GENESIS IN ARTIS Van microwieren tot neanderthaler

Sinds vorig jaar is de Amsterdamse dierentuin Artis een geologisch museum rijk, in het gebouw in de hoek achter de kinderboerderij. Als dierentuinbezoeker kun je er zonder extra betaling in.

HENK VAN HALM

Wat moet je je bij een geologisch museum voorstellen? Fossielen zijn er te zien, mineralen en allerlei soms verrassend mooie gesteenten. Van de verzameling is een deel al van buiten in de dierentuin te zien. In de grote glazen uitbouw naast de kinderspeelplaats zie je de reusachtige skeletten staan van een stegosaurus en van een reuzenhert. Beide stonden jaren geleden opgesteld in het Zoologisch Museum boven het Artis Aquarium.

De rest van de collectie is voornamelijk afkomstig van het vroegere Geologisch Museum van de Universiteit van Amsterdam. Dat lag heel bescheiden verstopt in het universiteitscomplex aan de Amsterdamse Nieuwe Prinsengracht. Dat museum, daterend uit de jaren dertig, was ook niet bedoeld voor het publiek, maar voor studiedoeleinden, als onderdeel van het Geologisch Instituut. Studenten leren nu weinig meer aan de hand van echte gesteenten en fossielen. De Amsterdamse universiteit wilde daarom af van het Geologisch Museum. Zij rekende een herinrichting tot publieksmuseum niet tot haar educatieve taken.

In 1988 viel het doek. Het lot van de enorme collectie was lange tijd onzeker. Voor de hand had gelegen dat de hele verzameling naar het Rijksmuseum van Geologie en Mineralogie in Leiden was gegaan, maar dat museum ontbrak het aan ruimte.

Uiteindelijk ontfermde Artis zich over een deel van de collectie. Een geologisch museum paste uitstekend in het concept van Artis-directeur Maarten Frankenhuizen: Artis als centrum waar de hele natuur wordt gepresenteerd, van het heelal (het planetarium), de wordingsgeschiedenis van de aarde (het nieuwe museum) en de collectie levende dieren en planten (de dierentuin en de plantenkassen) tot thema's uit het milieu van dier en mens (het Zoologisch Museum).

Voor het museum werd een voormalig kantoorpand aan de Plantage Middenlaan verbouwd. Verbouwing en inrichting zijn nu helemaal gereedgekomen. Een deel van het nieuwe museum ging begin 1992 al open, omdat men daarmee niet wilde wachten tot het hele museum gereed zou zijn.

Nu zijn alle drie de zalen klaar. In een kleine verduisterde zaal klinken uit een met ijzeren spijlen afgesloten gat in de vloer geluiden als van een overpruttelende pan soep, afgewisseld met het doortrekken van een wc, maar dan flink versterkt. Je kijkt niet neer op het inwendige van een riool, maar op roodgloeiende bobbels met donkere stollingskorsten. Een niet onaardige nabootsing van gloeiende lava, die opborrelt uit het binnenste der aarde. Een vreemde geur met een zweem van zwavel ondersteunt de verbeelding.

Boeiender dan de opstelling van basaltzuilen, gestold vulkanisch gesteente, in de zaal zal de bezoeker de mineralen vinden, die in een duister kastje, verlicht met ultraviolette lampen, een geheimzinnig licht lijken uit te stralen, niet helemaal ongelijk de lichteffecten in een discotheek. In schitterende kleuren groen lichten pyromorfiet, sabugaliet en willemiet op. Naujaliet uit Groenland glanst doorzichtig goudachtig oranje. Fluoriet gloeit met een onvergelijkelijk paars. Een vitrine in het daglicht toont fraaie kristallen van ondermeer rookkwarts, amethyst en malachiet. In de voormalige Portieljezaal wordt de samenhang getoond tussen de kringlopen van water en koolzuurgas en van de convectiestromen onder de aardkorst.

Er staat erg veel tekst in de grote platen aan de wand over de opbouw van de aarde, de verschuiving van de continenten en het ontstaan en vergaan van vulkanen. Gelukkig wordt een en ander geillustreerd door echte stollings- en afzettingsgesteenten, maar het vraagt nogal wat interesse om een en ander tot je te nemen. Echt educatief is de show pas met begeleiding van kenners die er een populaire interpretatie aan kunnen geven.

Dat is minder het geval in de grote glazen zaal. Een wereldbol laat in een uitgenomen segment zijn gloeiende binnenste zien en op zijn oppervlak de groeven en rimpels, waarin de schil is gestold en gebarsten, waar alle leven zich afspeelt. In een gordel eromheen zijn diverse levensvormen, die de aarde bevolken, in foto's verbeeld. De fossielen staan niet in steriele museumvitrines. Het zijn kleine diorama's, rotstuinen zonder planten, met daarin ingebed of erop geplaatst de fossielen uit belangrijke perioden van de aardgeschiedenis.

Dat begint met een stromatoliet, een kalkafzetting door microwieren, die drieeneenhalf miljard jaar geleden werd gevormd en het eerste herkenbare spoor van leven vertegenwoordigt. Ongeveer 700 miljoen jaar geleden waren die blauwgroene microwieren de belangrijkste levensvorm. Zij maakten zuurstof vrij, waardoor tenslotte de dampkring werd gevormd die ander leven mogelijk maakte. Dat laat de tweede vitrine zien, ook van leven uit zee, nu van 570 tot 290 miljoen jaar geleden: trilobieten, zeelelies, slakkehuizen en het skelet van een kwastvinnige, een vis waaruit later op het land levende amfibieen ontstonden.

Landdieren zij te zien in de derde vitrine met het complete skelet van een roofsaurier in aanvalshouding. Hoewel de botten van deinonychus niet met vlees en huid zijn bekleed, is weinig fantasie nodig om je de verschrikking van zo'n monster met zulke enorme klauwen voor te stellen, al is die maar een dwerg, vergeleken bij de reusachtige tirannosaurus. De schedel van het zoogdierachtige reptiel dimetrodon blijkt ongeveer even groot als die van een van de grootste landdieren die ooit geleefd hebben, de diplodocus, die dertig meter lang kon worden. Oerbuffels, olifanten, neushoorns, de sabeltandtijger en mensachtigen markeren het laatste grote tijdperk, vertegenwoordigd door schedels van indrukwekkende omvang.

Op de achterwand zijn de wezens geschilderd waarvan de resten te zien zijn. Naar mijn smaak zijn die schilderingen wat grof en soms zelfs naef. Als het de bedoeling is met die schilderingen kinderen aan te spreken, dan hinkt de tentoonstelling op twee gedachten, want de teksten zijn niet voor kinderen geschikt. Soms zullen zelfs volwassenen er nog wat moeite mee hebben.

Wat wel direct aanspreekt, zijn de echte fossielen en de bedrieglijk echte afgietsels van gereconstrueerde skeletten en schedels. De schedelresten van de Australopithecus robustus, van het kind van Taung, van de neanderthaler uit Steinheim, de schedel van een Cro Magnon met een grote ronde beschadiging in het voorhoofd.

De meeste indruk maakt wellicht het skelet van het reuzenhert. Het veenhert had zo'n enorm, wijd uitwaaierend gewei dat het nooit in de bossen heeft kunnen leven, maar in de uitgestrekte venen, ook in ons land. Nog maar 12 000 jaar geleden stierf het uit, in de laatste ijstijd. Vergeleken bij de ouderdom van al die sauriers, de oerzoogdieren en zelfs de tentoongestelde menselijke resten is dat nog maar gisteren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden