Review

GENADELOOS STEMGELUID

Als er geen microfoons bestonden en geen luidsprekers, waren zes miljoen joden misschien nog in leven geweest. Want zonder geluidsinstallaties hadden Hitler en zijn gevolg nooit zoveel macht gehad. Bovendien zou Hitlers afgeknepen, schorre stemgeluid ons nooit ter ore zijn gekomen als het niet op geluidsdragers was vastgelegd. Herinneringen kunnen vervalst worden, zegt de jonge schrijver Marcel Beyer, maar opnames van stemgeluid zijn genadeloos.

Beyer schreef een adembenemende roman over een man, Hermann Karnau, die als geluidstechnicus fanatiek de gruwelen en de alledaagsheid van het nationaal-socialisme op wasplaten vastlegt. En hij zorgt ervoor dat de redevoeringen van de Führer zo ver mogelijk dragen: “Heeft hij er ooit bij stiltgestaan dat hij, de geweldige redenaar in de ogen van de grote massa, in zeer hoge mate afhankelijk is van zulke ogenschijnlijk onbeduidende helpers als ik? Heeft hij in de gaten dat geluidstechnici een beslissende bijdrage aan zijn triomf hebben geleverd? Dat zonder microfoons en zonder de reusachtige luidsprekers hem het succes nooit gegeven was geweest?”, aldus Karnau in het boek.

Maar er is nog een hoofdpersoon in Beyers boek: de oudste dochter van Goebbels beschrijft ons dezelfde tijd, gezien door de ogen van een kind dat steeds duidelijker vermoedens heeft dat ze de oorlog niet zal overleven. Evenals haar vijf broertjes en zusjes. De kinderen van Goebbels en de geluidstechnicus Karnau sluiten een bondgenootschap. En toch zal Karnau niet ingrijpen als vader en moeder Goebbels de kinderen vergiftigen.

Het boek van Beyer doet wat de vorm betreft denken aan 'Het Parfum' van Patrick Süsskind die de wereld beschrijft, geroken door de neus van een geur-expert. Bij Beyer zijn het de geluiden die geschiedenis schrijven. Maar voor alle duidelijkheid: Marcel Beyer heeft het boek van Süsskind helemaal niet gelezen: “Het geeft aan dat alle schrijvers zich met 'zien' bezig houden. Zodra andere zintuigen worden benadrukt, wordt direct gezegd dat ze dat van elkaar hebben afgekeken”.

Waarom schrijft u als 31-jarige een literaire roman over de nazi-tijd?

“De vraag 'waarom' kan ik zelf niet eens beantwoorden. Dat vraag ik me nog steeds af. In de familie is ook niets gebeurd wat me op het idee zou kunnen brengen om nader onderzoek te doen naar die tijd. Ik heb me nog nooit met het nationaal-socialisme bezig gehouden. Er was een moment na mijn eerste roman waarop ik wat anders wilde doen en geprobeerd heb met historisch materiaal te werken. Al snel kwam toen Hermann Karnau tevoorschijn.

Er heeft ook echt een Hermann Karnau bestaan, maar die was een eenvoudige bewaker in de bunkers. Met mijn Karnau heeft hij alleen gemeen dat hij terzelfder tijd in de bunkers was. De naam heb ik voor het eerst gelezen in een krantenartikel uit de zomer van 1945. Daar werd een zekere Hermann Karnau als getuige opgevoerd. Hij had gezien dat het lijk van Hitler werd verbrand.'

“Toen heb ik meer informatie over hem gezocht maar ik ontdekte al snel dat ik niets meer over hem te weten kon komen. Er zijn andere figuren die later nog boeken hebben geschreven maar hij niet. Op een bepaalde manier is uit deze naam, Karnau, toch een mens geworden en die moest ik onderzoeken, daar was geen ontkomen aan. Als fictie-figuur welteverstaan.”

“Het was me duidelijk dat het om een iemand moest gaan die aan proeven op mensen deelneemt. Het moest een persoon zijn die zo ver mogelijk van mij verwijderd is. Ik heb me daarom ook bezig gehouden met biografieën van artsen die inderdaad aan mensproeven hebben meegedaan. Ik heb gewacht tot ik op een monster zou stuiten maar heb die niet gevonden.

Dat was het moeilijkste: Karnau was iemand die aan mensproeven deelnam en toch moest ik hem achteraf een normaal leven geven, tegen mijn zin. Hij moest normaal zijn en hij moest dingen van mij hebben. Zoals de belangstelling voor de stem bijvoorbeeld.'

“Er drijven eendenlijken in de vijver. Op een bank zitten twee gewonde soldaten roerloos tegen elkaar aan, ze zijn het vechten allang moe, in de schoot van een van hen ligt het machinepistool nog onder handbereik. Ze staren met lege ogen naar de hemel, nu beweegt zich een van hen, zijn bovenlichaam valt opzij, het wapen glijdt weg, het zware lichaam zakt met slappe armen omlaag en trekt de ander mee naar de grond.”

Dat maakt het boek juist zo aangrijpend, dat mengsel van aardigheid en gruwel...

“Zo'n type is juist zo gevaarlijk omdat hij ook vriendelijk kan zijn. Dat zwakt het niet af maar maakt hem juist nog erger. Dan ga je je afvragen of je niet zelf tot zoiets in staat bent. Terwijl je eigenlijk wel weet dat het niet zo is, vanwege maatschappelijke omstandigheden bijvoorbeeld.”

Is dat misschien de reden waarom onze generatie in Duitsland nog steeds zo met die tijd bezig is? Niet omdat ze er zelf mee te maken heeft gehad, maar omdat men zich steeds afvraagt wat men zelf zou doen?

“Dat klopt. Ik geloof dat de generatie van mijn ouders, de zogeheten generatie '68, over de nazi-tijd hun generatieconflict heeft uitgedragen. Alleen al door te zeggen dat zij als nazaten aan de andere kant stonden. Dat was voor die generatie de manier om zich tegen hun ouders af te zetten. Ze hebben zich zelf op een voetstuk geplaatst, moreel gezien. De vraag: hoe zou ik me gedragen hebben, kwam niet ter sprake. Dat was natuurlijk ook nodig, historisch gezien. Eerst moesten de ouders aangeklaagd worden. Maar daardoor hebben ze het probleem van zich afgeschoven.”

“Het is heel merkwaardig. Als ik lezingen houd, vind ik bij jonge studenten een open oor en ook bij de generatie die de oorlog heeft meegemaakt. Die zijn ook nieuwsgierig hoewel ik die tijd niet heb meegemaakt. Het wekt bij hen de eigen herinneringen op. Maar bij de middelste generatie is het moeilijk. Daar heb ik het gevoel dat ze bang zijn dat het te dicht bij komt. Ze hebben een pasklaar beeld van het nationaal-socialisme en het zou gevaarlijk zijn als dat moet worden bijgesteld. Ik heb meegemaakt dat een man die geboren was in 1946 me steeds wilde corrigeren. Hij tikte me steeds op de vingers en zei dat alles niet klopte. Hij nam de veteranen-houding aan die ik juist bij de oudere generatie verwachtte.”

“De kleintjes komen met verkreukelde gezichten de keuken binnenwankelen, we hebben hen vast te vroeg uit hun middagslaap gewekt. Ze hebben dorst, ze willen nu ook rozenbottelthee, maar niet zo heet. Opeens hangt er een rare, ongewone geur: heeft de hond Coco het op de vloer gedaan? Maar Helga roept luid: Hedda heeft haar broek vol.”

Ik was verrast door de manier waarop u gedetailleerd de kinderen van Goebbels beschrijft. Heeft u zelf kinderen?

“Nee, maar ik heb een tijd lang met gehandicapte kinderen gewerkt. Daar was ik dan vaak dag en nacht. We gingen ook op reis en dat was een hele belangrijke tijd, daar heb ik heel veel geleerd. En niet alleen dingen die voor dit boek van belang zijn.”

Waarom voelen de kinderen van Goebbels zich zo thuis bij Karnau? Meer dan bij hun eigen ouders?

“Karnau moet geheel onvoorbereid op die kinderen passen. Hij is niet op kinderen ingesteld. Hij gedraagt zich niet anders dan tegenover volwassenen. Hij neemt ze ook net zo serieus. Zo voelen ze zich natuurlijk ook serieus genomen. Terwijl ze thuis de naïeve schijn moeten hoog houden. Ze moesten, ook in de propaganda-films, naast de koele, beheerste, 'intellectuele' vader, de emotionele kinderlijke tegenpool verbeelden. Karnau is niet in deze tegenstelling geïnteresseerd. Dat voelen ze aan.”

“Ik sta als een doofstomme tegenover mezelf: er valt gewoon niets te horen, ook de gebaren en de mimiek kan ik niet begrijpen. Eind twintig, en nog steeds een niet gegraveerde, gladde wasmatrijs, terwijl bij anderen allang talloze sporen zijn ingegrift en ze al snel gekras en gekraak laten horen omdat ze zo vaak zijn afgespeeld. Geen herkenbaar verleden, en niets wat me overkomt, niets in mijn herinnering kan tot een geschiedenis bijdragen.”

Karnau zegt: 'Ik ben een mens over wie niets te vertellen valt'. Hoe kan je van zo'n mens houden?

“Hij ziet zichzelf zo en ik denk dat hij zichzelf ook aan het einde van het boek nog zo zou zien. Dan kan je het hem niet meer afnemen, al is het natuurlijk onzin. Hij neemt aan een verhaal deel en draagt ertoe bij zonder het te weten omdat hij er steeds midden in zit. Ik weet ook niet of ik hem wel moet geloven als hij aan het einde zegt dat hij verbaasd is dat hij de kinderen in hun laatste dagen nog heeft opgenomen, alsof hij het zelf niet meer weet. Maar er zijn voorbeelden van mensen die een pijnlijk deel van hun leven vergeten, dat is ook uit de verhoren wel gebleken.”

“Ja, gefotografeerd is er altijd, maar ze konden hun eigen stemmen niet meer horen die ze twaalf jaar lang hees hadden geschreeuwd. Want foto's kun je verfraaien, je kunt ze arrangeren: nu glimlachen en elkaar omarmen. En uniformen verruilen voor vodden van na de oorlog. Onderscheidingen laten verdwijnen, en een snorretje is in een wip afgeschoren. In één nacht kun je een blik afleren: de volgende ochtend niet meer vol haat en oorlogszuchtig, maar vermoeid en vriendelijk. Maar met de menselijke stem kan dat niet, daarin klinkt het Ja Ja Ja, het Heil en Sieg en Ja mein Führer nog jaren door.”

Hoeveel historisch materiaal heeft u voor dit boek geconsumeerd?

“Zoveel mogelijk. Er zijn eigenlijk maar twee momenten waarop ik gestopt ben. Dat was bijvoorbeeld toen ik in het telefoonboek van Wilhelmshaven - de stad waar Karnau naartoe ging na de oorlog -- de naam Karnau zocht. Er stonden zoveel Karnau's in het boek dat ik ze niet heb gebeld.”

“Het andere moment waarop ik ben gestopt is bij het Berlin Document Center in Berlijn. In 1992 had ik daar als Duitser nog geen toegang. Daar moeten de dossiers van Karnau te vinden zijn. Maar toen ik wel de toegang kreeg, was mijn Karnau al een eigen persoon dat ik me niet meer wilde afleiden door historische feiten.”

“Na mijn onderzoek bleek dat het boek dat de Engelse historicus Trevor-Roper al in 1948 schreef over de laatste dagen van Hitler, het dichtst bij de werkelijkheid gekomen moet zijn. Alles wat later nog aan getuigenverklaringen kwam, was alweer door de tand des tijds vervalst. Twee jaar geleden werden weer een paar van die getuigen-interviews afgedrukt waarbij de haren je te berge rezen. Die verhalen konden niet kloppen. Een secretaresse vertelde achteraf dat de volwassenen in de bunker niet gemerkt hadden dat de kinderen van Goebbels vermoord zouden worden. En dat de kinderen niet wisten dat het oorlog was. Zo bouwt ieder zijn eigen zelfbescherming op in de loop der jaren. Daar vertellen ze dan nog bizarre anecdotes bij om die onzin te bevestigen.”

Zijn er in werkelijkheid ook zoveel krankzinnige bandopnamen gemaakt door de nazi's?

“Er is veel opgenomen maar ik heb veel verzonnen. Men weet eigenlijk nog niet eens hoeveel er is. Er duiken de vreemdste geluidsarchieven op. Bijvoorbeeld laatst een dierstemmenarchief in Oost-Berlijn. Opeens merkte men na lang onderzoek dat het eigenlijk om baby-stemmen ging. Het vreemde is dat ik wat bedacht had en dat het dan later ook bleek te bestaan.”

“Iedereen hoopt elke ochtend vurig op naleveringen chocolade uit Zwitserland, tot nu toe komen de vliegtuigen van het Rode Kruis nog in Berlijn aan, maar de situatie is gespannen. De chocoladebewakingsploeg vreest haar stelling te moeten verlaten en in het strijdgewoel buiten verwikkeld te raken als ze elke ochtend de chocoladerit moet escorteren.”

Waarom speelt chocola aan het einde zo'n belangrijke rol? Houdt u van chocola?

“Ja heel erg! Maar ik heb vaak authentieke dingen die ik ontdekte nog een stukje gechargeerd zodat ze buiten proportie raakten. In de verhoren van Hitlers secretaresse uit 1945 duikt steeds weer taart op. Terwijl het absoluut niet ter zake doet. Toen dacht ik: dan maak ik het nog extremer. Hitler eet niet alleen taart in mijn boek maar tot slot alleen nog maar chocola, met vliegtuigladingen tegelijk. Dat is ook eigenlijk een reactie op vreemde boeken die ik gelezen heb. En zelfs een paar maanden geleden laaide er weer zo'n discussie op: medische historici proberen het nationaal-socialisme te verklaren uit het ziektebeeld van Hitler. Ze proberen eigenlijk duidelijk te maken dat de holocaust tot stand gekomen is door het feit dat Hitler een gevoelige maag had. Dat is zó cynisch. En niet alleen omdat alles weer als een bedenksel van één persoon wordt uitgelegd. Ze doen alsof er niet meer kopstukken bij betrokken waren. Hitler is gelukkig dood en daarmee was de kous af. Men hoeft zichzelf niets meer af te vragen.”

Kan zo'n boek alleen nu worden geschreven. Is nu de tijd pas rijp?

“In november 1989, toen de grens met de DDR open stond, had ik opeens het gevoel dat ik geschiedenis meemaakte. Tot dan toe meende ik dat de geschiedenis achter me lag. Maar toen zag ik opeens dat de geschiedenis ter plekke plaats vond. Nu is er geen excuus meer, dacht ik, nu moeten we ons met de geschiedenis bezig houden. Er waren zoveel uitvluchten geweest om het niet te doen. De DDR was anti-fascistisch dus daar hoefde men zich er niet mee bezig te houden. En in het westen was de Koude Oorlog een veelgehoord excuus. Ze wilden eerst de Koude Oorlog winnen en dan....”

Dat was u zich bewust?

“In 1990 werd ons als schrijvers gevraagd of de politieke en maatschappelijke veranderingen in onze teksten terug te vinden zouden zijn. Ik zei: moment, ik ben geen journalist, ik werk wel vier jaar aan een boek. Natuurlijk heeft de wereld om me heen effect op mijn boek. Maar wellicht niet als thema. Zo ben ik steeds verder terug gegaan en vroeg me af waarmee dat alles eigenlijk begonnen is. En er zijn natuurlijk twee Duitse staten geweest omdat er twaalf jaar nationaal-socialisme was. Dat is de oorsprong.”

“Maar hoe is de situatie van de vliegende honden? In welke conditie bevinden zich de nakomelingen van de door Moreau uit Madagascar ingevoerde dieren die hij aan de dierentuin heeft geschonken? Ze zijn de laatste overlevenden, nadat het nest in Dresden is weggevaagd, sinds op de ochtend van 14 februari een bom door het dak is gegaan.”

En waar komen die vliegende honden vandaan, wat hebben die met de nazi's te maken?

“Die komen van mij, ik hou veel van die beesten. Karnau moest iets van mij hebben. Net als de chocola.”

Maar komen ze in de geschiedenis voor?

“Eigenlijk niet maar er was ook wat vreemds mee. Ik had Karnau in Dresden gesitueerd en toen bleek dat de belangrijkste Duitse vleermuisonderzoeker in Dresden leefde.”

En hebben ze ook niet iets met de weerwolven te maken, een symbool van Goebbels?

“Nee, daar vecht ik nou juist tegen, tegen dat vampier-imago. Ze staan gewoon in verbinding met de duisternis en de belangrijkste gebeurtenissen in mijn boek spelen zich niet bij daglicht af.”

Hoe is uw boek in Duitsland ontvangen?

“Verrassend positief. Ik was blij toen ik mijn manuscript af had. Aanvankelijk dacht ik dat het nooit zou lukken. Met zo'n 600 exemplaren zou ik al blij zijn geweest, maar het zijn er 40 000 geworden. Daarover was ik verrast, want ik dacht dat er veel dingen in zaten die gekraakt zouden worden.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden