boekrecensie

Genen gelden als de zegen en de vloek van onze voorouders. Ze zijn zoveel meer.

Een Amerikaans familiealbum van rond 1900. Beeld Alamy Stock Photo

Bij het woord erfelijkheid denken we aan genen. Daarmee doen we het begrip geweld aan. Erfelijkheid is veel meer dan het DNA dat we van onze (voor)ouders kregen, betoogt wetenschapsjournalist Carl Zimmer. 

Het is een populaire hobby, graven in de familiegeschiedenis. Tal van mensen speuren het internet af of duiken in gemeentearchieven, op zoek naar sporen van hun voorouders. De meesten stranden als ze een eeuw of twee terug in de tijd zijn gegaan en de familienaam geen houvast meer biedt. Maar een enkeling heeft geluk en weet dankzij wat documenten of familiebezittingen tot diep in het verleden door te dringen.

Elk jaar in april verzamelen zich tientallen mensen in een club in Washington DC voor een diner en bijeenkomst van de ‘Orde van de Kroon van Karel de Grote in de Verenigde Staten van Amerika’, vertelt Carl Zimmer in zijn deze week verschenen boek ‘Ze heeft haar moeders lach’. “Wie voor het diner uitgenodigd wil worden, moet kunnen aantonen dat hij of zij een directe afstammeling is van de 8ste-eeuwse keizer van het Heilige Roomse Rijk. Om het de nakomelingen van Karel de Grote iets gemakkelijker te maken, is de orde tevreden als ze kunnen aantonen dat ze verwant zijn met een erkend lid van de orde.”

Vertakkingen

Daar zit volgens Zimmer iets paradoxaals in. Wij stellen ons die familiegeschiedenis voor als een stamboom met vele vertakkingen. Twee ouders, vier grootouders, acht overgrootouders. Tegen de tijd dat je, al terugzoekend, bij Karel de Grote bent aanbeland, zwicht de boom onder het gewicht van meer dan een biljoen vertakkingen.

Zoveel zijn het er ook niet, veel takken groeien na verloop van tijd weer aan elkaar. Die voorouders blijken aan elkaar verwant te zijn. Joseph Chang, een wiskundige van de universiteit van Yale, maakte daar twintig jaar geleden een statistisch model van en ontdekte toen dat als je maar ver genoeg teruggaat in de geschiedenis, je op een gegeven moment uitkomt in een tijd waarin alle personen die nakomelingen onder nu levende mensen hebben – al is het er maar één – voorouder zijn van álle nu levende mensen.

Laat dit even tot u doordringen. En denk dan nog eens aan Karel de Grote. “We weten zeker dat er nog enkele afstammelingen van Karel de Grote in leven zijn”, schrijft Zimmer, “dankzij de stambomen die de Orde van de Kroon vol trots heeft getekend. Maar dat feit betekent volgens Changs model dat iedere Europeaan die nu leeft een afstammeling is van Karel de Grote. Je kunt die orde nauwelijks een exclusieve club noemen.”

Misvattingen

Exclusiviteit is een van de vele misvattingen over erfelijkheid die Zimmer in zijn boek beschrijft. Het is een kloek boek, prettig leesbaar, maar ook massief. Het is zo allesomvattend dat een lezer het zo nu en dan even terzijde zal moeten leggen om de informatie te verwerken. Zimmer, een bekende Amerikaanse wetenschapsjournalist, beschrijft alle aspecten van erfelijkheid: hoe de maatschappelijke en wetenschappelijke inzichten erover zijn geëvolueerd, en welke dwaalsporen zijn bewandeld. Van rassenleer tot eugenetica, van de erwten van Mendel tot de moderne Crispr-Cas-techniek.

Met erfelijk bedoelden we vroeger iets heel anders, begint hij zijn boek. We hebben het woord te danken aan de Romeinen, maar zij hadden het niet over het doorgeven van lichamelijke kenmerken. Bij hen was de erfgenaam degene aan wie de middelen van een overleden persoon werden vermaakt. Dat idee hadden de koningshuizen in de Middeleeuwen – en de eerste eeuwen daarna – nog steeds.

Hof van Brussel

Hij beschrijft de scène uit 1555 in het Hof van Brussel waar Karel V, Heer der Nederlanden, Koning van Spanje en Keizer van het Duitse Rijk, tegenover Vlaamse edelen aankondigt afstand te doen van de troon, ten faveure van zijn zoon, Filips II. Voor Karel – en zijn tijdgenoten – was het vanzelfsprekend dat de macht overging van vader op zoon, zijn wettige erfgenaam. Zo vanzelfsprekend dat hij, en zijn hele familie, de Habsburgers, er alles aan deden om de macht binnen de familie te houden.

Wie dat tableau uit 1555 nu bekijkt, ziet meteen waar die hang naar ‘zuiver bloed’ toe leidde. Karel en Filips hadden dezelfde vooruitstekende onderkaak, een kenmerk dat in hun nageslacht terugkeerde, zodat artsen nu spreken van een ‘Habsburgse kaak’. Wetenschappers vermoeden overigens dat de Habsburgers niet zozeer een vergrote onderkaak hadden, maar een kleine, onvolgroeide bovenkaak.

Karel was met zijn nicht getrouwd, Filips ook, en hun nakomelingen zetten die traditie voort. Zo ontstonden er allerlei dwarsverbanden in de familierelaties waardoor erfelijke afwijkingen steeds meer kans kregen zich te nestelen. De Habsburgers waren ziekelijk, depressief en stierven veelal jong. Met de dood van Karel II in 1700 stierf de Spaanse tak van de dynastie uit.

De aanwezigen destijds in het Brusselse paleis zagen ook wel de gelijkenis tussen vader en zoon, maar, schrijft Zimmer, ‘zij zouden niet hebben gezegd dat Filips zijn kaak van zijn vader had geërfd’. Nu weten we dat het genetische mutaties zijn die zich door de inteelt hebben kunnen handhaven. Maar dat wil niet zeggen dat we nu een goed beeld van erfelijkheid hebben.

Rassen

Neem onze ideeën over rassen, vervolgt Zimmer. “Bij witten bijvoorbeeld denken we doorgaans aan de mensen met een bleke huid uit Europa en hun afstammelingen, een groep mensen die op één continent bij elkaar zit en dezelfde uniforme erfelijkheid gemeen heeft die tot tienduizenden jaren teruggaat. De mensen die twintigduizend jaar geleden in Europa woonden, hadden weliswaar een andere leefwijze, maar in onze verbeelding zijn ze wel wit.”

DNA-onderzoek heeft aangetoond hoe onjuist die opvatting is. De huidige Europeanen stammen af van mensen die in een aantal golven, met tussenpozen van duizenden jaren, op het continent arriveerden. De eerste intocht die zijn sporen naliet, dateert van 35.000 jaar geleden, de laatste grote golf rolde 4500 jaar terug vanuit de Russische steppen Europa binnen. “Al deze groepen vertoonden net zomin een nauwe verwantschap met elkaar als Laplanders en Indonesiërs. Maar in Europa troffen ze elkaar en vermengden ze hun genen. De Europeanen van tegenwoordig zijn genetisch gezien tamelijk uniform. Die uniformiteit vloeide echter voort uit een biologische blender.”

Zoiets geldt ook voor de huidskleur, sowieso een westerse categorisering – wit gold als de standaard, zwart was een teken van inwendige vloek. Het DNA is hier niet zo’n scherpe scheidsrechter, maar duidelijk is wel dat deze vroege immigranten verre van wit waren. Voor zover bekend misten ze in ieder geval de genetische mutatie die de huid van moderne Europeanen licht kleurt.

De nieuwkomers waren vermoedelijk gekleurd in allerlei tinten bruin. Die huid verbleekte hier doordat dat gunstiger was voor de aanmaak van vitamine D. Zimmer: “Al blijft het raadselachtig waarom dat proces tienduizenden jaren heeft geduurd.”

Eiwitten

Vijftig jaar geleden verzamelde een Amerikaanse geneticus, Richard Lewontin, metingen van zeventien verschillende eiwitten in een grote verscheidenheid aan menselijke populaties, van de Chippewa’s tot de Zoeloes, van de Nederlanders tot de bevolking van Paaseiland. Toen hij mensen volgens ras indeelde, ontdekte hij dat 6,3 procent van de totale genetische diversiteit bij mensen werd veroorzaakt door genetische verschillen tussen rassen. De genetische diversiteit bínnen populaties, zoals de Zoeloes of de Nederlanders, bedroeg 85,4 procent.

Lewontin concludeerde dat raciale classificaties door optische illusies verankerd waren geraakt in de westerse samenleving. “Mensen beschrijven rassen op basis van kenmerken waar de menselijke waarneming scherp op afgestemd is (vorm van neus, lippen en ogen, huidskleur, vorm en hoeveelheid van haren).” Deze kenmerken worden echter slechts door een klein aantal genen beïnvloed. Het was volgens Lewontin verkeerd om ervan uit te gaan dat alle andere menselijke genen hetzelfde patroon volgden.”

Naarmate de technologie voor het bestuderen van genen goedkoper en sneller werd, lieten mensen steeds gemakkelijker hun eigen DNA onderzoeken, schrijft Zimmer. “Ze bestelden genetische tests om hun verwantschap met een onbekende ouder, verre voorouders, een ras te onderzoeken. Genen werden de zegen en de vloek die onze voorouders ons hadden gegeven. Vaak kunnen genen ons echter niet geven wat we eigenlijk van de erfelijkheid willen. Het grootste deel van ons DNA is op onvoorstelbaar subtiele manieren van invloed op wie we zijn: ons uiterlijk, onze lengte, onze neigingen. Misschien verwachten we te veel van onze overgeërfde genen, maar tegelijkertijd beseffen we niet hoe veelomvattend erfelijkheid in werkelijkheid is.”

Carl Zimmer, ‘Ze heeft haar moeders lach’
HarperCollins, Amsterdam 2018. 639 pag. 24,99 euro.

Lees ook: 

Nature of nurture? Denk niet zo zwart-wit

Zijn eigenschappen als een wiskundeknobbel of een sporttalent aangeboren of aangeleerd? Dat was decennialang de strijd. De twee kampen vinden elkaar nu in het midden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden