enkele maanden superverse vis en verse vis. “En als die man zegt: ik heb geen Silver Sealed, dan ga je naar een ander. Je mag aannemen dat straks de betere restaurants Silver Sealed op de kaart zetten. Ik garandeer dat wat in die verpakking zit, ook supervers is. Daarvoor worden nu keurmeesters opgeleid.” Over twee weken begint de Silver Sealed-campagne in Nederland. April volgend jaar is Europa aan de beurt.

“We kunnen nu nog geen Silver Sealed leveren. We moeten het product kunnen garanderen, we gaan geen concessies doen onder druk van het uitlekken van de berichten. Albert Heijn was de eerste die ons belde. Waarom weten we dit niet?, was hun vraag. En hoe krijgen we dat in onze winkels? Maar we moeten ze wel vertellen dat we nu niet kunnen leveren. Vanaf begin december denk ik dat ik Albert Heijn kan leveren. We zijn nu klaar met tarbot en tong, half december volgen griet en schol en zo gaan we het langzaam uitbouwen. In april '97 kunnen we het totale aanbod tot en met kabeljauw aanbieden.”

Bang dat meer ondernemers zich op de vis zullen storten nu er een hogere toegevoegde waarde bereikt kan worden, en dus de zee opnieuw leeggevist gaat worden, is Dekker niet. Dat gevaar wordt bezworen door de veel bekritiseerde, maar door Dekker omarmde quoteringsregeling.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden