Genezen hoeft niet, wat zij nodig heeft is troost

Voordat ik aan mijn co-schappen begon had ik een uiterst merkwaardig idee over psychiaters. Ik dacht toen dat internisten, chirurgen, oncologen, nefrologen, röntgenologen, hepatologen, hematologen, traumatologen, pulmonologen, neurologen, pathologen en cardiologen allemaal artsen waren die zich bezighielden met een lichaamsdeel zonder verder veel acht te slaan op de eigenaar van dat deel. Zo geeft een cardioloog plaspillen, bloeddrukverlagers en een rookverbod, en de benauwde hartbezitter moet het verder zelf regelen. De chirurg haalt de blindedarm eruit en daarmee basta.

Bert Keizer

Dat deze groep artsen zich ook enigszins om de lichaamseigenaar moesten bekommeren, was onvermijdelijk. Naam, leeftijd, verzekeringsnummer etc. moesten wel binnen de setting van een korte persoonlijke ontmoeting aan de persoon in kwestie worden ontfutseld, maar de essentie bleef orgaanmontage.

De huisarts was binnen dit gedroomde medische universum een merkwaardige figuur omdat hij zich niet alleen om de te grote lever bekommerde, maar ook om de ziel waar dit geteisterde orgaan aan vast zit. Zijn vraag was niet alleen: hoeveel drinkt u? Hij vroeg ook: waarom drinkt u eigenlijk?

Vergeleken bij al die anderen was de huisarts een wonder van persoonlijke aandacht, een toevluchtsoord waar je kon huilen zonder dat je traansecretie werd gemeten. Dit klonk al goed, maar stel u voor, er was een groep artsen die zich, waar het op geestelijk laven aankomt, nog ver boven de huisarts bevond: de psychiaters. Zij schoven die veel te grote lever helemaal terzijde en stortten zich uitsluitend op de vraag: waarom drinkt u eigenlijk? Heerlijke mensen, zegenrijke missie.

Bij de internist kon je niet of nauwelijks huilen, bij de huisarts best wel een beetje, maar bij de psychiater was het trossen los en kon je je verdriet en je wanhoop eindelijk tot de laatste druppel uitgieten boven dat allesbegrijpende hoofd. En dat niet alleen, je tranen werden opgevangen en verzameld en op wonderbaarlijke wijze veranderd in een helende zalf die alle rauwe plekken op je ziel genas. Zo ongeveer zag ik de psychiatrie. Dit visioen duurde tot ongeveer zeventien minuten na mijn betreden van de psychiatrische kliniek als co-assistent. Ik bespaar u de details. Het vervelende is dat ik hier nooit helemaal van af ben gekomen, dit idee dat psychiaters beter in staat zijn of zouden moeten zijn om mensen in hun lijden bij te staan dan zeg internisten.

Eén van de grappigste eigenschappen van artsen is het gemak waarmee zij zich iets priesterlijks laten aanleunen. Het bekendste citaat dat zij in deze context als een liturgisch gewaad gebruiken, komt van Ambroise Paré, een veelgeroemde zestiende eeuwse collega die zijn werk als volgt beschreef: ’Guérir quelquefois, soulager souvent, consoler toujours’ (Ik genees wel eens iets, maar meestal bied ik verlichting en altijd probeer ik te troosten).

Toen ik dit voor het eerst hoorde vond ik het prachtig, maar binnen geneeskunde hoor je het zo vaak dat het een cliché is geworden. Waarvan de oorspronkelijke klank echter nog niet helemaal is weggestorven, want ik zit er nog altijd mee. Door dit rare mengsel van Paré en mijn gedroomde psychiater als Troosteres der Bedroefden besloot ik collega D. te bellen over mevrouw M., die (psychisch ongeneeslijk ziek) onder mijn hoede was. De psychiatrische diagnose was in haar geval een hele slangenkuil uit DSM IV waarin depressie, borderline persoonlijkheid, schizoïde kenmerken, hypomane fases, agressie, narcistische krenking, regressie, theatraliteit en de mogelijkheid van een heel vroeg inzettende dementie op afzichtelijke wijze dooreen kronkelden. Met veel medicatie lukte het deze woest kolkende stroom enigszins binnen de dijken te houden. Ik belde collega D. op verzoek van mevrouw M., want ze had vertrouwen in haar en wilde haar graag zien, liefst op een regelmatige basis ’zodat ik ergens op kan rekenen’.

Ik legde het collega D. uit: „Wat ze wil is dat jij haar ziet, één keer per week bijvoorbeeld, of als je daar van schrikt (want dat deed ze) eens in de veertien dagen. Alles wat die vrouw nodig heeft, is troost. Ik weet ook wel dat je haar niet kunt genezen en diagnosticeren hoeft niet want ik heb al een ampel boeket aan gelabelde ellende en daar hoeft niks bij. Het enige dat ik voor haar zoek is jouw troost. Zou dat kunnen? Heb je nog troost?”

Collega D. reageerde enigszins bevreemd en een beetje lacherig, maar ze vond het voorstel niet dermate krankzinnig dat ze het meteen afwees. „Nou weet je”, was haar reactie, „ik ga even kijken of zoiets kan. Ik bel je terug.”

Ik vroeg me af of ze nu in de kelder ging kijken of er nog wat troost lag. „Nee”, zei collega S., „ze gaat kijken of dit wel mag van de zorgverzekeraar. Of er een Diagnose Behandel Combinatie is waar ze dit in kan frommelen.”

Zoals beloofd belde ze ’s middags terug. „Het spijt me heel erg”, zei ze, „maar het kan niet. Het kan echt niet.”

Ze hoorde me sip kijken en voegde er gauw aan toe: „Doe je wel de hartelijke groeten aan mevrouw M.?”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden