Geneuzel in de ruimte

In een van de Voyagers, de onbemande ruimteschepen die de Amerikanen aan het eind van de jaren zeventig lanceerden, bevond zich een opname van een prelude van Bach, gespeeld door de Canadese pianist Glenn Gould. Voor het geval er ergens in het oneindige wezens zouden zijn die open stonden voor muziek. En dat vind ik nu toch zo lief, het maakt me helemaal zacht van binnen. Dat er intelligente wezens zouden zijn, ergens miljarden lichtjaren verderop, is één ding, maar dat die ook nog eens Bach naar behoren zouden kunnen bewonderen. . . daar moet je toch wel optimistisch voor zijn. En een lange adem hebben.

Kijk, ik geloof voor geen kwart cent in die Ufo's waar ze het altijd over hebben en in die buitenaardse wezens die volgens Shirley Mclaine ergens in Mexico ronddarren in de hoop een vakantieliefde met een aardling te beleven. Waarom niet? Wel, in de eerste plaats hebben de mensen die dat vertellen zo'n rare flikkering in het oog, dat ze best zouden kunnen doorgaan voor buitenaardsen die voor het gemak in een mensenhuid zijn gekropen. En in de tweede plaats omdat het ontkennen, het camoufleren, het verheimelijken van die vliegende schotels een wereldwijd complot veronderstelt. En zo'n complot bestaat, volgens mijn ervaring, alleen in de hoofden van diegenen die een tik van de molen hebben ontvangen. Want wordt er een complot gesmeed dan moet je altijd denken: wie wordt er beter van, net als bij een moord. En ik zou niet weten, wie daar beter van zou moeten worden. Integendeel; het is toch een heel mooi middel om de aandacht af te leiden van nationale en internationale troep? Dat heeft de oude science fiction ons wel geleerd: daarin waren de marsmannetjes en consorten altijd monsters die het mensdom wilden uitroeien maar ze kwamen van een koude kermis thuis. Het mensdom verenigde zich om de vijand te verslaan. Dat lukte welhaast altijd en daarna was de aarde eventjes een paradijs.

Ik mag dan niet geloven in Ufo's, ik geloof wel in het bestaan van intelligente, buitenaardse wezens. Een andere gedachte lijkt mij verfoeilijke hovaardij: waarom zouden wij de enigen zijn in het onmetelijke heelal die met cultuur zijn gezegend? Want cultuur is het eerder dan intelligentie. Dieren bezitten ook een zekere intelligentie, maar mensen zijn in staat zich te herinneren, voort te bouwen op het bestaande en als individu en massa van fouten te leren. . . al lijkt dat laatste een utopie. Zijn die wezens meer of minder ontwikkeld dan wij? En wat is in dit verband meer of minder? In de wetenschap, in de techniek, in de kunst? De kunst valt meteen al af, daarin bestaat geen ontwikkeling: niemand zal durven beweren dat de kunst in de middeleeuwen slechter was dan de moderne kunst. Maar misschien is alles daarginder wel helemaal anders, misschien hoeven die wezens niet te praten om elkaar te verstaan, niet te schilderen om elkaar de mooiste vergezichten voor te toveren, niet te zingen om de muziek der sferen te doen klinken en niet te knutselen en te monteren om de ingewikkeldste machines aan de praat te krijgen.

En hoe zouden ze er uit zien? Als wandelende takken? Als padden? Als mieren? Als hyena's? Maar voor hetzelfde geld bestaan ze uit een gaswolk of uit miljoenen cellen die zich aan ons oog onttrekken, maar samen een superbrein vormen. Of spinnedraadjes van een reusachtig web, waarin de verdwaalde mens verstrikt raakt. Tot zijn heil of zijn ondergang, wie zal het zeggen.

Nu ben ik een moralist en wat ik het liefst zou willen is beschreven in het begin van een boek van Arthur Clarke, Childhood's End. De wereld staat weer eens aan de rand van een grote oorlog en de supermachten van het heelal achten de tijd gekomen om in te grijpen. Ze sturen ruimteschepen die boven alle wereldsteden blijven hangen. Daarin zitten de overlords, de opperbazen, vooralsnog onzichtbaar. Het zijn zeer verlichte despoten, die de mensen eens en vooral bijbrengen hoe ze zich te gedragen hebben. De meesten sidderen van angst en zijn allang blij dat hun geen haar wordt gekrenkt als ze zich maar een beetje netjes houden. Maar de Spanjaarden zijn koppig. Tweemaal wordt hun bevolen de stierengevechten te staken, tweemaal slaan ze het bevel in de wind. Als, ten derden male, de toreador de lans in de stier steekt, weergalmt het stadion van kreten van pijn: de toeschouwers voelen de steek in hun eigen pens. Zie, dat vind ik nu eens een goede straf. In het vervolg laten ze het wel.

Dat Childhood End's is een klassiek boek in het genre, maar ik heb alleen van het begin genoten, de rest is een beetje wazig. Dan komt er telekinese aan te pas en allerlei alternatief gesmiespel (New Age avant la lettre) en er zijn mensen die op ruimtereis gaan, eeuwenlang wegblijven en jonger terugkomen dan ze zijn weggegaan. Voor die dingen ben ik te dom. Want om van de fictie over te stappen naar de realiteit: het ongeluk met mij is dat de astronomie me hogelijk interesseert, maar dat ik wat me verteld wordt, hoezeer ook toegesneden op dommeriken, nooit langer dan twee, hooguit drie seconden kan onthouden. Ik zie bijna letterlijk het licht: o, denk ik, ja, zo zit dat in elkaar, nu weet ik het eindelijk. . . en foetsj, weg is het weer. Zwarte gaten en de theorie over de tijd die net als de ruimte niet voorbijrolt maar zich uitstrekt (waarschijnlijk is dit ook al weer apepraat) zodat je er eventueel in zou kunnen reizen - dat vind ik verrukkelijk. Maar begrijpen doe ik er geen sikkepit van.

En dan kom je weer op iets, waar ik het al eerder over heb gehad in dit onsamenhangende verhaal. Wat is intelligentie? Ben ik intelligent? Als je snel associëren intelligentie noemt, ja, dan ben ik intelligent. Maar je kunt me honderd jaar wiskunde inpompen en honderd jaar scheikunde en duizend jaar astronomie en ik word geen steek wijzer. Techniek is misschien wat anders: ik heb eens, in uiterste nood toen de boel midden in de nacht op overstromen stond, verbanden gelegd tussen een kraantje hier en een schuivertje daar die ik in gewone omstandigheden niet voor mogelijk had gehouden. En waarachtig, het is me gelukt de stroom te stuiten, ik sta er nog paf van. Dus techniek is misschien iets wat ik niet wil leren, waarschijnlijk omdat ik te lui ben om er iets mee te doen. Net zoals de apen die, naar verluid, best kunnen praten maar het vertikken omdat ze dan ook moeten werken.

Nee, ik wil die ingewikkeldheden niet. Ik wil dat de Voyagers op een gegeven ogenblik, lichtjaren van ons vandaan, een planeet ontdekken, bevolkt met grote, zachte, donzige mollen. Die zijn buitengewoon zachtaardig en artistiek begaafd, de tranen rollen over hun wangen als ze naar Bach luisteren, ze vegen ze weg met hun kromme graafklauwtjes. Er wil er wel een mee naar de aarde om kennis met ons te maken, o zeker, maar ze hebben ons niets te leren: iedereen moet maar zalig worden op zijn manier, vinden ze. O, o, o laten we dan toch alsjeblieft geen ruimteschepen uitsturen om hun onze mores te leren. En en passant hun rulle, vruchtbare grond te koloniseren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden