Geniaal en knettergek

De beste zet is de zet waardoor de tegenstander het meest in verwarring wordt gebracht. Dit levensmotto bracht de gisteren overleden Bobby Fischer niet alleen op het schaakbord in praktijk, maar ook tijdens zijn strijd met de Amerikaanse overheid.

Nico de Fijter

’Sinds er geen grote oorlogen meer gevoerd worden, is de schaaksport het enige waarin de mens zijn agressie werkelijk kwijt kan.” Het is een wat merkwaardig citaat, maar Bobby Fischer leefde ernaar. Niet alleen zijn briljante kwaliteiten vierde hij bot op het schaakbord, ook zijn botheid, zijn arrogantie, zijn onmogelijke, wispelturige gedrag, zijn paranoia, zijn brutaliteit, zijn wanen, zijn totale gebrek aan emotionele intelligentie. Niet zelden verviel hij tijdens schaakwedstrijden in woedende scheldpartijen. Gevoelig als een vlindertje zolang het hemzelf betrof, een op hol geslagen olifant zodra het om anderen ging. Een Achilles zonder achilleshiel werd hij genoemd. Robert James Fischer was de grootste schaker aller tijden, én de onmogelijkste. Gisteren overleed hij, 64 jaar oud.

Zes jaar oud was hij toen hij – geboren in Chicago, opgegroeid in Brooklyn, New York – van zijn zus een schaakspel kreeg. Acht jaar later was hij schaakkampioen van de Verenigde Staten en hij zou die titel nog zevenmaal binnen weten te slepen. In 1958, op zijn vijftiende, werd hij schaakgrootmeester, op dat moment de jongste uit de geschiedenis.

„Ik hou ervan mijn tegenstanders altijd wat perspectief te blijven bieden”, zei hij in 1997 in een interview met de Süddeutsche Zeitung. „Voor heel eventjes – en dat moment, dat bepaal ik – mag hij even aan het geluk van de overwinning ruiken, zodat hij eventjes het gevoel heeft dat hij iets bijzonders tegen Bobby Fischer kan presenteren. En dan volgt mijn zet, die hem ineen doet krimpen, de zet die alles verstoort.” De beste zet is daarom niet de zet die het meest voor de hand ligt, die de overwinning het snelst naderbij brengt. Nee, de beste zet is die die de tegenstander in verwarring brengt.

Precies zo, vertelde hij, had hij gehandeld in wat de geschiedenis is ingegaan als de wedstrijd van de eeuw, de strijd om het wereldkampioenschap tegen de Rus en toenmalig kampioen Boris Spasski.

Het was in 1972, in de IJslandse hoofdstak Reykjavik. De Koude Oorlog op een schaakbord. De Sovjet-Unie tegen de Verenigde Staten. Oost tegen West. Zwart tegen wit. Decennialang was Rusland hét schaakland. De superioriteit van haar schaakgrootmeesters weerspiegelde volgens de Sovjet-Unie haar eigen superioriteit over het kapitalistische Westen.

Tussen 1948 en 1971 was er geen enkele wereldkampioen geweest die niet afkomstig was uit het tsarendom van het schaakspel. Al op jonge leeftijd leerde Fischer Russisch, zodat hij de talloze Russische schaakboeken tot zich kon nemen. Duizenden schaakpartijen leerde hij uit zijn hoofd. De strijd in 1972 werd wereldwijd massaal gevolgd en bezorgde de nationale schaakbonden veel nieuwe leden, ook in de Verenigde Staten waar de schaaksport bij lange niet zo’n status had als in de Sovjet-Unie. Ik zal voor je duimen, had toenmalig president Richard Nixon Fischer laten weten. Je bent onze man tegen de communisten, zei minister van buitenlandse zaken Henry Kissinger.

„Dit is de vrije wereld tegen de liegende, bedriegende, hypocriete Russen”, zei Fischer er zelf over. „De wereldpolitiek op microniveau.” Toch: ook in Reykjavik spreidde Fischer zijn botheid en boosheid ten toon. Het mocht dan een prestigestrijd tussen grootmachten zijn, aanvankelijk kwam hij niet eens opdagen. En toen hij er eindelijk was zinde de opstelling van de wedstrijdtafel hem niet, moest de belichting worden aangepast en wilde hij al die tv-camera’s niet meer zien. De eerste wedstrijd om de titel verloor hij, bij de tweede blijf hij weg omdat de organisatoren niet aan zijn eisen wilden voldoen. Maar uiteindelijk versloeg hij Spasski met overmacht. 1972 werd daarmee, zeggen schaakliefhebbers, het mooiste jaar uit de schaakgeschiedenis.

Het was alles of niets voor Fischer. Wellicht ligt daarin de verklaring voor de grote stilte die hij na zijn zege op Spasski verkoos. Twintig jaar lang onthield hij zich van elke officiële wedstrijd.

In 1975 mocht hij zijn wereldtitel verdedigen, opnieuw tegen een Rus, ditmaal Anatoli Karpov. Maar, jawel, hij stelde opnieuw onmogelijke eisen aan de toernooiorganisatoren en bleef weg. In arren moede werd de titel, zonder dat er ook maar één potje werd geschaakt, aan Karpov toegekend. Fischer bleef zichzelf intussen, in zijn kluizenaarsbestaan, beschouwen als de enige echte wereldkampioen.

Bobby Fischer zag overal samenzweringen. Ook toen hij nog wel wedstrijden speelde. In 1962, bijvoorbeeld, toen hij een belangrijk toernooi speelde op Curaçao, samen met drie Russen. Fischer was favoriet, maar hij werd vierde. Hij beschuldigde zijn opponenten ervan dat ze tegen hem hadden samengezworen door onderling remises te spelen. In een soortgelijk toernooi, vijf jaar later, schaakte hij briljant, maar verliet het kampioenschap toen wederom onenigheid met de organisatie ontstond.

Net zomin als te begrijpen valt waarom hij in 1972 de stilte verkoos, is duidelijk waarom hij twintig jaar later een revanchewedstrijd tegen Spasski speelde. Fischer was er gewoon ineens weer. En won wederom. Maar behalve de zege bracht die wedstrijd hem grote problemen, die het verdere verloop van zijn leven zouden tekenen. Fischer speelde de revanchematch in het voormalige Joegoslavië. Omdat er VN-sancties tegen dat land golden, die ook de sport betroffen, had de Amerikaanse regering Fischer verboden de wedstrijd te spelen. Fischer – dankzij de wedstrijd drie miljoen dollar rijker – keerde niet meer terug naar zijn geboorteland en verbleef voornamelijk in Hongarije en op de Filipijnen. Hij reisde voortdurend en leefde in angst voor de autoriteiten van zijn geboorteland die een arrestatiebevel tegen hem hadden uitgevaardigd. Het voedde zijn oog voor samenzweringen.

Hij liet niet veel meer van zich horen, maar als hij dat deed, veelal via obscure radiozenders, deed hij in dat in felle, racistische, antisemitische bewoordingen. Op 11 september feliciteerde hij Al-Kaida met de aanslagen in New York. Hij gaf gepeperde, botte commentaren op de Verenigde Staten, op Israël, op communisten, op joden. Hij verkondigde dat vrijwel alle belangrijke schaakpartijen van tevoren zet voor zet afgesproken waren. Hij propageerde een door hem bedachte variant op het schaakspel: Fischerandom. In die variant worden de schaakstukken die op de achterste rij staan door elkaar gehusseld. Van tevoren afspraken maken over de loop van het spel is dan onmogelijk...

Op 13 juli 2004 werd Fischer met een verlopen paspoort aangehouden op de luchthaven van Tokio. Uiteindelijk hielp het sinds 1972 schaakgekke IJsland Fischer uit de brand. In maart 2005 kreeg hij de IJslandse nationaliteit en op 24 maart arriveerde hij, met een lange baard en gehuld in slobbertrui, spijkerbroek en baseballpetje, in zijn nieuwe vaderland.

In Reykjavik kreeg Fischer twee jaar geleden nog bezoek van Spasski, die hem uitdaagde voor een duel. Zo ver kwam het echter niet, de briljante, maar tevens gehate schaaklegende overleed vrijdag in zijn nieuwe vaderland.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden