Review

Geniale pianist Glenn Gould op de sofa bij rancuneuze en afgunstige psychiater

Graaf von Kaiserling, de voormalige Russische ambassadeur in Saksen, werd geteisterd door slapeloosheid. Zijn hofmusicus Johann Gottlieb Goldberg, een leerling van J. S. Bach, verlichtte von Kaiserlings leed door de hele nacht klavecimbel voor hem te spelen. Toen von Kaiserling op een dag Leipzig bezocht, vroeg hij Bach een klavecimbelwerk voor hem te schrijven om zijn slapeloze nachten een beetje op te fleuren.

Hier ligt het begin van de Goldbergvariaties, een stuk waar de ambassadeur nooit genoeg van kreeg - zo meldt de historie. Met de productie van een plaat met deze Goldbergvariaties, een uiterst contrapuntisch en daarom weinig courant werk, bracht Columbia in 1955 eeuwige roem aan een toen onbekende pianist, de drieëntwintigjarige Canadees Glenn Gould.

Goulds benadering van Bachs muziek was onorthodox. Met een duidelijke articulatie, een exceptionele ritmische variëteit en precisie en via grote verschillen in snelheid en dynamiek ontdeed hij Bach van ieder vleugje romantiek zonder ook maar een moment onpoëtisch te worden.

Op de achtergrond hoorde de luisteraar gehum. Het wekte de indruk dat de pianist geheel in zijn spel opging. Latere televisieopnamen bevestigden dit beeld. We zien Gould op zijn lage stoeltje (ooit door zijn vader getimmerd en volkomen versleten), de mond in beweging, de ogen dicht of op oneindig, met de linkerarm - wanneer die even vrij is - de muziek dirigerend. Wat verbijsterde, was de extase van het spel in combinatie met een ongelooflijke precisie. De pianist leek meer contact te hebben met de componisten dan met zijn toehoorders. Zo was het ook.

Al toen hij twintig was, dacht Gould erover het podium vaarwel te zeggen. Op zijn eenendertigste deed hij het. In een van die memorabele televisie-interviews die de Franse violist Bruno Monsaigeon in de jaren zeventig met hem maakte, vertelde Gould dat hij een concert in wezen antimuzikaal vond, een achterhaalde manier van muziekmaken.

Optreden vond hij vreselijk. Gould had plankenkoorts, lezen we in het boek dat een oude vriend, de psychiater Peter F. Ostwald, aan hem heeft gewijd. In het voorwoord rept Oswalds vrouw - de schrijver is inmiddels overleden - over een psychobiografie, wat het ergste doet vrezen.

En jawel hoor: deze geniale pianist, briljante analyticus, amusante causeur en aimabele persoon balanceerde - volgens Ostwald - bij tijd en wijle op het randje van de waanzin. Hij was een ongelooflijke hypochonder, die rijen artsen afwerkte. Zijn zakken waren tot de rand gevuld met pillen, die hij ook allemaal innam.

Gould was bang voor kou. Hij leed, net als von Kaiserling, een half leven lang aan slapeloosheid. Hij vreesde altijd dat er iets met zijn handen zou gebeuren. Soms dacht hij dat hij niet meer kon spelen. Een vliegtuig durfde hij niet goed in. Een relatie hield hij nooit lang vol. Hij was bang voor controleverlies, had een ziekelijke neiging tot perfectionisme en was zo narcistisch dat hij zijn eigen persoonlijkheid altijd over die van de componist plakte.

Zo'n opsomming lijkt me alleen van belang als er een duidelijk verband blijkt te bestaan tussen Goulds neuroses en zijn spel. Hij had de gewoonte, vóór een concert zijn handen en armen een halfuur in warm water te houden. Een beetje lang misschien, maar zoals bekend is warm water goed voor de spieren.

Het slikken van al die pillen had geen invloed op Goulds motoriek en de onzekerheid over de beweeglijkheid van zijn handen en armen kwam hij altijd op het juiste moment weer te boven. Veel uitvoerende kunstenaars hebben angst voor controleverlies en zijn ziekelijk perfectionistisch - dat brengt het beroep met zich. En wat Goulds narcisme betreft: hij had zeker zeer eigen opvattingen over hoe iets moest klinken, maar bereikte vaak resultaten (bij Bach, bij Haydn, bij componisten van deze eeuw) die heel stijlbewust waren.

Het is niet duidelijk of Ostwald Goulds eigenaardigheden ziet als bijverschijnselen van diens genialiteit of als overblijfselen uit zijn verleden. Beide opties worden opengehouden. Maar het lijkt me dat de biograaf er te weinig oog voor heeft dat zijn overgevoelige protagonist, enig kind van al oudere ouders die hem aanbaden, en afkomstig uit een eenvoudig puriteins milieu zonder enig savoir-vivre, in wezen volkomen weerloos in het leven stond.

Ik heb nog meer bezwaren tegen Ostwalds boek. De schrijver wisselt bij voortduring van rol. De ene keer praat hij als bewonderaar, de volgende keer als vriend, dan weer als analyticus. Je proeft rancune omdat Glenn hem indertijd als vriend heeft laten vallen. Ze is vermengd met nauw verholen afgunst - omdat Ostwald zelf niet geniaal is - en een gevoel van superioriteit - omdat hij tenminste een normaal (liefdes)leven leidt.

Goulds verliefdheden worden afgedaan als niemendalletjes. Dat de (niet met name genoemde) vrouw van een beroemde Amerikaanse musicus met haar twee kinderen voor Glenn naar Toronto trok, waar deze een huis voor hen huurde, vermeldt Ostwald slechts terloops.

Gould stapte ook van het podium omdat hij andere kanten van zichzelf wilde ontwikkelen. Zo maakte hij voor de Canadese radio onder meer spraakmakende programma's over musici en over mensen die in afgelegen streken en in geïsoleerde gemeenschappen leefden. De ervaring die hij daarbij opdeed, gebruikte hij bij de technische verzorging van zijn eigen opnamen.

En de ontdekking van zijn verbale vermogens bracht hem ertoe mee te werken aan die onvergetelijke televisie-interviews. Deze erfenis liet hij, toen hij in 1982 aan een beroerte stierf, aan ons achter en dat is het enige wat telt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden