Geneeskunde kan niet zonder onderzoek

In tegenstelling tot hetgeen het studentenplatform van de KNMG beweert, verwoord door Joris Broeren en Eline Bijlsma in 'Promoveren ten koste van de patiënt' (Trouw, 27 februari), is het niet de bestaande publicatiedrang, maar veeleer de door hen aangenomen houding van medici die de doodsteek is voor de patiëntenzorg.

De geneeskunde mag zich verheugen in een eeuwenoude academische traditie. Helaas moet geconstateerd worden dat de opleiding geneeskunde de laatste jaren in Nederland steeds meer vervalt tot een beroepsopleiding in de geneeskunst. Tot onze verbazing wordt dit, blijkens bovengenoemd schrijven, zelfs toegejuicht door enkele medische studenten en dat namens een organisatie die de bevordering van de medische wetenschap en kennis als één van de doelstellingen heeft.

Het ontbreken van een gedegen wetenschappelijke basis van artsen komt zeker de patiënt niet ten goede. Academisch onderwijs stimuleert mensen immers verder te kijken dan hun neus lang is. Door het doen van onderzoek krijgt een arts meer inzicht in de door hem gelezen en gebruikte vakliteratuur en in zijn eigen handelen.

Zoals gezegd bevat de studie geneeskunde nauwelijks onderwijs in onderzoekstechnieken en -methoden. Dit isten zeerste te betreuren. Het wekt verbazing dat de medisch studenten in hun schrijven zich wel in staat achten klinische onderzoeken te doen, waar het basale wetenschappelijk onderzoek overgelaten moet worden aan 'echte' natuurwetenschappers.

Een academische -onafhankelijke- houding is onontbeerlijk en vereist het inzicht dat elk onderzoek los moet staan van patiënten-, farmaceutische- en eigen belangen. Ons inziens is er geen betere mogelijkheid tot de benodigde kennis te komen dan het zelf doen van onderzoek binnen een project voor assistenten en onderzoekers in opleiding -waarin het leren onderzoeken centraal staat.

Met name academische ziekenhuizen drukken hun waardering voor die vaardigheden uit in een verhoogde kans op een opleidingsplaats. Een doctorstitel is natuurlijk een prima bewijs van onderzoekservaring. Op sommige afdelingen is er de mogelijkheid zelfs al binnen één jaar te promoveren en het zal geen verbazing wekken dat dit aanlokkelijk is voor sommige medici, aangezien het traject tot zelfstandig arts al erg lang is. Deze wijze van onderzoek brengt natuurlijk de kwaliteit ervan in gevaar. Door de discutabele maatstaf vier publicaties 'af te leveren' voorafgaande aan de promotie zal menig onderzoek niet optimaal worden uitgevoerd. Bovendien doen onderzoekers in deze situatie door de tijdsdruk een groot beroep op analisten. Het door de studenten aangehaalde bezwaar dat dit de kwaliteit van het onderzoek bedreigt, staat buiten kijf. Echter, in hoeverre dit ten koste gaat van de patiëntenzorg wordt niet duidelijk in het artikel.

Het tweede genoemde nadeel is het verliezen van klinische vaardigheden gedurende de vier jaar durende onderzoekstijd. Een substantieel deel van de artsen zal echter, zoals hierboven genoemd, geen vier jaar promotieonderzoek doen. Daarnaast combineert een groot deel van de artsen zijn promotieonderzoek met de opleiding tot arts, dan wel een zogenoemde agnio-plaats, waardoor de arts elke week in de patiëntenzorg werkzaam is. Het verlies van praktische vaardigheden is hier niet aan de orde.

Daarnaast is het natuurlijk vrij aan elke medische student om zich verder wetenschappelijk te ontwikkelen door zijn promotieonderzoek te doen direct na het behalen van de doctoraaltitel. Na de promotie kan de opleiding tot arts dan worden afgerond door het doen van de co-assistentschappen, waarin de klinische vaardigheden worden aangeleerd. Ook het doen van onderzoek gedurende de studie is toe te juichen.

Het vak van een arts is veelzijdig. Niet alleen binnen de patiëntenzorg is een enorme differentiatie aanwezig, ook management, beleid en onderzoek zijn onderdeel van de medische wereld. De beperking tot het klinisch handelen die de medisch studenten van het KNMG-studentplatform graag zien in de opleiding tot arts, getuigt van het ophebben van oogkleppen.

Een deel van de behandelingen van patiënten wordt steeds meer gebaseerd op 'up-to-date' wetenschappelijke kennis. Met name in de academische ziekenhuizen is een academische houding noodzakelijk. In deze context is het niet opdoen van onderzoekservaring door artsen dan ook kwalijk.

Daarbij moet een arts uiteraard niet uit het oog verliezen dat er wetenschappers zijn die beter op de hoogte zijn van onderzoekstechnieken en -methoden, zoals medisch-biologen en statistici. Een goede samenwerking tussen de verschillende vakgroepen en tussen kliniek en universiteit zal leiden tot een optimaal onderzoeksresultaat.

De oogkleppen die de studenten noemen, worden hen aangereikt in hun opleiding, die nog maar al te vaak in het teken staat van de arts als alles- en dus als betweter. Deze houding is een doodssteek voor het onderzoek, dat zeker in het belang is van de patiënt. Immers, geneeskunde en geneeskunst zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Remco van Horssen, Saske Hoving en Catrien Van der Meer promoveren op respectievelijk clinische, biomedische en moleculaire oncologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden